Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5631

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 2905
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Formeel belastingrecht/Inkomstenbelasting/omkering van de bewijslast

Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte ib/pvv gedaan naar looninkomsten van ƒ 25.744. De inspecteur heeft de aanslag vastgesteld met een aanzienlijke correctie.

Belanghebbende heeft na het verloop van de termijn bezwaar ingediend tegen de aanslag ib/pvv 1998. De inspecteur heeft het bezwaar naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Hoewel het aanslagbiljet tijdig naar het juiste adres in Polen is verzonden heeft de inspecteur in dit geval onbehoorlijk gehandeld om de bij hem bekende gemachtigde niet in te lichten over die aanslag.

Belanghebbende wordt wel geconfronteerd met omkering en verzwaring van de bewijslast omdat hij naar het oordeel van de rechtbank niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd.

De aanslag is echter niet in redelijkheid opgelegd en deels naar het onjuiste tarief en is daarom ook verminderd.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2147
FutD 2015-2499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 13/2905 en 13/2909

uitspraken van 24 augustus 2015

Uitspraken als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , Polen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 april 2013 belanghebbendes bezwaren tegen de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) 1998 en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (waz) 1998 (hierna: de aanslagen) niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 31 mei 2013, ontvangen bij de rechtbank op 3 juni 2013, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ib/pvv geregistreerd met procedurenummer 13/2905 en het beroep waz met procedurenummer 13/2909.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft vóór de zitting pleitnota’s ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gamchtigden] , en namens de inspecteur, [verweerder] . Belanghebbendes beroepen met de procedurenummers 13/2904 tot en met 13/2914 zijn gelijktijdig behandeld.

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Op verzoek van en in overleg met partijen heeft de rechtbank gewacht met het doen van uitspraak in verband met een mogelijk compromis tussen partijen.

1.7.

Belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 2 juni 2015 bericht dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt en heeft de rechtbank verzocht uitspraak te doen.

1.8.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 3 juni 2015 bericht dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak gedaan zal worden.

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift gelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft in 1997 de inspecteur als zijn woonadres opgegeven:

[adres 1]

[woonplaats] , Polen.

2.2.

Belanghebbende is in 1998 directeur van en enig aandeelhouder in [A BV] (hierna: [A BV] ) en tevens de enige werknemer.

2.3.

Belanghebbendes aangiftebiljet ib/pvv en waz 1998 is op 28 februari 2000 bij de inspecteur binnengekomen. Het aangiftebiljet is ondertekend door belanghebbende op
23 februari 2000. In de ruimte voor stempel en beconnummer belastingconsulent is een stempel geplaatst van [belastingconsulent] (hierna: de belastingconsulent). Het aangegeven belastbaar inkomen is ƒ 25.744

2.4.

De inspecteur heeft in december 2000 een boekenonderzoek ingesteld bij [A BV] .

2.5.

De inspecteur heeft de belastingconsulent bij brief van 24 september 2001 verzocht in te stemmen met het verlengen van de termijn voor het opleggen van de aanslagen 1998 tot uiterlijk 1 december 2002.

2.6.

De inspecteur heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 december 2001, gericht aan belanghebbendes adres te Polen, [adres 1] [woonplaats] , onder meer en voor zover hier van belang het volgende medegedeeld:

“Bij brief van 24 september 2001 gericht aan [belastingconsulent] te Beek en Donk is door mij gevraagd aan uw belastingconsulent om met mij overeen te komen dat de termijn voor het opleggen van de aanslag [rb: 1998] werd verlengd tot uiterlijk 2002.

Door uw belastingconsulent is mij telefonisch meegedeeld dat hij de brief aan u ter beantwoording heeft doorgezonden. Ik heb vervolgens geen bericht terugontvangen.

De aanslag wordt nu ter behoud van rechten opgelegd.

Bij de aanslagregeling houd ik rekening met de stand van zaken van het lopend onderzoek bij [A BV] Bij dit onderzoek is gebleken dat door u contante opnamen zijn gedaan tot een totaalbedrag van f 424.565 in 1998.

Er is tot op heden geen verklaring gegeven over de zakelijke bestemming van deze opnamen. Gelet op deze feiten verhoog ik ter behoud van rechten het door u aangegeven inkomen met

f 424.565.”

