Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5431

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
C-02-298769 - HA ZA 15-299
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2018:7, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening. De eigenaar van de te onteigenen gronden vordert inzage van de Staat in contracten die de Staat heeft gesloten met andere overheden en pachters. Hij wil zo zijn beroep op zelfrealisatie kunnen onderbouwen en hij wil aantonen dat onteigening niet nodig is. Afgifte van de stukken wordt op de formele gronden van art. 843 a Rv afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/298769 / HA ZA 15-299

Vonnis in incident van 8 juli 2015

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN),

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaten mr. M. Rus-van der Velde en mr. M. Heerings te ’s-Gravenhage,

tegen

GÉRY JACQUES JOHN EDMOND LEOPOLD PROSPER DE CLOEDT,

wonende te Verbier, Zwitserland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,

en

ANDRE JEROME IRENE VERBIST,

wonende te Kieldrecht, België,

interveniënt,

advocaat mr. W.M. Bijloo te Middelharnis.

Partijen zullen hierna de Staat, De Cloedt en Verbist worden genoemd.

1 De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv van de zijde van De Cloedt

  • -

    het vonnis in incident van 17 juni 2015
    - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van de zijde van Verbist.
    De Staat is in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in het incident in te dienen, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
    Verbist is niet in de gelegenheid gesteld te reageren op de incidentele vordering, nu dit een geschil tussen de Staat en De Cloedt betreft.

2 Het geschil

2.1.

De Cloedt vordert dat de Staat wordt veroordeeld om alle (concept)overeenkomsten die de Staat ter zake de Hedwigepolder heeft gesloten met andere zakelijk en persoonlijk rechthebbenden, waaronder het Waterschap Scheldestromen, de Stichting het Zeeuws Landschap, Delta N.V., Evides NV en de pachters over te leggen, met de bepaling dat De Cloedt na ontvangst van deze stukken in de gelegenheid wordt gesteld zijn verweer tegen het in hoofdzaak gevorderde des nodig te wijzigen of aan te vullen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Cloedt stelt recht en belang te hebben om over deze stukken te beschikken, (1) teneinde in dit geding, voorzien van alle relevante informatie, het door hem gedane beroep op zelfrealisatie te kunnen stipuleren, en teneinde te kunnen aantonen dat de onteigening zoals deze door de Staat is gevorderd, niet noodzakelijk is c.q. onrechtmatig is, en (2) ten behoeve van de lopende gerechtelijke ontpachtingsprocedure.
Subsidiair verzoekt De Cloedt om toepassing te geven aan artikel 22 Rv en de Staat te bevelen de stukken als hiervoor bedoeld over te leggen.

2.2.

De Staat heeft geen verweer gevoerd.

3
3. De beoordeling

3.1.

Ten aanzien van de vordering op grond van artikel 843a Rv wordt als volgt overwogen.
Voor toewijzing van de vordering op grond van dit artikel moet voldaan zijn aan drie voorwaarden: (1) degene die vordert dient een rechtmatig belang te hebben, (2) het moet gaan om bepaalde bescheiden en (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn voorganger partij is. Indien aan deze drie voorwaarden is voldaan, is degene die de stukken waarvan afgifte wordt gevraagd niettemin niet gehouden deze af te geven indien (a) een gewichtige reden zich daartegen verzet of (b) redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder afgifte van de gevraagde stukken is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).

3.2.

De door De Cloedt verzochte stukken betreffen blijkens zijn eigen stellingen geen rechtsbetrekking waarbij De Cloedt partij is. Nu aan de hiervoor onder (3) genoemde voorwaarde niet is voldaan, moet de vordering reeds om die reden worden afgewezen.
Voor zover De Cloedt verzoekt de Staat op grond van artikel 22 Rv te bevelen de verzochte stukken over te leggen overweegt de rechtbank als volgt. De rechter is op grond van dit artikel bevoegd om (één van) partijen te bevelen nadere informatie te verschaffen. De rechtbank ziet echter op basis van hetgeen thans is gesteld geen aanleiding de Staat een dergelijk bevel te geven.

4
4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vordering van De Cloedt af,

in de hoofdzaak

4.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juli 2015 voor het bepalen van een datum voor pleidooi,

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.1

1 FM