Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5709

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
02/800713-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewerken van hennep, medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten, witwassen.

Overschrijding redelijke termijn.

Taakstraf, deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800713-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 augustus 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman mr. Anker, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 augustus 2015, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012 te Andel, gemeente Woudrichem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) (een)

hoeveelheid/hoeveelheden die van (in totaal) ongeveer 13.500 gram (gedroogde)

hennep en/of ongeveer 406, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012 te Andel, gemeente Woudrichem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012, althans op of omstreeks 26 juli 2012, tesamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in een woning aan de [adres 2]

[adres 2] te Andel, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een

geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro, de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een

geldbedrag van 22.630 euro, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een

geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro,

voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012, althans op of omstreeks 26 juli 2012, tesamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in een woning aan de [adres 2]

[adres 2] te Andel, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro, heeft verworven en/of heeft omgezet en/of van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in al zijn vorderingen omdat er sprake is van een schending van de redelijke termijn welke in samenhang bezien dient te worden met een schending van de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging in onderhavig geval. Immers doordat de zaak zo lang is blijven liggen, zijn de mogelijkheden om aan gedegen waarheidsvinding te doen belemmerd, in die zin dat een deugdelijk onderzoek naar de aanvang van dit onderzoek en daarmee naar de rechtmatigheid van de doorzoeking niet heeft kunnen plaatsvinden. De verdediging heeft aangevoerd dat er lacunes zijn in de verslaglegging door de politie. Deze lacunes kunnen niet meer worden opgehelderd gezien de tijd die inmiddels is verstreken. De lacune in de verslaglegging betreft met name de vraag of er voldoende verdenking bestond tegen verdachte op het moment dat over werd gegaan tot het binnentreden van de panden en het aanhouden van verdachte en zijn medeverdachten.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er een rechtmatigheidstoets heeft plaatsgevonden door de rechter-commissaris, voorafgaand aan het inzetten van de bevoegdheden. Daarnaast wijst hij op het feit dat er twee betrouwbare, concrete CIE meldingen waren waardoor er voldoende verdenking bestond om deze bevoegdheden in te zetten.

De rechtbank verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het verweer dat de beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, moet worden vooropgesteld wordt dat van een conclusie als door de raadsman getrokken, dat een deugdelijk onderzoek naar de start van het onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden en dat er thans lacunes zijn in de verslaglegging, pas kan blijken als daarnaar onderzoek is verricht en de daartoe aangewezen personen zijn gehoord. Van dergelijke verzoeken is niet gebleken.

Voorts bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten om te oordelen dat op juiste gronden is overgegaan tot het binnentreden. Het dossier bevat twee meldingen van de CIE. De eerste melding is gedateerd op 11 juni 2012 en geeft aanleiding tot het instellen van het onderzoek. De melding bevat de mededeling dat er wekelijks in een ruimte op het adres [adres 2] in Andel een grote partij weed wordt afgeleverd. Deze partij wordt vervoerd in een blauwe Ford Transit met het kenteken [kenteken] en in een bordeaux rode Audi station. De partij wordt vervoerd door [medeverdachte 1] en ene [naam 2] . Op het adres wordt deze partij geknipt door knipsters. Een aantal met vuurwapens uitgeruste Marokkanen zorgen voor de bewaking.

Hierna worden diverse BOB middelen ingezet waaronder het observeren van verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , en daarmee niet gericht tegen verdachte. Op 25 juli 2012 volgt er nieuwe CIE informatie. De melding bevat de mededeling dat op donderdag 26 juli 2012 op het adres [adres 2] te Andel vanaf ongeveer 08.00 uur in de ochtend, een grote partij weed wordt geknipt.

Naar aanleiding van de nieuwe CIE informatie, waarin concrete en gedetailleerde informatie wordt verschaft die door de CIE als betrouwbaar wordt gekwalificeerd, wordt de observatie uitgebreid middels onder andere een helikopter. Naar aanleiding van hetgeen wordt waargenomen in de ochtend van 26 juli 2012, waaronder de aanwezigheid van een rode Audi station, de bewegingen van personen, vervoermiddelen en blauwe tonnen, in het licht bezien van de beide CIE meldingen, ontstaat op juiste gronden een verdenking jegens verdachte.

Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om nader onderzoek te verrichten naar de start van het onderzoek (naar het bestaan van voldoende verdenking). Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vorderingen.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte bekent de 13.500 gram hennep onder zich gehad te hebben om te drogen. Hierbij merkt hij op dat hij uitgaat van de verklaring van verdachte, zodat het uiteindelijk gaat om 10 kilogram hennep. Over de 406 hennepplanten heeft [verdachte] verklaard dat deze enkel bij hem geknipt zouden worden. Deze verklaring, zoals verdachte deze bij de politie en ter zitting heeft afgelegd over zijn (bij)rol in het geheel, vindt de officier van justitie ongeloofwaardig. Mede gelet op het aantreffen van berichten in de telefoon van verdachte, die op handel in hennep duiden, dicht de officier van justitie verdachte een grotere rol toe dan enkel het ter beschikking stellen van een ruimte om te knippen.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van witwassen, zoals ten laste gelegd onder feit 3, wijst de officier van justitie op de locatie waar het bedrag is aangetroffen, namelijk verscholen op de zolder van de buurman zonder diens medeweten, de hoogte van het bedrag en de kleine coupures waaruit het bestond en berichten op de telefoons van verdachte ten aanzien van hennephandel. De door verdachte overgelegde overeenkomst van geldlening schuift de officier van justitie ter zijde, omdat deze volgens hem niet overeenkomt met de waarheid. Hij acht feit 3 derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde eist de officier van justitie vrijspraak wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 tenlastegelegde feit. De verdediging wijst daarvoor op de verklaring van verdachte. Deze heeft verklaard enkel een kniphok ter beschikking te hebben gesteld. De verdediging stelt verder dat uitsluitend te bewijzen valt dat de feiten op 26 juli 2012 gepleegd zouden zijn en dat ook geen bewezenverklaring kan volgen voor het telen of verwerken van de hennep. Met de officier van justitie is de verdediging van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde voert de verdediging aan dat er een bonafide overeenkomst van geldlening door verdachte is overhandigd. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat het geld desondanks uit eigen misdrijf afkomstig is dan stelt de verdediging subsidiair dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, gezien het feit dat er een kwalificatie probleem ontstaat omdat er geen andere verhullingsdaad heeft plaatsgevonden dan het enkel opbergen van het geld op zolder.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 26 juli 2012 is er naar aanleiding van een CIE-melding van 25 juli 2012, inhoudende dat er op donderdag 26 juli 2012 op het adres [adres 2] te Andel vanaf ongeveer 08.00 uur in de ochtend een grote partij weed geknipt zou gaan worden, door de politie een actiedag georganiseerd waarbij taps en observaties zijn ingezet. Eerder in juni 2012 was er ook al een CIE-melding binnengekomen betreffende het adres [adres 2] te Andel, inhoudende dat er wekelijks in een ruimte op dat adres een grote partij weed wordt afgeleverd.

Op de actiedag is omstreeks 07.38.56 uur waargenomen dat er een roodkleurige personenauto van het merk Audi, type A4 Avant, het perceel aan de [adres 2] te Andel kwam opgereden. Vervolgens werd om omstreeks 07.52 uur waargenomen dat een witte Volkswagen Crafter het perceel aan de [adres 2] te Andel achteruit kwam opgereden. Er werden diverse blauwe tonnen uit de Volkswagen bus geladen en de woning van verdachte ingedragen.1

Feit 1

De politie heeft vervolgens de woning aan de [adres 2] te Andel doorzocht en nam bij betreding van de centrale gang van de woning een duidelijke geur van hennepplanten waar. In het eerste gedeelte van de gang tot aan een open staande tussendeur van de gang, stonden vijf blauwe tonnen. In het tweede gedeelte, na de tussendeur, stonden nog eens drie tonnen. De vijf tonnen stonden achter elkaar opgesteld. De eerste vier tonnen waren met een schroefdeksel en een klemband gesloten. Van de vijfde ton was het deksel en de klemband verwijderd, waardoor te zien was dat in deze ton volledig oogstrijpe hennepplanten zaten. Na opening van de overige tonnen bleken ook daarin volledig oogstrijpe hennepplanten te zitten. In totaal betroffen het 406 oogstrijpe hennepplanten2.