De aangetekende brief is onbestelbaar retour gekomen.

2.7.

De inspecteur heeft vervolgens de aanslagen vastgesteld. Het vastgesteld belastbaar inkomen bedraagt voor de ib/pvv ƒ 450.306 en het premie-inkomen waz ƒ 450.220. De aanslagbiljetten vermelden de dagtekening 31 december 2001 en zijn geadresseerd aan belanghebbende op voornoemd adres.

Bij geschrift, met dagtekening 31 januari 2002, ‘Mededeling’ inzake de aanslag ib/pvv voor het jaar 1998 is belanghebbende een acceptgiro gestuurd op het voornoemd adres.

2.8.

Bij brief van de toenmalige gemachtigde - van het kantoor [kantoornaam voormalig gemachtigde] - van 13 februari 2002, ontvangen door de inspecteur op 15 februari 2002, heeft belanghebbende de inspecteur bericht dat hem bekend is geworden dat een aanslag inkomstenbelasting 1998 is opgelegd. In de brief wordt bezwaar gemaakt tegen de aanslag en wordt tevens verzocht om toezending van de relevante stukken.

2.9.1.

De inspecteur heeft onderzoek laten verrichten naar de woonplaats van belanghebbende in de periode 2 januari 1997 tot en met augustus 2000, waarvan op 18 november 2002 een rapport is opgesteld. De in dat rapport opgenomen conclusie over de woonplaats van belanghebbende luidt:

Uit de reeks van geselecteerde criteria en de vastgestelde feiten, welke blijken uit verklaringen en bijlagen, zijn wij tot de conclusie gekomen dat [belanghebbende] zijn woonplaats in ieder geval tot de datum van overlijden ( [datum] -2000) van [B] had op het adres [adres 2] te [plaats X].”

2.9.2.

De conclusie dat belanghebbende zijn (fiscale) woonplaats in ieder geval tot de datum van overlijden van [B] (hierna: [B] ) had op het adres [adres 2] te [plaats X] (hierna: [adres 2] ), is gebaseerd op onder meer de volgende in het rapport vermelde feiten en omstandigheden (kort samengevat):

( i) dat belanghebbende bij het aanvragen van zowel een paspoort (op 27 april 1998) als een rijbewijs (op 6 januari 2000) (mede) het Nederlandse adres [adres 3] te [plaats Y] (hierna: [adres 3] ) heeft opgegeven;

(ii) de verklaring van [C] (zoon van [B] ) dat belanghebbende de bovenverdieping van de woning van zijn moeder [B] op het adres [adres 2] huurde voor f 200 per maand en bewoonde (maar niet vast), dat belanghebbende een kantoor had ingericht op [adres 3] , en dat [adres 3] tegenover [adres 2] ligt;

(iii) de verklaring van [D] (dochter van [B] ) dat belanghebbende boven bij haar moeder woonde;

(iv) de post van de verzekeringsmaatschappij ZLM verzekeringen werd verstuurd naar [adres 2] ; belanghebbende heeft een verzekering kantoorinventaris op adres [adres 2] gewijzigd in [adres 3] per 1 december 1998; er is een reisbagageverzekering ten name van belanghebbende op het adres [adres 2] ;

( v) belanghebbende heeft regelmatig vliegreizen geboekt bij [reismaatschappij] te Son en Breugel; de reizen vingen alle aan in Nederland, met uitzondering van één vanuit Brussel;

(vi) de ex-vrouw van belanghebbende en hun gezamenlijke kinderen woonden in Nederland. De kinderen bezochten belanghebbende regelmatig op het adres [adres 2] . Bij de aankoop van een bromfiets voor zijn zoon heeft belanghebbende als adres [adres 2] opgegeven;

(vii) er kwam regelmatig post van de Makro en van de Wehkamp voor belanghebbende op het adres [adres 2] . Bij Wehkamp is tot 12 februari 2001 als adres van belanghebbende [adres 2] geregistreerd;

(viii) belanghebbende is directeur van [A BV] , welke vennootschap in Nederland gevestigd is op het adres [adres 3] ;

(ix) de Postbank heeft verklaard dat belanghebbende sinds december 1994 een girorekening heeft, die staat ten name van belanghebbende, [adres 2] ; per 23 oktober 2000 luidt het adres [adres 3] .

