Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5573

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6149
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:189, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

belastingrente art. 30f AWR (ongelijke behandeling)

Belanghebbende heeft, vóór het indienen van haar aangifte vpb 2013, op 4 juli 2014 de verschuldigde belasting voldaan. Met dagtekening 9 augustus 2014 is, conform de aangifte, een nadere voorlopige aanslag opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht tot de dag dat de aanslag invorderbaar is. De rechtbank is van oordeel dat aan belanghebbende terecht en voor een juiste periode belastingrente in rekening is gebracht. Dat belanghebbende op eigen initiatief een bedrag heeft betaald voordat de belastingschuld was geformaliseerd, is een eigen keuze van belanghebbende en zorgt er niet voor dat geen belastingrente verschuldigd is. Wat betreft het verschil in tarief ten opzichte van niet-vennootschapsbelastingplichtigen geldt dat hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De wetgever is daarbij niet buiten de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid getreden.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2030
V-N 2015/52.3.1
FutD 2015-2313
FutD 2015-2314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/6149

uitspraak van 1 juli 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 1 oktober 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de bij de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2013 bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 301 (aanslagnummer [aanslagnummer].V.31.0112).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Oss, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Op 24 juli 2014 heeft belanghebbende haar aangifte vennootschapsbelasting (vpb) over het jaar 2013 ingediend. Het aangegeven belastbaar bedrag is € 114.829. De verschuldigde vpb bedraagt € 22.965. Belanghebbende had in het jaar 2013 reeds een voorlopige aanslag vpb 2013 ontvangen en voldaan (€ 6.449). Naar aanleiding van de aangifte vpb resteerde een te betalen bedrag van € 16.516. Dit bedrag is door belanghebbende op 4 juli 2014 voldaan. Op dat moment was er nog geen nadere voorlopige aanslag vpb 2013 opgelegd.

2.2.

Met dagtekening 9 augustus 2014 is aan belanghebbende de nadere voorlopige aanslag vpb 2013 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 16.516. In hetzelfde geschrift is de beschikking belastingrente opgenomen van € 301. De belastingrente is berekend over de periode van 1 juli 2014 tot en met 20 september 2014.

2.3.

Tussen partijen is in geschil of er terecht belastingrente aan belanghebbende in rekening is gebracht. Verder is in geschil of er sprake is van ongelijke behandeling van vennootschapsbelastingplichtigen en niet-vennootschapsbelastingplichtigen voor de bepaling van het percentage belastingrente.

2.4.

Ter zitting is overeengekomen dat het bezwaar tegen de rentebeschikking moet worden beschouwd als een verzoek om herziening en dat de inspecteur toestemming geeft om tegen de beslissing op dat verzoek direct in beroep te komen bij de rechtbank (prorogatie).

Belastingrente

2.5.

Artikel 30f AWR luidt, voor zover hier van belang:

  1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.

  2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.(……)

2.6.

Op grond van artikel 9 van de Invorderingswet is een belastingaanslag zes weken na de dagtekening invorderbaar. In de wet is geen mogelijkheid opgenomen tot het vooruitbetalen van een aanslag vpb. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan belanghebbende terecht en voor een juiste periode belastingrente in rekening is gebracht. Dat belanghebbende op eigen initiatief een bedrag heeft betaald voordat de belastingschuld was geformaliseerd, is een eigen keuze van belanghebbende en zorgt er niet voor dat geen belastingrente verschuldigd is.

Ongelijke behandeling

2.7.

Voor zover belanghebbende stelt dat het verschil in percentage belastingrente tussen de vennootschapsbelasting en de overige belastingen (artikel 30hb AWR) een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

2.8.

Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van elke redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

2.9.

In de Memorie van Toelichting naar aanleiding van de wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente (Kamerstukken II 2013/14, 33755, nr. 3) is omtrent de het verschil in percentage belastingrente het volgende medegedeeld:

“het hanteren van een hoger rentepercentage bij vennootschapsbelastingplichtigen, voornamelijk ondernemers, dan bij andere belastingplichtigen sluit aan bij de gedachte achter de wettelijke rente, namelijk dat in het handelsverkeer een hoger rentepercentage geldt dan in het niet-handelsverkeer. Dit rentepercentage wordt zowel toegepast bij in rekening te brengen als bij te vergoeden belastingrente. Belastingplichtigen kunnen de gevolgen van het als belastingrente in rekening brengen van de wettelijke rente voor handelstransacties (zo veel mogelijk) voorkomen door de belastingdienst tijdig te verzoeken een voorlopige aanslag op te leggen of een reeds opgelegde voorlopige aanslag te herzien. Dit kan op eenvoudige wijze. Hierdoor heeft de belastingplichtige de middelen tot zijn beschikking om de door hem voorlopig te betalen belasting zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de uiteindelijk door hem verschuldigde belasting. Het belopen van rente kan hij daarmee (zo veel mogelijk) voorkomen. Hierbij verdient nog opmerking dat voor het doen van de aangifte vennootschapsbelasting in veel gevallen gebruik wordt gemaakt van de diensten van fiscaal adviseurs waardoor deze belastingplichtigen in staat kunnen worden geacht de rentegevolgen te beperken. Het (zo veel mogelijk) voorkomen dat rente wordt berekend is ook (alsnog) mogelijk gedurende de eerst zes maanden na afloop van het belastingtijdvak. Met de invoering van de regeling van de belastingrente is het aanvangstijdstip van de renteperiode voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting namelijk verplaatst. Het aanvangstijdstip van de renteperiode was onder de regeling van de heffingsrente de dag na het einde van het tijdvak en is met de regeling van de belastingrente met zes maanden naar achteren verschoven. Dit betekent dat deze belastingplichtigen ten opzichte van de regeling van de heffingsrente een rentevoordeel van zes maanden genieten. Voor de belastingen die op aangifte worden afgedragen of voldaan, zoals de loon- en omzetbelasting, geldt dit rentevoordeel van zes maanden niet. Daarom is ervoor gekozen, hoewel die belastingen voornamelijk door ondernemers worden afgedragen of voldaan, het tarief van de wettelijke rente voor handelstransacties niet voor deze belastingen te laten gelden. Voor de inkomstenbelasting geldt dat de meerderheid van de belastingplichtigen uit particulieren bestaat. Het kabinet acht aansluiting bij de wettelijke rente voor handelstransacties voor particulieren strijdig met de systematiek van de wettelijke rente en ten principale onwenselijk. Omdat het niet mogelijk is in de toepassing van de belastingrente voor de inkomstenbelasting een splitsing aan te brengen tussen particulieren en ondernemers en omdat ondernemers een kleiner deel uitmaken van het totaal aantal inkomstenbelastingplichtigen dan particulieren kiest het kabinet er niet voor het percentage van de wettelijke rente voor handelstransacties te hanteren bij de ondernemers in de inkomstenbelasting.”

2.10.

De wetgever heeft de ongelijke behandeling tussen vennootschapsbelastingplichtigen en niet-vennootschapsbelastingplichtigen voor wat betreft het percentage belastingrente erkend. Hij heeft goede redenen gezien voor het verschil in percentage belastingrente tussen de vennootschapsbelasting en andere belastingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wetgever daarbij buiten de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is getreden. Er is derhalve geen sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen vennootschapsbelastingplichtigen en niet-vennootschapsbelastingplichtigen.

2.11.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.