Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5804

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
02/820260-15; 20/001333-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of poging tot afpersing. Toepassing minderjarigenstrafrecht. Strafmaat: pedagogische benadering staat voorop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820260-15; 20/001333-14 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg, locatie Torentijd,

raadsman mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2015, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te

doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

opzettelijk met een mes in de hand - via de winkel (van [slachtoffer] ) gelegen aan

het Groenewoud - de woonkamer/keuken is binnengelopen en/of vervolgens (de

punt van) het mes gericht heeft op die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft geduwd -

waardoor deze ten val kwam kwam - en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "geld,

geld" althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]

te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte,

opzettelijk met voormeld oogmerk met een mes in de hand - via de winkel (van

[slachtoffer] ) gelegen aan het Groenewoud - de woonkamer/keuken is binnengelopen

en/of vervolgens (de punt van) het mes gericht heeft op die [slachtoffer] en/of die

[slachtoffer] heeft geduwd - waardoor deze ten val kwam kwam - en/of die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen die

[slachtoffer] heeft gezegd "geld, geld" althans woorden van gelijke strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde (poging diefstal met geweld) en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, tot een bewezenverklaring kan komen van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde (poging afpersing).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en hiervoor geen vrijspraak is bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 augustus 20151;

- de aangifte van [slachtoffer]2.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde bewijsmiddelen het eerste en/of het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te

doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

opzettelijk met een mes in de hand - via de winkel (van [slachtoffer] ) gelegen aan

het Groenewoud - de woonkamer/keuken is binnengelopen en/of vervolgens (de

punt van) het mes gericht heeft op die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft geduwd -

waardoor deze ten val kwam kwam - en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "geld,

geld" althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]

te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte,

opzettelijk met voormeld oogmerk met een mes in de hand - via de winkel (van

[slachtoffer] ) gelegen aan het Groenewoud - de woonkamer/keuken is binnengelopen

en/of vervolgens (de punt van) het mes gericht heeft op die [slachtoffer] en/of die

[slachtoffer] heeft geduwd - waardoor deze ten val kwam kwam - en/of die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen die

[slachtoffer] heeft gezegd "geld, geld" althans woorden van gelijke strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, met toepassing van het minderjarigenstrafrecht, aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 1 jaar, te vervangen door 6 maanden jeugddetentie, bestaande uit het houden aan de aanwijzingen door of namens de volwassenenreclassering te geven en een klinische behandeling bij kliniek De Catamaran in Eindhoven, voor de duur van maximaal 1 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een voorwaardelijke jeugddetentie niet behoort te worden gecombineerd met een gedragsbeïnvloedende maatregel. Voorts ontbreekt het voor de oplegging van deze maatregel vereiste rapport van de reclassering. De verdediging verzoekt meer waarde te hechten aan preventie dan aan vergelding, een deels voorwaardelijke straf op te leggen, het onvoorwaardelijke deel te matigen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld en/of een poging tot afpersing. Hij is doelbewust bij een groentewinkel naar binnen gegaan en met een mes in de hand de daarachter gelegen woonkamer binnengelopen. Aldaar heeft hij de punt van het mes gericht op de toen 80-jarige groenteboer en hem geduwd, waardoor hij ten val kwam, en geslagen. Daarbij heeft verdachte gezegd dat hij geld wilde. Op het moment dat het slachtoffer verdachte is gaan schoppen, is verdachte zonder buit weer weggegaan. Verdachte heeft met zijn gedragingen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer in ernstige mate aangetast. Het spreekt vanzelf dat dit voorval grote impact op het slachtoffer heeft gehad. Dit blijkt uit de toelichting bij de door het slachtoffer ingediende vordering en zijn toelichting ter zitting. Dergelijke voorvallen veroorzaken ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft zich laten leiden door financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

De reclassering heeft op 13 mei 2015 en 17 augustus 2015 een rapportage over verdachte uitgebracht. Hierin komt naar voren dat er sprake is van een belaste voorgeschiedenis. Verdachte zelf ervaart weinig problemen en geeft blijk van een onderschatting van de ernst van het delict. Eerdere hulpverlening in gedwongen kader eindigde voortijdig negatief. Dit stemt de reclassering somber over de kans van slagen van een hernieuwd ambulant traject. De reclassering adviseert een klinisch traject. Gezien het feit dat verdachte net 18 was toen het onderhavige feit werd gepleegd, hij relatief weinig (ernstige) delictgeschiedenis heeft en hij redeneert op een wijze die jonger is dan men zou verwachten op basis van zijn kalenderleeftijd, acht de reclassering het jeugdstrafrecht aan de orde. Geadviseerd wordt om het toezicht te laten uitvoeren door de volwassenenreclassering. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, opname in een zorginstelling en andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende, namelijk het houden aan de richtlijnen aangaande middelengebruik, ook indien dit inhoudt volledige abstinentie en het houden aan afspraken en huisregels vanuit het behandelend team en deelnemen aan het dagprogramma van de instelling.