( x) in de telefoongids van KPN komt belanghebbende zowel onder eigen naam als onder de naam van [A BV] voor. In een Pools telefoonboek staat bij de plaats [woonplaats] wel de vennootschap [E] maar is de naam [belanghebbende] niet te vinden onder de letter [X] of de letter [X] ;

(xi) in het jaar 1999 heeft belanghebbende op 6 dagen een taalcursus Pools gevolgd in Waalwijk; op het aanmeldingsformulier heeft hij [adres 2] als zijn privéadres opgegeven;

(xii) bij een huisbezoek aan een apotheek te [plaats X] heeft de eigenaresse laten zien dat belanghebbende in haar administratie voorkomt op het adres [adres 2] ;

(xiii) op 19 april 2000 heeft belanghebbende een bril gekocht in Son en Breugel; de factuur vermeldt het adres [adres 3] ;

(ixx) een ziektekostenverzekeraar heeft verklaard dat belanghebbende woonachtig is op [adres 2] , dat post nimmer retour is gezonden en dat premies zijn voldaan. In de algemene voorwaarden is vastgelegd dat de verzekering eindigt indien de aanwezigheid van een verzekerde buiten Nederland langer als tijdelijk in het buitenland is aan te merken;

(xx) bij het in reparatie geven van een auto in Polen in verband met pech op 3 februari 1998 heeft belanghebbende als adres [adres 2] doorgegeven; de auto had een Pools kenteken en was gekocht bij een garage te Son en Breugel; de auto was uitgerust met een LPG-tank; in Polen waren er zeer beperkte mogelijkheden om deze brandstof te verkrijgen.

2.10.1.

Van het in 2.4 aangehaalde boekenonderzoek is op 20 december 2004 een rapport verschenen (hierna: het rapport).

2.10.2.

Het rapport vermeldt over de ondernemingsactiviteiten van [A BV] het volgende:

“ [A BV] stelt dat de ondernemingsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan uit bemiddelingswerkzaamheden in de tuinbouw:

- [A BV] stelt in 1998 op te treden als intermediair tussen leverancier [F VOF] en de Poolse afnemer [G] , en als intermediair tussen de leverancier van asperges [E] (hierna: [E] ) en de Nederlandse afnemer [H BV] ( [adres 4] te [plaats Z] ).

- [A BV] stelt dat zij in februari 1999 een doorlopende koop/verkoopovereenkomst heeft gesloten met [I] (hierna [I] ). Het betreft produkten afkomstig van Nederlandse tuinbouwbedrijven. [A BV] stelt dat deze produkten op basis van deze overeenkomst in eigendom overgaan van [I] naar [A BV] . [A BV] stelt dat zij deze tuinbouwprodukten levert aan Nederlandse afnemers (veilingen, groothandels, commissionairs) alsmede ook aan buitenlandse afnemers. Bovenstaande wordt door [A BV] zowel gesteld voor het jaar 1999 als 2000.

Doorgaans zou door [A BV] een marge van 1% behaald worden op deze transacties.”

2.10.3.

Het rapport vermeldt voorts, voor zover hier van belang:

4.1 Opnamen en stortingen

in de jaren 1998 tot en met 2000 worden door [E] en [I] geldbedragen op Raborekeningnummer [rekeningnummer] van [A BV] gestort. Deze stortingen vonden plaats middels overmaking vanaf een buitenlandse bankrekening. Bij deze overmaking stond de naam [E] en [I] vermeld.

[A BV] boekt deze ontvangen bedragen op de grootboekrekening 2005 Kruisposten Polen.

De door [E] en [I] gestorte bedragen in de jaren 1998 tot en met 2000 bedragen:

1998 f 2.654.104 Gestort door [E] . Vanaf 17 juli 1998

1999 f 6.689.467 Gestort door [I] , met uitzondering van de periode tot en met

8 maart 1999. Namelijk tot en met die datum zijn de bedragen gestort door [E] .

2000 f 7.871.878 Gestort door [I]

Enkele stortingen op de bankrekening van [A BV] waren niet afkomstig van de buitenlandse bankrekening van [E] en/of [I] , maar werden dan contant gestort. Op basis van afschriften van bankstortingen, zouden deze contante stortingen van [E] en/of [I] afkomstig zijn. Deze bankstortingen werden verricht door [belanghebbende] .

