Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5578

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
02/302682 / HA RK 15-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer: 02/302682 / HA RK 15-132

Beslissing van 20 augustus 2015

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van

[verzoeker],

wonende te Tilburg,

verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 5 juni 2015 van de kinderrechter, waarbij is bepaald dat er een zitting zal plaatsvinden op donderdag 23 juli 2015 over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van verzoekers kinderen;

  • -

    het e-mailbericht van 19 juli 2015 waarin verzoeker de zittingsrechter vraagt om de zitting van 23 juli 2015 uit te stellen;

  • -

    het e-mailbericht van 20 juli 2015 waarin de griffie antwoordt dat het gevraagde uitstel niet wordt verleend;

  • -

    het e-mailbericht van 22 juli 2015 van verzoeker waarin hij de zittingsrechter wraakt;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting met gesloten deuren van 23 juli 2015;

  • -

    de op 10 augustus 2015 ontvangen schriftelijke reactie van de kinderrechter op het wrakingsverzoek;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek op 13 augustus 2015 ter zitting van de wrakingskamer, waarbij zijn verschenen: verzoeker in persoon en mr. R.G.J. van Kerkhof, advocaat van de moeder van de betreffende kinderen;

  • -

    de pleitaantekeningen van verzoeker.

1.2.

De datum van de beslissing is bepaald op zo spoedig als mogelijk.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Tempel, kinderrechter, die belast is met de (gevoegde) behandeling van de zaken met nummers C/02/290407, C/02/290928 en C/02/290932 betreffende, kort gezegd, een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van drie kinderen van verzoeker.

2.2.

De kinderrechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

Verzoeker is de vader van de minderjarigen [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] , allen geboren uit de voormalige relatie van verzoeker met mevrouw [nama moeder] (hierna: de moeder). In januari 2014 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de William Schrikker Groep (hierna: WSG) en uit huis geplaatst.

3.2.

In november 2014 heeft de WSG bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 januari 2015. Op die zitting heeft verzoeker de behandelend kinderrechter gewraakt. De reden daarvoor was dat de kinderrechter de vertegenwoordigers van de WSG buiten aanwezigheid van verzoeker had gehoord, waardoor verzoeker niet in de gelegenheid is geweest om de kinderrechter te vragen om de vertegenwoordigers van de WSG onder ede te horen inzake hun aan verzoeker gerichte beschuldiging van seksueel misbruik. Bij beslissing van 3 maart 2015 heeft de wrakingskamer dit wrakingsverzoek afgewezen.

3.3.

De behandeling van de bodemzaken is hervat ter zitting van 16 maart 2015. Op die zitting heeft verzoeker de behandelend kinderrechter nogmaals gewraakt, ditmaal omdat zij niet bereid was gehoor te geven aan zijn verzoek om de vertegenwoordigers van de WSG onder ede te horen. Bij uitspraak van 12 mei 2015 is verzoeker door de wrakingskamer niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek.

3.4.

De behandeling van de bodemzaken is voortgezet op 1 juni 2015. Bij aanvang van die zitting heeft verzoeker de behandelend kinderrechter gevraagd de vertegenwoordigers van de WSG onder ede te horen. Vanwege de afwijzing van dat verzoek heeft verzoeker de kinderrechter wederom gewraakt. Bij beslissing van 7 juli 2015 heeft de wrakingskamer dat wrakingsverzoek afgewezen. Tevens is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, gedaan op dezelfde grondslag, niet meer in behandeling zal worden genomen.

3.5.

Ondertussen is de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de drie kinderen steeds voor bepaalde tijd verlengd, laatstelijk bij beschikking van 5 juni 2015. In die beschikking is verder bepaald dat de behandeling van de zaken zal worden voortgezet ter zitting van 23 juli 2015.

3.6.

Bij e-mailbericht van 19 juli 2015 aan de op 23 juli 2015 zittende rechter heeft verzoeker verzocht om uitstel van die zitting omdat hij slechts een zeer klein deel van de dossiers van de WSG heeft ontvangen ‘waardoor ik nog steeds niet in de gelegenheid gesteld wordt de inmiddels al anderhalf jaar bij de WSG bekende aantoonbare onwaarheden en onvolledigheden uit de dossiers te laten verwijderen dan wel te laten aanpassen / aanvullen door de door mij aantoonbare feiten en is zodoende het verzoek voor verlenging willens en wetens ingediend met onjuiste informatie en onvolledige informatie’.

3.7.

Nadat op 20 juli 2015 door een griffiemedewerkster per e-mail aan verzoeker is bericht ‘dat na overleg met de zittingsrechter is besloten om geen uitstel te verlenen’, heeft verzoeker op 22 juli 2015 geschreven dat hij de zittingsrechter wraakt omdat zij alle schijn van partijdigheid wekt. Het wrakingsverzoek is als volgt toegelicht: ‘Een gelijkwaardig proces is niet mogelijk omdat ik als belanghebbende, de vader van de kinderen, géén inzage heb gehad in de gegevens, de zogenaamde dossiers aan de hand waarvan (…) dit verzoek aan de rechtbank is opgesteld en ingediend. Vader heeft immers niet de mogelijkheid een verweer te voeren en eigen plan van aanpak op te stellen daar niet bekend is waar dit verzoek op gebaseerd is.

3.8.

Op de zitting van 23 juli 2015 heeft de behandelend kinderrechter mr. Tempel aan de aanwezige personen verslag uitgebracht van voornoemde e-mailcorrespondentie. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij de bestreden procesbeslissing niet heeft genomen maar daar wel volledig achter staat en dat zij het wrakingsverzoek aanmerkt als zijnde gericht tegen haar als zittingsrechter.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

4.1.

