Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5892

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
AWB-15_1244
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:3224, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zonder toestemming van het bevoegd gezag twee keer goederen heeft meegenomen van de milieustraat. De eerste keer was het een kinderfiets en een elektriciteitskabel, de tweede keer ca. 0,5 m3 haardhout. Daarnaast is tussen partijen ook niet in geschil dat eiser buiten werktijd afval heeft gelost op de milieustraat.

Nu het gaat om meerdere integriteitsschendingen, die afzonderlijk als plichtsverzuim zijn aan te merken en eiser eerder wegens schending van de integriteitsregels is gesanctioneerd, acht de rechtbank het verlenen van onvoorwaardelijk strafontslag (ondanks zijn lange dienstverband en zijn leeftijd) niet onevenredig zwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/1244 AW

uitspraak van 24 augustus 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, (college), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 februari 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de oplegging van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. van de Wiel en door de teammanager van het Brabants Afval Team (BAT) [naam teammanager].

De rechtbank heeft na de zitting de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was vanaf 1 mei 1981 werkzaam in dienst van de gemeente Tilburg. Sinds 1 september 2007 was hij werkzaam als chauffeur Afzettransport bij de afdeling BAT.

Bij besluit van 26 juni 2014 (primair besluit) heeft het college eiser met ingang van die dag op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, juncto artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg (AVR) onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er sprake is van ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft in strijd met de interne regels meerdere malen spullen meegenomen van de milieustraat en buiten werktijd afval gelost op de milieustraat. Eiser was ervan op de hoogte dat hij geen spullen mee mag nemen van de milieustraat en er buiten werktijd geen afval mag lossen. Volgens het college heeft eiser niet geleerd van de berisping die hem in 2012 is opgelegd. Eisers gedragingen komen niet overeen met het gedrag dat bij een goed ambtenaar past. Tevens handelt eiser in strijd met de ambtseed, die hij op 16 juni 2011 eervol heeft afgelegd en houdt hij zich niet aan de gedragslijn Integriteit. Hiermee zijn eisers integriteit en betrouwbaarheid als ambtenaar ernstig in het geding. Het vertrouwen in eiser is dermate geschaad en de kans op herhaling van soortgelijk gedrag dermate groot dat hij niet langer in zijn functie en als ambtenaar bij de gemeente kan worden gehandhaafd, aldus het college.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 28 oktober 2014 is eiser omtrent zijn bezwaren gehoord. Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake is van ernstig plichtsverzuim. Eiser meent dat hetgeen hem wordt verweten geenszins strafontslag rechtvaardigt. Eiser meent verder dat in meerdere mate rekening gehouden had moeten worden met zijn langdurig dienstverband en de consequenties die dit ontslag in brede zin heeft. Ook gelet op hetgeen in 2012 is gebeurd, had volstaan kunnen worden met een minder ingrijpende maatregel. Volgens eiser is de disciplinaire straf van een onvoorwaardelijk strafontslag buiten proportie en in onvoldoende mate gemotiveerd.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep verwezen naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd. Eiser heeft verder aangevoerd dat het college niet motiveert waarom er sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Eiser vindt het arbitrair of het plichtsverzuim als ernstig of als zeer ernstig moet worden betiteld. Gelet op de verschillende consequenties die aan de mate van ernst vastzitten, is het zaak dat deze vaststelling door een gedegen motivering wordt gedragen. Eiser kan zich evenmin vinden in de evenredigheidsafweging die het college heeft gemaakt. Eiser vindt dat zijn lange dienstverband, leeftijd en (geringe) kansen op de arbeidsmarkt ten onrechte onvoldoende gewicht in de schaal hebben gelegd om tot een minder belastende beslissing te komen.

3. In artikel 16:1:1, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg (AVR) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinaire kan worden gestraft.