In het grootboek van [A BV] werd als omschrijving van de desbetreffende storting, het weeknummer vermeld.

De betreffende stortingen werden binnen een aantal dagen, weer volledig contant bij de Rabobank opgenomen. In het grootboek werd dan als omschrijving het weeknummer vermeld.

De opgenomen bedragen zijn gelijk aan de gestorte bedragen.

In het gesprek van 6 november 2002 heeft [belanghebbende] medegedeeld dat hij de enige

gemachtigde is om gelden op te nemen van de bankrekeningen van [A BV] .

Daar het voor ons niet duidelijk was waar de betreffende bedragen (opnamen en stortingen) voor zijn bedoeld, op grond van waarvan deze zijn gestort, alsmede aan wie deze bedragen ten goede zijn gekomen, nadat deze zijn opgenomen door [belanghebbende] , hebben wij belastingplichtige verzocht de onderliggende administratie (digitaal/ papier), aan ons ter beschikking te stellen. Zowel de herkomst op grond waarvan deze bedragen worden gestort en de bestemming van de gelden, waarvoor deze opnamen zijn bedoeld en aan welke personen deze bedragen zijn uitbetaald, met daarbij de identiteitsgegevens en

NAW-gegevens, zijn onderwerp van de vraagstelling geweest aan belastingplichtige.

In hoofdstuk 3 van dit rapport staat o.a. vermeld welke aktie de Belastingdienst heeft ondernomen teneinde de hiervoor bedoelde onderliggende administratie te verkrijgen. In onze brief van 25 november 2002 aan [A BV] , is [A BV] nogmaals gewezen op de verplichtingen van artikel 47 AWR. Tevens is hierbij [A BV] door ons peremptoir gesteld als zij niet binnen veertien dagen na dagtekening van de brief, de gevraagde informatie ter beschikking heeft gesteld.

In verband met het niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 47 AWR wordt de bewijslast omgekeerd.

Mening [A BV]

De mening van [A BV] en haar gemachtigde in deze is kort uiteengezet, de volgende:

“De stortingen en opnamen over de jaren 1996 tot en met 2000 zijn bedoeld voor de uitbetaling van werknemers van [E] . Deze Poolse werknemers ontvangen loonzakjes. Het rondbrengen daarvan wordt verzorgd door [A BV] . [E] heeft aan [A BV] daartoe programmatuur ter beschikking gesteld aan de hand waarvan deze betalingen praktisch uitgevoerd kunnen worden. [A BV] is van mening dat deze programmatuur niet aan haar toebehoort en derhalve niet tot de administratie van [A BV] behoort.

Bovendien is vastlegging daarvan niet van belang voor de Nederlandse belastingheffing van [A BV] .

Omzet stortingen:

Het is opmerkelijk dat [I] in de jaren 1999 en 2000 stortingen verricht op de bankrekening van [A BV] , die volgens [A BV] zijn bedoeld voor de uitbetaling van Poolse werknemers van [E] .

Behoudens de bankafschriften van de Raborekening alsmede de omschrijving in het grootboek, zijn aan ons geen bescheiden overlegd, waaruit blijkt dat de stortingen door [E] en [I] voor [A BV] bedoeld zijn om daar de lonen van de Poolse werknemers van [E] mee te betalen.

De stortingen worden door ons dan ook aangemerkt als omzet voor [A BV] in de jaren 1998 tot en met 2000.

Contante opnamen.

Als onderbouwing heeft [A BV] alleen de bankafschriften van de Raborekening alsmede de omschrijving in het grootboek aan ons verstrekt. Hetgeen niet als onderbouwing is te beschouwen.

Er is geen enkele informatie, administratie alsmede een loon-personeelsadministratie beschikbaar gesteld, waaruit kan worden vastgesteld dat de opgenomen bedragen zijn betaald aan Poolse werknemers van [E] .

Door [A BV] is gesteld dat “dat [A BV] betalingen heeft gedaan aan natuurlijke personen, die niet zijn opgenomen in de loonadministratie van [A BV] ”.

De Poolse arbeiders hebben werkzaamheden (arbeid) verricht op locaties van tuinders. Deze tuinders zijn bij [A BV] bekend.