Voorts werd door de politie waargenomen dat de ruimte aan de linkerzijde van het tweede gedeelte van de gang was ingericht ten behoeve van het bewerken/knippen van hennepplanten. Hier werd onder meer een kringopstelling van veertien stoelen aangetroffen met in het midden kartonnen dozen met resten van hennepplanten en vette aanslag en een emmer met 29 schaartjes met duidelijk waarneembare aanslag als gevolg van het bewerken/knippen van hennepplanten. Op het moment van het aantreffen van de knipruimte was deze feitelijk niet als zodanig in gebruik maar gelet op het geheel van de inrichting was deze wel voor direct gebruik geschikt.

Tevens werd een aan de rechterzijde van het tweede deel van de hal een ruimte aangetroffen die in het geheel in gericht en in werking was als droogruimte voor bewerkte/geknipte henneptoppen. In deze ruimte hingen droogzuilen en op de tafel stonden op elkaar gestapelde droogrekken. Onder de tafel stond een emmer met daarin twee gevulde zakken met droge henneptoppen. In de droogzuilen en drooghekken lagen henneptoppen. Deze waren niet droog genoeg om verpakt te kunnen worden. Het totaal gewicht van deze niet geheel droge henneptoppen bedroeg 9.820 gram. De droge henneptoppen in de twee aangetroffen zakken hadden een netto gewicht van 570 gram. In totaal werd aldus in deze ruimte 13.520 gram henneptoppen aangetroffen3.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij 13,5 kilogram henneptoppen aan het drogen was in zijn woning. Daarnaast waren de tonnen met 406 hennepplanten aanwezig in zijn woning en volgt uit zijn verklaring dat hij wist dat er geknipt zou worden op 26 juli 2015. Verdachte heeft verklaard dat hij een deel van zijn woning als ‘kniphok’ voor hennep had verhuurd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat de tonnen in zijn woning hennepplanten bevatten.

Gelet op de in de woning aangetroffen hoeveelheid hennep en de aangetroffen hennepplanten alsmede de verklaringen die verdachte te dien aanzien heeft afgelegd, zoals volgt uit het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ongeveer 13,5 kilogram henneptoppen heeft bewerkt door deze te drogen en hij daarnaast samen met een ander opzettelijk 406 hennepplanten in zijn woning aanwezig heeft gehad.

Feit 2

Enexis heeft aangifte gedaan van diefstal van energie.4

Ten aanzien van deze diefstal van stroom geldt dat enkel een aangifte aanwezig is van de netbeheerder. Er zijn geen andere bewijsmiddelen die de aangifte ondersteunen voorhanden. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Feit 3

Op de dag van de inval in de woning van verdachte heeft ook een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de zwager en schoonzus van verdachte. Zij waren woonachtig aan de [adres 2] in Andel. Tijdens deze doorzoeking is een contant geldbedrag aangetroffen ter hoogte van € 22.630,-. Het bedrag is aangetroffen in een gecamoufleerde tas welke was opgeborgen in een doos. Deze doos stond tussen diverse andere dozen op de zolder van de woning.5

In de woning van verdachte zijn diverse geldbedragen met een totaal van € 3.677,18 aangetroffen.6

Verdachte heeft ter zitting heeft verklaard dat het op zolder van de woning van [adres 2] aangetroffen geldbedrag van hem is7 en hij op 15 januari 2012 een overeenkomst van geldlening is aangegaan met [naam 3] voor een bedrag ter hoogte van € 25.000. Het geldbedrag dat is aangetroffen op de zolder van zijn zwager ter hoogte van € 22.630 zou afkomstig zijn van die lening van [naam 3] en dus niet van misdrijf afkomstig.