In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Volgens artikel 8:13 van de AVR kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

4. De rechtbank zal allereerst moeten vaststellen of het college op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim op grond waarvan hem strafontslag is verleend. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 24 februari 2011 (ECLI: NL:CRVB:2011: BP5986), moet de bestuursrechter in ambtenarenzaken de overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan. De bewijslast voor plichtsverzuim ligt dus bij het college.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in de periode 23 januari 2014 tot 17 april 2014 zonder toestemming van het bevoegd gezag twee keer goederen heeft meegenomen van de milieustraat. De eerste keer was het een kinderfiets en een elektriciteitskabel, de tweede keer ca. 0,5 m3 haardhout. Daarnaast is tussen partijen ook niet in geschil dat eiser buiten werktijd afval heeft gelost op de milieustraat. Eiser heeft bekend dat hij deze gedragingen heeft gepleegd. Deze gedragingen van eiser zijn aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank is niet gebleken dat dat plichtsverzuim eiser niet is aan te rekenen.

6. Vervolgens ligt de vraag voor of het plichtsverzuim zodanig ernstig is dat een onvoorwaardelijk strafontslag gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.

6.1

Binnen de gemeente Tilburg wordt (zeker) sinds 2010 actief gestuurd op integer handelen. Eiser heeft op 16 juni 2011 een verklaring ondertekend, waarin staat: “Ik houd me aan de Gedragslijn ‘integriteit’ van de gemeente Tilburg, hierbij uitgereikt.”. In de Gedragslijn integriteit gemeente Tilburg (hierna: Gedragslijn gemeente) staat vermeld: “Je neemt geen gemeentelijke eigendommen mee naar huis.”. Daarnaast staat in de aan eiser bekendgemaakte Gedragslijn integriteit bij het BAT (hierna: Gedragslijn BAT) bij gewenst gedrag vermeld: “Geen spullen van straat of van het BAT of afval meenemen voor privé-gebruik of verhandelen.” Uit de Gedragslijn BAT volgt tevens dat niet is toegestaan om voorafgaand aan de werktijd afval te lossen. In de Gedragslijn BAT staat uitdrukkelijk dat bij overtreding van de regels tegen de medewerker passende (straf)maatregelen worden genomen, waarbij het verlenen van een onvoorwaardelijk strafontslag als een van de mogelijke maatregelen is genoemd. Eiser was op derhalve hoogte van de integriteitsregels en van mogelijke consequenties van het schenden daarvan.

6.2

Eiser heeft de in het integriteitsbeleid neergelegde norm, dat een medewerker geen spullen van het BAT meeneemt voor privégebruik, meermalen geschonden. Het gaat om goederen die op verschillende momenten door eiser zijn ontvreemd. Daarnaast is er sprake van een andere integriteitschending, te weten het buiten werktijd lossen van afval. Al deze integriteitsschendingen zijn afzonderlijk als plichtsverzuim aan te merken. Aan de stelling van eiser dat het gaat om kleine overtredingen kan niet die betekenis worden toegekend die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Voor de rechtbank weegt hierbij zwaar mee dat eiser in 2012 voor een eerdere schending van de integriteitsregels is gesanctioneerd door middel van het opleggen van een berisping en het (voor twee jaar) ontnemen van het coördinatorschap van de gladheidsbestrijding. Deze maatregelen hebben er niet toe geleid dat eiser geen integriteitschendingen heeft gepleegd. Het college stelt terecht stelt dat het vertrouwen in eiser is geschaad en dat de kans op herhaling van soortgelijk gedrag groot is.

Nu het gaat om meerdere integriteitsschendingen, die afzonderlijk als plichtsverzuim zijn aan te merken en eiser eerder wegens schending van de integriteitsregels is gesanctioneerd, acht de rechtbank het verlenen van onvoorwaardelijk strafontslag (ondanks zijn lange dienstverband en zijn leeftijd) niet onevenredig zwaar.

7. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel waarbij eiser heeft gewezen op een collega die verdacht werd van het verduisteren van brandstof, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen nu er geen sprake is van gelijke gevallen omdat voor eisers situatie als strafverzwarend element geldt dat hij eerder wegens een integriteitschending is gesanctioneerd.

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de gronden van eiser niet slagen en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2015 en ondertekend door de voorzitter. De griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.