Wij hebben niet de NAW-gegevens van de personen kunnen vaststellen, waarvoor de opnamen bedoeld zijn.

Wij hebben niet de identiteit van die personen kunnen vaststellen alsmede niet kunnen vaststellen dat die gegevens zijn opgenomen in een loonadministratie.

Eveneens is niet bekend op grond van welke prestatie (arbeid); de betreffende opnames zijn uitbetaald.

Er wordt ook niet voldaan aan de administratieverplichting van artikel 52 AWR:

- omdat niet binnen redelijke termijn vast te stellen is dat de betalingen zijn verricht aan de werknemers van [E] , zoals [A BV] stelt.

- Alsmede verleent [A BV] niet de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

Er kan ook geen verband gelegd worden tussen het aantal gedeclareerde reizen, door [belanghebbende] , met de vermelding payround (zou bedoeld zijn als uitbetaling aan de Poolse werknemers) en het aantal keren dat er opnamen bij de bank hebben plaatsgevonden.

Ook de data van de gemaakte reizen en van de opnamen bij de bank, komen niet altijd overeen.

Uitdeling:

De contante opnamen over de jaren 1998 tot en met 2000, worden aangemerkt als een onttrekking voor [A BV] . [A BV] heeft de zakelijkheid van de contante opnamen voor [A BV] niet aangetoond. [A BV] is verarmd door de opnamens door [belanghebbende] .

De contante opnamen over de jaren 1998 tot en met 2000, worden aangemerkt als een uitdeling aan [belanghebbende] . Omdat [belanghebbende] gemachtigd was tot het doen van deze contante opnamens. De opgenomen bedragen worden dan ook aan hem toegerekend.

[belanghebbende] is directeur/grootaandeelhouder en heeft de opnamen ook als aandeelhouder verkregen en bewust aanvaard.

Zowel [A BV] als [belanghebbende] zijn zich bewust dat [belanghebbende] bevoordeeld is. Namelijk hij ontvangt geld, waar geen enkele zakelijke transactie tegenover staat.

Correctie vennootschapsbelasting 1998 = f 2.654.104

Correctie vennootschapsbelasting 1999 = f 6.689.467

Correctie vennootschapsbelasting 2000 = f 7.871.878

(…)

4.3

Autokostenvergoeding voor [belanghebbende]

Aan [belanghebbende] wordt een autokostenvergoeding betaald per gereden kilometer.

Zover wij hebben kunnen vaststellen is [A BV] geen eigenaar van de auto(‘s), waarin [belanghebbende] rijdt en waarvoor hij declaraties indient voor gereden kilometers.

Ter onderbouwing van de autokostenvergoeding levert [belanghebbende] reisdeclaraties in. De vergoeding per kilometer is niet hoger dan de fiscale onbelaste vergoeding per kilometer.

(…)

Om de zakelijkheid van de autokostenvergoeding te beoordelen hebben wij tijdens het boekenonderzoek meerdere malen verzocht om informatie.

Tijdens het inleidend gesprek op 11 december 2000, heeft [belanghebbende] medegedeeld dat hij zijn agenda’s heeft weggegooid.

(…)

Meerdere keren hebben wij verzocht om deze zakelijke geboekte kosten aannemelijk te maken.

Zowel in onze vragenbrief van 3 juli 2001, als in onze brief van 27 september 2002 is verzocht deze kosten aannemelijk te maken. Wij hebben niet kunnen vaststellen dat de gedeclareerde reiskosten betrekking hebben op [A BV] . De gemaakte ritten kunnen ook betrekking hebben op activiteiten voor andere vennootschappen, die gelieerd zijn aan [belanghebbende] , dan wel privé-ritten.

Tevens kan niet worden vastgesteld dat de de ritten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat het zakelijke ritten betreft.

[belanghebbende] is van mening dat zijn ingediende reisdeclaraties voldoende gegevens bevatten, die de zakelijkheid aannemelijk maakt.

Tot op heden heeft [A BV] de zakelijkheid van de autokosten over de jaren 1998 tot en met 2000 niet aannemelijk gemaakt.

Correctie vennootschapsbelasting 1998 = f 29.708

Correctie vennootschapsbelasting 1999 = f 26.609

Correctie vennootschapsbelasting 2000 = f 30.870”

2.11.

