Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5924

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
14/4007
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandigenaftrek/artikel 3.76 Wet IB 2001

Belanghebbende is overleden aan het begin van het in geschil zijnde jaar en had uit een voorgaand jaar nog niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76, vijfde lid Wet IB 2001. De inspecteur heeft terecht geweigerd de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in het in geschil zijnde jaar te verrekenen omdat belanghebbende in dat jaar niet voldeed aan het urencriterium. Naar het oordeel van de rechtbank is de wet duidelijk en is geen sprake van strijd met doel en strekking. Ook is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.76
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2186
Belastingadvies 2016/3.3
V-N 2016/5.14 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2016/5.6
FutD 2015-2544
NTFR 2015/3217 met annotatie van Mr. G.J.W. Kinnegim
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/4007

Uitspraak van 10 september 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], als erfgename van [erflater] (erflater),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 19 mei 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan erflater over het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Sliedrecht, vergezeld van [A] en [B] en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep de toepassing van artikel 63 AWR betreft;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

2 Gronden

2.1.

De inspecteur heeft aan erflater voor het jaar 2011 een aanslag IB/PVV (aanslagnummer [aanslagnummer].H.16.01) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.959, alsmede bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 87.

2.2.

Erflater is geboren op [datum] 1966 en overleden op [datum] 2011. Tot zijn overlijden dreef erflater een onderneming en genoot hij als ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) winst uit onderneming.

2.3.

Erflater heeft in het jaar 2010 in zijn onderneming een verlies geleden. De zelfstandigenaftrek van € 9.427 is voor het gehele bedrag aangemerkt als niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76, vijfde lid, van de Wet IB 2001.

2.4.

Op 8 oktober 2012 is namens erflater voor het jaar 2011 een aangifte IB/PVV ingediend. Hierin is als winst voor ondernemersaftrek vermeld € 31.843. Er is geen bedrag aan zelfstandigenaftrek of in aanmerking te nemen zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren vermeld. Op 9 november 2012 is aan erflater een voorlopige aanslag (H10.02) overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.5.

Namens erflater is bij brief van 19 februari 2013 verzocht om herziening van de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 in die zin dat alsnog het bedrag aan niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek van € 9.427 uit het jaar 2010 zou worden verrekend. Op 1 juni 2013 is aan dit verzoek tegemoetgekomen en is een nadere voorlopige aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].H.10.03) opgelegd.

2.6.

Op 8 november 2013 is aan erflater de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd. Hierbij is geen rekening gehouden met de aftrek van niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit 2010.

2.7.

Belanghebbende stelt dat de aftrek ten onrechte is geweigerd. Tevens beroept zij zich op het gelijkheidsbeginsel.

2.8.

Artikel 3.76, zevende lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek in de volgende negen kalenderjaren wordt verrekend door in die jaren een verhoging van de zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen. Doordat de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek is vormgegeven als een verhoging van de zelfstandigenaftrek in een volgend jaar, kan deze extra aftrek alleen worden gerealiseerd in een jaar waarin recht bestaat op de zelfstandigenaftrek en dus is voldaan aan het urencriterium. Aan het urencriterium wordt voldaan indien een ondernemer in een kalenderjaar ten minste 1225 uren aan zijn onderneming besteedt (artikel 3.6 van de Wet IB 2001).

2.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat erflater in het jaar 2011 niet voldeed aan het urencriterium en daardoor in dat jaar geen recht had op zelfstandigenaftrek. Naar de letter van de wet had hij in 2011 dus ook geen recht op verrekening van de in 2010 niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Belanghebbende vindt dat onredelijk. De wettekst is echter duidelijk. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het onthouden van de verrekening in dit geval in strijd is met de doel en strekking van artikel 3.76, zevende lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank is ook niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

2.10.

Voor dat geval heeft belanghebbende zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel en gesteld dat het niet terecht is dat een ondernemer die overlijdt aan het begin van het jaar en daardoor niet aan het urencriterium kan voldoen, anders wordt behandeld dan een ondernemer die aan het eind van het jaar overlijdt en wel aan dat criterium kan voldoen.

2.10.1.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn dat geen gelijke gevallen. De ondernemer die overlijdt aan het begin van het kalenderjaar, heeft uit de aard der zaak slechts geringe tijd in zijn onderneming kunnen werken, in tegenstelling tot de ondernemer die aan het einde van het jaar sterft. In het licht van het door de wetgever gehanteerde urencriterium betreft het dan ook verschillende situaties. De ondernemer die in de loop van het jaar overlijdt, is vergelijkbaar met ondernemers die om andere redenen hun onderneming in de loop van het jaar staken.

2.10.2.

Maar zelfs al zou wel sprake zijn van gelijke gevallen, dan nog kan dat belanghebbende niet baten. De rechtbank kan de wet toetsen aan het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Deze bepalingen verbieden echter niet iedere ongelijke behandeling doch slechts die waarvoor geen objectieve en gerechtvaardigde gronden bestaan. De artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR eisen niet het treffen van zo uitgewerkte regelingen dat elke ongelijkheid of onevenredigheid in elke denkbare situatie wordt vermeden, en de nationale wetgever heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid. Doel van de zelfstandigenaftrek is het stimuleren van ondernemerschap in het midden- en kleinbedrijf en op eenvoudige wijze te komen tot een verbetering van de rendementspositie van het bedrijfsleven, waardoor op generieke wijze ruimte wordt geboden voor investeringen en versterking van het eigen vermogen. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever in dit geval de grenzen van de hem toekomende beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden door voor toepassing van die aftrek als eis te stellen dat sprake is van substantiële werkzaamheden in de onderneming – zoals is vormgegeven in het urencriterium – ook in het jaar van overlijden van de ondernemer, en die eis door te trekken naar de verrekening van in een eerder jaar niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek.

2.11.

Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 63 van de AWR. De bevoegdheid tot toepassing van die clausule is echter voorbehouden aan de minister van Financiën. Het beroep op de hardheidsclausule kan belanghebbende daarom in deze procedure niet baten. De rechtbank verklaart zich op dit punt onbevoegd.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard en heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard voor zover het de toepassing van artikel 63 van de AWR betreft.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2015 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter,

mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.