De rechtbank beoordeelt dit verweer als ongeloofwaardig. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij bij de politie heeft gezwegen over het geldbedrag omdat hij op dat moment in de veronderstelling was dat het zwart geld was. Kort na zijn aanhouding in 2012 kwam hij tot de conclusie dat dit niet zo was. Verdachte heeft daarna op geen enkel moment om teruggave van het in beslag genomen geldbedrag gevraagd. Hij heeft dit wel gedaan ten aanzien van de in beslag genomen auto’s. De rechtbank vindt het daarnaast ongeloofwaardig dat hij een schriftelijke overeenkomst van geldlening is aangegaan ten aanzien van een contant geldbedrag waarvan hij in de veronderstelling was dat het zwart geld was.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij het geld destijds nodig had voor het opstarten van een bandenhandel. Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij al eens € 30.000 bij zijn broer had geleend voor de bandenhandel.8 Verdachte verklaart over de bandenhandel dat alles hierin tegen zit en hij hier nu niets meer van hoort. Hij heeft ook verklaard dat er geld is overgemaakt naar de Dominicaanse Republiek.9 De rechtbank vindt het ongeloofwaardig dat verdachte een groot contact geldbedrag bestemd voor de bandenhandel onaangeroerd op de zolder van zijn zwager zou aanhouden, terwijl hij anderzijds aangeeft dat hij niets meer van de bandenhandel hoort.

De feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen bij verdachte, zoals uit het voorgaande volgt, alsmede het feit dat er diezelfde dag drugs zijn aangetroffen bij verdachte, zijn van dien aard dat er zonder meer een vermoeden is van witwassen. Van verdachte mag alsdan verlangd worden dat hij een concrete min of meer verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld geeft. Eerst ter zitting heeft verdachte een overeenkomst van geldlening overgelegd. Zoals uit het voorgaande volgt acht de rechtbank deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Nu er geen andere verklaring is gegeven voor de herkomst van het geld, kan op grond van het voorgaande met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het aangetroffen geld een legale herkomst heeft en kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden.

De stelling van de raadsman dat geen sprake zou zijn van verhullen wordt verworpen.

Door het geld in een tas en in een doos, tussen andere dozen, op een zolder bij een ander in de woning te plaatsen, is dit aan het zicht onttrokken en kan dit niet anders worden geduid dan het verhullen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag ter hoogte van € 22.630,-. Ten aanzien van het witwassen van een geldbedrag ter hoogte van € 3.677,18 zal de rechtbank verdachte vrijspreken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012 te Andel, gemeente Woudrichem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) (een)

hoeveelheid/hoeveelheden die van (in totaal) ongeveer 13.500 gram (gedroogde)

hennep en/of ongeveer 406, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

en

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012 te Andel, gemeente Woudrichem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) (een)

hoeveelheid/hoeveelheden die van (in totaal) ongeveer 13.500 gram (gedroogde)

hennep en/of ongeveer 406, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2012

tot en met 26 juli 2012, althans op of omstreeks 26 juli 2012, tesamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in een woning aan de [adres 2]

[adres 2] te Andel, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een

geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro, de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een

geldbedrag van 22.630 euro, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een

geldbedrag van 26.307,18 euro, althans een geldbedrag van 22.630 euro,

voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend vindt gezien de tijd die is verstreken. De verdediging pleit voor een voorwaardelijke straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken van een hoeveelheid hennep door in zijn woning hennep te drogen en tevens zijn woning beschikbaar te stellen voor het knippen van hennep. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 406 hennepplanten. Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de handel in softdrugs. Softdrugs kan bij langdurig gebruik niet alleen leiden tot schade voor de gezondheid. De handel in dergelijke verdovende middelen veroorzaakt ook nog eens veel criminaliteit en overlast, mede vanwege de grote financiële belangen die hiermee gemoeid zijn. Daarnaast heeft verdachte een flink geldbedrag witgewassen. Door dit witwassen heeft hij de onderliggende criminaliteit ondersteund. Bovendien wordt door witwassen de integriteit van het financiële verkeer aangetast.

Als uitgangspunt voor de straftoemeting hanteert de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een onvoorwaardelijke taakstraf recht doen aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht zij niet meer opportuun. Vanwege het georganiseerde verband waarin het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden en het daarmee gepaard gaande recidiverisico acht zij daarnaast een voorwaardelijke straf aangewezen teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen.

Voorts constateert de rechtbank dat de redelijke termijn van berechting waar verdachte recht op heeft op grond van artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM), is overtreden. Het vonnis is namelijk niet gewezen binnen twee jaar nadat er jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld, zijnde de dag van inverzekeringstelling van 26 juli 2012. In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) ziet de rechtbank aanleiding het aantal uren van de op te leggen taakstraf van 240 uur te verlagen naar een taakstraf van 210.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf voor de duur van 210 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 dagen.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag genomen.