De inspecteur heeft bij de uitspraken de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

3 Geschil

3.1.

Primair is in geschil of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Voor het geval die vraag ontkennend beantwoord moet worden is in geschil of de aanslagen tijdig zijn opgelegd, en zo ja, of de aanslagen te hoog zijn.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en van hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaren

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de bezwaren tijdig zijn ingediend omdat hij pas op 31 januari 2002 – door de in 2.7 vermelde ‘Mededeling’ –op de hoogte is geraakt van het bestaan van de aanslagen.

4.2.

De inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft gesteld dat de aanslagen op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. De inspecteur heeft daarvoor aangevoerd dat de aanslagbiljetten op 11 december 2001 naar het door belanghebbende opgegeven adres (tevens het adres op het aanslagbiljet) zijn verstuurd en dat de envelop ook is aangeboden op dat adres. De envelop is (evenals de in de in 2.6 bedoelde brief) ongeopend retour ontvangen. De inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een kopie overgelegd van een envelop met daarop vermeldingen van de aangetekende verzending. Daarop bevinden zich ook vermeldingen van de Poolse postdienst waaruit valt op te maken dat die envelop is aangeboden op het genoemde adres en van de retourzending van de envelop naar Nederland. Belanghebbende heeft tijdens de inzage in de stukken op 26 september 2012 de originelen gezien, zo voert de inspecteur nog aan.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met het overleggen van de kopie van de envelop aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen tijdig aan het juiste adres zijn gezonden. Belanghebbende heeft weliswaar aangevoerd dat aan die envelop niet is te zien dat daar de aanslagen in hebben gezeten, maar de rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat de envelop die aanslagen bevatte. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de dagtekening van de aanslagen later is dan de datum van de verzending van de envelop geeft geen aanleiding tot een ander oordeel nu van algemene bekendheid is dat – zoals de inspecteur ter zitting heeft gesteld – de Belastingdienst regelmatig aanslagen verzendt vóór de datum van de dagtekening van de aanslag. De rechtbank neemt bij haar oordeel mede in overweging dat niet aannemelijk is geworden dat er andere stukken van de belastingdienst in december 2001 naar belanghebbende zijn verzonden dan deze aanslagen.

De conclusie is dat de aanslagen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt door toezending aan het juiste adres (artikel 3:41 van de Awb) en dat daarmee de bezwaartermijn is aangevangen op de dag na die van de dagtekening, dus 1 januari 2002 (art. 6:8 van de Awb in verbinding met artikel 22j van de AWR). Aangezien het bezwaarschrift eerst op 15 februari 2002 is ontvangen door de belastingdienst en niet gesteld is dat het bezwaarschrift vóór de dagtekening van 13 februari 2002 ter post is bezorgd, is sprake van overschrijding van de bezwaartermijn.

De omstandigheid dat de aanslag niet (ook) naar de gemachtigde van belanghebbende is gestuurd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Geen wettelijke bepaling verplicht de Inspecteur het aanslagbiljet uit te reiken of toe te zenden aan de gemachtigde van belanghebbende, dan wel aan deze een afschrift toe te zenden en belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft verzocht om dat wel te doen (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7094, BNB 2003/204, r.o. 3.3; hierna: het arrest BNB 2003/204).

4.4.1.

Voor dat geval heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de inspecteur een kopie van de aanslagen aan de gemachtigde had moeten zenden dan wel hem op de hoogte had moeten stellen van het opleggen van de aanslagen

4.4.2.