Uit het rapport van de deskundige, GZ-psycholoog M. Hulst, opgemaakt op 30 juli 2015,

blijkt dat verdachte lijdende is aan een gedragsstoornis, die hij ontwikkelde op basis van onderliggende hechtingsproblematiek. Hiermee samenhangend ervaart verdachte emotieregulatieproblemen en een wat onrijpe sociaal-emotionele ontwikkeling. Tevens is er mogelijk sprake van zorgelijk middelengebruik, nu in gedwongen remissie en van identiteitsproblemen. Verdachte heeft ten tijde van het tenlastegelegde gehandeld vanuit factoren passend bij zijn stoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Hij is wel in staat het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien, maar is op grond van de gebrekkige ontwikkeling c.q. ziekelijke stoornis onvoldoende in staat zijn wil conform dat besef te bepalen. Geadviseerd wordt om verdachte ten tijde van het tenlastegelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Er wordt in overweging gegeven om behandeling op te leggen middels een strafkader, bij voorkeur in de vorm van de gedragsbeïnvloedende maatregel, aangezien eerdere ambulante trajecten niet zijn gelukt. Met behulp van de wegingslijst adolescentenstrafrecht is gekeken naar de indicatie- en contra-indicatiecriteria voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De indicatiecriteria, met als clusters handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding, blijken dan zwaarder te wegen dan de contra-indicaties met als clusters justitiële voorgeschiedenis, psychopathische trekken en criminele levensstijl. Verdachte kan zijn eigen gedrag nauwelijks organiseren, komt in het contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd, neemt nog actief deel aan het gezin van herkomst en een pedagogische aanpak is noodzakelijk, evenals scholing. Geadviseerd wordt derhalve op verdachte het jeugdstrafrecht van toepassing te laten zijn. Het lijkt volgens de deskundige dat verdachte zich continu heeft moeten aanpassen aan de wisselende woonsituaties waardoor hij nauwelijks is toegekomen aan zijn eigen ontwikkeling. Deze stagneert aan alle kanten. Een veilige en stabiele plek met veel ondersteuning is volgens de deskundige nodig.

Hoewel verdachte ten tijde van het delict 18 jaar was en het gaat om een ernstig feit, zal de rechtbank het minderjarigenrecht toepassen. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding, gelet op hetgeen de deskundige en de reclassering over de persoon van verdachte en de indicaties voor het toepassen van het minderjarigenstrafrecht hebben overwogen. Dit betekent dat bij de strafoplegging de pedagogische benadering voorop staat.

De rechtbank kan zich ook vinden in de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en neemt deze conclusie over.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 21 juli 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank stelt vast dat uitsluitend psycholoog Hulst adviseert tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en dat het dossier geen rapportage omvat met een concrete invulling van een dergelijke maatregel. Mede gelet op het advies van de reclassering, waaruit naar voren komt dat hetgeen is geïndiceerd voor verdachte ook gerealiseerd kan worden middels het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling, zal de rechtbank geen gedragsbeïnvloedende maatregel opleggen.

De rechtbank ziet, zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, in de persoon van verdachte aanleiding om de door de officier van justitie geëiste jeugddetentie te matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten acht maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt het opleggen van bijzondere voorwaarden mogelijk, bestaande uit een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland, een klinische behandeling bij forensisch jeugdpsychiatrische kliniek De Catamaran te Eindhoven, het houden aan de richtlijnen aangaande middelengebruik, ook indien dit inhoudt volledige abstinentie en het houden aan afspraken en huisregels vanuit het behandelend team van De Catamaran en deelnemen aan het dagprogramma van die kliniek.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een immateriële schadevergoeding van € 850,= voor het tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 50 uur werkstraf die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 23 oktober 2014 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld

tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken en/of

poging tot afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 16 (zestien) maanden, waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, waartoe verdachte zich binnen 24 uur na zijn vrijlating zal melden bij Reclassering Nederland op de locatie die het meest nabij zijn woonplaats is en zich hierna gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden zal blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een kliniek voor forensische (jeugd)psychiatrie, te weten De Catamaran te Eindhoven, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de leiding van de kliniek in overleg met Reclassering Nederland wenselijk acht, waarbij het gaat om een intramurale behandeling, waarna verdachte een traject van begeleid wonen dient te volgen;

* dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen van de behandelaars en Reclassering Nederland aangaande middelengebruik, ook indien dit inhoudt volledige abstinentie, waarbij verdachte wordt geacht mee te werken aan de controles op middelengebruik (urinecontroles en/of blaastesten en/of bloedcontroles);

* dat verdachte zich zal houden aan de afspraken die voorgesteld worden vanuit het behandelend team en zich zal houden aan de huisregels die gelden binnen de instelling en deel zal nemen aan het dagprogramma;

- draagt Reclassering Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 23 oktober 2014 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20/001333-14 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 50 uur;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 25 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 850,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 850,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. I.M. Josten en mr. J.J.A. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2015035508 van de politie, eenheid Zeeland – West-Brabant, district Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 294. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2015.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 10 februari 2015, pagina 116, derde alinea, pagina 119, vijfde tot en met zevende alinea, pagina 120, zesde tot en met negende alinea.