  • -

    Nummer 792995: Geweer enkelschots/enkele loop met versiersels stikker

  • -

    Nummer 792997: HUSQVARNA dubbelloops jachtgeweer

  • -

    Nummer 796221: Geld muntgeld € 1.179,59

  • -

    Nummer 796251: Geld in geldkist € 809,62

  • -

    Nummer 796295: Geld in wit geldkistje € 316,82

  • -

    Nummer 796350: Geld € 285,-

  • -

    Nummer 796357: Geld BC6 € 980,-

  • -

    Nummer 796365: Geld € 35,-

  • -

    Nummer 796370: Geld € 100,-

7.2

Verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurd verklaring.

- Nummer 794547: Geld € 22.600,-

7.3

Onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. De voorwerpen zullen dan ook aan het verkeer worden onttrokken.

  • -

    Nummer 794731: Hennep 3,7 gram

  • -

    Nummer 794749: Hashish 97 gram

  • -

    Nummer 794761: Hashish 146,5 gram

  • -

    Nummer 794777: Hennep 10,9 gram

  • -

    Nummer 794793: Hennep 290 gram

  • -

    Nummer 794801: Hennep 2,7 gram

  • -

    Nummer 793007: Machinegeweer automaat 1 houder (leeg) geluidsdemper

  • -

    Nummer 793029: Stroomstootwapen taser telefoon

  • -

    Nummer 793037: Boksartikel beugel

  • -

    Nummer 793037: Munitie 6 doosjes losse flodders en een band met losse flodders

  • -

    Nummer 793049: Ploertendoder

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 13, 13a en 14 uit de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3:
Witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 210 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 105 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee en veertig dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf te weten dertig dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals weergegeven op de beslaglijst, te weten:

  • -

    Nummer 792995: Geweer enkelschots/enkele loop met versiersels stikker

  • -

    Nummer 792997: HUSQVARNA dubbelloops jachtgeweer

  • -

    Nummer 796221: Geld muntgeld € 1.179,59

  • -

    Nummer 796251: Geld in geldkist € 809,62

  • -

    Nummer 796295: Geld in wit geldkistje € 316,82

  • -

    Nummer 796350: Geld € 285,-

  • -

    Nummer 796357: Geld BC6 € 980,-

  • -

    Nummer 796365: Geld € 35,-

  • -

    Nummer 796370: Geld € 100,-

Gelast de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals weergegeven op de beslaglijst, te weten:

- Nummer 794547: Geld € 22.600,-

Gelast de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals weergegeven op de beslaglijst, te weten:

  • -

    Nummer 794731: Hennep 3,7 gram

  • -

    Nummer 794749: Hashish 97 gram

  • -

    Nummer 794761: Hashish 146,5 gram

  • -

    Nummer 794777: Hennep 10,9 gram

  • -

    Nummer 794793: Hennep 290 gram

  • -

    Nummer 794801: Hennep 2,7 gram

  • -

    Nummer 793007: Machinegeweer automaat 1 houder (leeg) geluidsdemper

  • -

    Nummer 793029: Stroomstootwapen taeser telefoon

  • -

    Nummer 793037: Boksartikel beugel

  • -

    Nummer 793037: Munitie 6 doosjes losse flodders en een band met losse flodders

  • -

    Nummer 793049: Ploertendoder

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Kouwenhoven en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van den Besselaar, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 augustus 2015.

Mr. Kooijman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het dossier van de politie Midden en West Brabant, team opsporing Oosterhout, Lec-3 met OPS-nummer PL203M, opgemaakt op 7 november 2012 en doorgenummerd van 1 t/m 1010. Hierna: het eindproces-verbaal. Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal p. 299, 300 en 301.

2 Het proces-verbaal omschrijving hennepknip- en drogerij, eindproces-verbaal p. 329, 330 en 331.

3 Het proces-verbaal omschrijving hennepknip- en drogerij, eindproces-verbaal p. 330 en 331.

4 De aangifte van Enexis, eindproces-verbaal p. 581-583.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal p. 343 en 344.

6 Het proces-verbaal binnentreden woning, eindproces-verbaal p. 426 e.v.

7 De ter terechtzitting van 11 augustus 2015 afgelegde verklaring van verdachte.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, eindproces-verbaal p. 612 en p. 621.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, eindproces-verbaal p. 603, 616, 621 en 623.