Uit de stukken blijkt dat [voormalig gemachtigde] van [kantoornaam voormalig gemachtigde] aanwezig was bij het inleidend gesprek voor het boekenonderzoek op 11 december 2000 en dat de inspecteur met genoemde gemachtigde vanaf 18 december 2001 heeft gecorrespondeerd over de aanslag ib/pvv 1997 waarbij de gemachtigde een machtiging heeft overgelegd die zag op de behandeling van de fiscale aangelegenheden van belanghebbende in de ruimste zin. Vaststaat dat de aanslag over 1997 naar Polen was gezonden en onbestelbaar retour was gekomen, net zoals het geval was met de aanslagen over 1998. Nu de correspondentie met de gemachtigde betrekking had op de stelling van belanghebbende dat de naar Polen gezonden aanslag over 1997 nimmer was ontvangen en de aanslagen over 1998 net als de aanslag over 1997 onbestelbaar retour gekomen waren, had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat de inspecteur de gemachtigde op de hoogte had gesteld van het feit dat er niet alleen een aanslag over 1997 was opgelegd maar ook aanslagen over 1998. Dat klemt te meer nu de aanslagen over 1998 waren vastgesteld en verzonden in dezelfde maand als de correspondentie met de gemachtigde over de aanslag 1997 begon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet behoorlijk gehandeld door de gemachtigde deze informatie te onthouden. De rechtbank acht aannemelijk dat bij wel behoorlijk handelen door de inspecteur tijdig bezwaar zou zijn gemaakt. Nu voorts het bezwaarschrift is ingediend binnen twee weken nadat de gemachtigde op de hoogte is geraakt van de aanslag, acht de rechtbank de overschrijding van de termijn verschoonbaar. De bezwaren zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart. Reeds hierom zijn de beroepen gegrond. Voor dat geval hebben partijen de rechtbank verzocht de zaken niet terug te wijzen naar de inspecteur, maar inhoudelijk te behandelen. De rechtbank zal dat dan ook doen.

Aanslagtermijn

4.5.

De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat de aanslagen zijn opgelegd buiten de aanslagtermijn. Uit hetgeen hiervoor in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt immers dat de aanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt op 11 december 2001, derhalve binnen de aanslagtermijn.

De aanslagen

4.6

Vast staat dat belanghebbende in het jaar 1998 grote sommen geld in contanten heeft opgenomen van de bankrekening van [A BV] ; het gaat om een bedrag van ƒ 2.654.104. De bewijslast dat belanghebbende inkomen niet heeft aangegeven rust op de inspecteur, maar gegeven de grote sommen geld die belanghebbende heeft opgenomen ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om een voldoende verantwoording te geven voor de bestemming van de opgenomen gelden.

4.6.1.

Belanghebbende heeft – zakelijk weergegeven – gesteld dat het bedrag in contanten is opgenomen om Poolse werknemers te betalen voor hun werkzaamheden in het kader van de in 2.10.2 en 2.10.3. omschreven dienstverrichting door [A BV] . Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling bescheiden overgelegd, waaronder “werkbriefjes” voorzien van een “objectnummer”, namen en bedragen, alsmede uitbetaallijsten met dezelfde namen en bedragen en handtekeningen voor ontvangst. Tot die bescheiden behoren eveneens wekelijkse overzichten van de nodige aantallen bankbiljetten per “object”. Deze totalen stemmen overeen met de bedragen op de bankafschriften die zien op de contante opnames met betrekking tot die weken. De voornoemde bescheiden zijn echter zeer fragmentarisch en zien op andere jaren dan 1998.

4.6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende wel een mogelijke verklaring gegeven wat betreft de bestemming van de contante opnames, maar is de onderbouwing – zeker nu bescheiden die betrekking hebben op het jaar 1998 ontbreken – onvoldoende om de opname van het gehele bedrag te verklaren. De rechtbank acht wel aannemelijk dat belanghebbende gelden heeft opgenomen om Poolse werknemers te betalen, maar dat het gehele bedrag daarvoor is gebruikt is zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk.

4.6.3

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat een op zichzelf aanzienlijk bedrag aan contanten door belanghebbende en ten gunste van hem zelf aan [A BV] is onttrokken, dat belanghebbende en [A BV] zich daarvan bewust zijn geweest en dat belanghebbende dat heeft gedaan in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [A BV] . Nu vaststaat dat belanghebbende niet een bedrag in verband met de contante opnamen heeft opgenomen in zijn aangifte, acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een gebrek in de aangifte die ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich van dit laatste bewust is geweest. Dit betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

Het standpunt van belanghebbende dat hij in het jaar 1998 niet in Nederland maar in Polen woonde, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in dat geval had hij de inkomsten in de aangifte moeten opnemen, aangezien het belastingverdrag met Polen bepaalt dat Nederland belasting kan heffen over onttrekkingen als deze – zij het bij inwoners van Polen naar een verlaagd (15%) tarief.

4.7.