Blijkens zijn e-mailbericht van 22 juli 2015 stelt verzoeker zich op het standpunt dat de kinderrechter, door haar weigering om de zitting van 23 juli 2015 uit te stellen, alle schijn van partijdigheid wekt. Ter toelichting voert hij aan dat een gelijkwaardig proces niet mogelijk is omdat hij als belanghebbende geen inzage heeft gehad in de dossiers van de WSG aan de hand waarvan het inleidende verzoek aan de rechtbank is ingediend en niet de mogelijkheid heeft om verweer te voeren en een eigen plan van aanpak op te stellen.

4.2.

Ter zitting van de wrakingskamer licht verzoeker toe dat, op grond van artikel 6 van het EVRM, alle partijen in een gerechtelijke procedure recht hebben op alle stukken. Daarnaast beroept verzoeker zich op de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens. Hij stelt dat het een wettelijke taak van de kinderrechter is om de waarheid in de democratische rechtsstaat te bewaken. In deze zaak is dat niet het geval omdat er in het inleidend verzoek van WSG leugens worden verkondigd en omdat er relevante ontwikkelingen uit zijn weggelaten die een uithuisplaatsing van de kinderen niet langer rechtvaardigen.

5 Het standpunt van de kinderrechter

5.1.

De kinderrechter voert in haar schriftelijke reactie aan dat het verzoek tot wraking is ingegeven door een voor verzoeker onwelgevallige procesbeslissing, namelijk de afwijzing van diens verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak. Voor die beslissing had zij meerdere goede redenen, stelt de kinderrechter. Verzoekers vraag om de WSG op te dragen om bepaalde stukken aan verzoeker te overhandigen, past niet binnen de lopende procedure en kan buiten de rechtbank om worden geregeld.

5.2.

De kinderrechter vindt dat verzoeker ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek maar dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

6 De beoordeling

6.1.

Volgens artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek kan worden gedaan door een partij.

6.2.

De wrakingskamer constateert dat verzoeker als belanghebbende bevoegd was om het verzoek tot wraking te doen. Verder stelt de wrakingskamer vast dat het onderhavige wrakingsverzoek is gebaseerd op een andere grond dan de wens om de vertegenwoordigers van de WSG onder ede te laten horen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is verzoeker dan ook ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Ter zitting bevestigt verzoeker dat zijn wrakingsverzoek is gericht tegen mr. Tempel als zittingsrechter.

6.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid neemt de wrakingskamer als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.

6.4.

Aanleiding tot het onderhavige wrakingsverzoek is de weigering gehoor te geven aan het door verzoeker ingediende verzoek om uitstel van de behandeling op 23 juli 2015. Die weigering is een procesbeslissing. Zo’n procesbeslissing kan slechts een grond voor wraking opleveren wanneer deze zozeer onbegrijpelijk is dat de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid is ingegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in dit geval geen sprake. Daartoe overweegt de kamer het volgende.

6.5.

De bodemprocedures gaan over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. In zulke zaken staat het belang van de kinderen altijd voorop. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het geenszins onbegrijpelijk dat de kinderrechter het belang van de kinderen bij de behandeling van die zaken zwaarder laat wegen dan het belang van verzoeker om stukken te ontvangen van de WSG.

In dat kader voert verzoeker aan dat hij op grond van artikel 6 van het EVRM recht heeft op alle stukken. Naar het oordeel van de wrakingskamer volgt uit artikel 6 van het EVRM dat alle partijen in een procedure dienen te beschikken over dezelfde processtukken als de rechter. De door verzoeker gewenste stukken zijn door de WSG níet in het geding gebracht en onbekend bij de rechter. Indien verzoeker van de WSG meer stukken wenst te ontvangen dan de WSG in het geding heeft gebracht, dient hij zich te wenden tot de WSG.

Verzoeker kan de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens niet tegenwerpen aan de kinderrechter omdat die wetten niet van toepassing zijn op bij de rechtbank aanhangige gedingen. De kinderrechter hoeft evenmin te wachten tot verzoeker jegens de WSG gebruik heeft gemaakt van zijn eventuele inzagerecht en rectificatierecht. Bovendien is uitstel van de inhoudelijke behandeling van de bodemzaken niet in het belang van de kinderen.

6.6.

Naar het oordeel van de wrakingskamer maakt verzoeker misbruik van recht door middels een wrakingsverzoek de behandeling van de bodemzaken stil te leggen omdat hij bij derden andere stukken dan processtukken wenst in te zien. Om de inhoudelijke behandeling van de bodemzaken niet verder te laten vertragen, zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen indien dat voortbouwt op de stelling dat verzoeker aanspraak maakt op inzage en/of correctie van stukken die zich bevinden bij de WSG.

7 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de zaken met nummers C/02/290407, C/02/290928 en C/02/290932 zal worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, gericht tegen een rechter die belast is met de behandeling van voornoemde zaken, niet in behandeling wordt genomen indien en voor zover dat is gebaseerd op een grond die voortbouwt op de stelling dat verzoeker aanspraak maakt op inzage en/of correctie van stukken die zich bevinden bij de WSG.

Deze beslissing is gegeven op 20 augustus 2015 door mrs. Poerink, De Ruijter en Broeders, in tegenwoordigheid van mr. De Baar, griffier, en in het openbaar uitgesproken.