Nu sprake is van zogenoemde omkering van de bewijslast moet het beroep ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag onjuist is. Zoals volgt uit hetgeen in 4.6.2. is overwogen, heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat in de uitspraak het inkomen onjuist is of te hoog is vastgesteld. Daaraan kan belanghebbendes stelling dat aan [A BV] voor 1998 een naheffingsaanslag loonbelasting ter hoogte van ƒ 8.550.000 – gebaseerd op een netto loon van ƒ 5.700.000, dat is gebruteerd – is opgelegd, niet afdoen.

Ook belanghebbendes beroep op het Belastingverdrag met Polen van 1979 leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft, in aanmerking genomen het gemotiveerde standpunt van de inspecteur dat belanghebbende in 1998 in Nederland woonde (zie 2.9), niet bewezen dat hij zijn woonplaats in Polen had en niet in Nederland.

4.8.

De rechtbank dient dan nog te beoordelen of de inspecteur de aanslag in redelijkheid heeft kunnen opleggen. Deze vraag dient, gelet op de bevindingen van het boekenonderzoek, bevestigend te worden beantwoord wat betreft het inkomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een inkomen van ƒ 424.565 – naast het niet bestreden loon van ƒ 25.741 – in de heffing is betrokken, terwijl de contante opnamen ƒ 2.654.104 bedragen.

In eerder vermeld rapport wordt ervan uitgegaan dat sprake is geweest van onttrekkingen door belanghebbende – als aandeelhouder – aan [A BV] . Dat lijkt de rechtbank een redelijk uitgangspunt. Dit betekent dat het bijzondere tarief van 25% van toepassing is op dit bedrag van ƒ 424.565. In zoverre is de aanslag ib/pvv dan ook te hoog opgelegd.

4.9.

Voor wat betreft de premieheffing volksverzekeringen heeft het volgende te gelden. Belanghebbende heeft inkomen uit arbeid genoten uit in Nederland gevestigde vennootschappen. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende ook werkzaamheden buiten Nederland verrichte. Belanghebbende was premieplichtig voor de volksverzekeringen omdat hij ter zake van de in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen (artikel 6, eerste lid AOW e.a.). Hetgeen is overwogen voor de inkomstenbelasting geldt dan ook voor de pvv.

4.10.

Voor de WAZ was belanghebbende eveneens verzekerd omdat hij anders dan in dienstbetrekking arbeid verrichtte voor [A BV] waarin hij een aanmerkelijk belang hield (artikel 5, onderdeel b, Wet WAZ). Het premie-inkomen WAZ is het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid (artikel 72 Wet WAZ). Het gecorrigeerde inkomen, een onttrekking van ƒ 424.565, behoort dus niet tot de grondslag voor de premieberekening. Het premie-inkomen is dan, conform de aangifte ƒ 25.655 wat lager is dan de franchise van f 29.000 zodat de aanslag moet worden vernietigd.

Heffingsrente

4.11.

De beroepen worden mede geacht te zijn gericht tegen de bij beschikkingen in rekening gebrachte heffingsrente. Nu belanghebbende daartegen geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd en de rechtbank aannemelijk acht dat de rente is vastgesteld volgens de daarvoor geldende regels, zijn de beroepen enkel gegrond aangezien de aanslagen worden verminderd. De heffingsrente wordt dan dienovereenkomstig verminderd.

4.12.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank merkt de twee zaken betreffende de ib/pvv en de waz als samenhangende zaken aan. Derhalve worden voor deze zaken de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld.

6 Schadevergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

Gezien de samenhang in de zaken met procedurenummers 13/2904 tot en met 13/2910 gaat de rechtbank ervan uit dat de lange behandelingsduur één maal heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende waarvoor een vergoeding op haar plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor al deze zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de vergoeding voor immateriële schade toegekend in de zaak met procedurenummer 13/2904.

7 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag ib/pvv tot een berekend naar een belastbaar inkomen van
ƒ 450.306, waarvan ƒ 424.565 te belasten naar een tarief van 25% en vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig (procedure 13/2905);

- vernietigt de aanslag waz en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente (procedure 13/2909);

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 1.224.

Deze uitspraken zijn gedaan op 24 augustus 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraken hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraken onherroepelijk zijn geworden. Een uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraken kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.