Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5416

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
C/02/301777 / KG ZA 15-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

beslagperikelen, strijd met artikel 21 Rv (en onderdeel A2 van de Beslagsyllabus), opheffen beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/301777 / KG ZA 15-421

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I.M. van den Heuvel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.M. Heesmans.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 juli 2015, met producties genummerd 1 tot en met 4;

- het faxbericht van 15 juli 2015 van de zijde van [eiser] , met bijlage;

- de akte tot vermeerdering van eis, met producties genummerd 5 tot en met 9;

- de brief van 28 juli 2015 van de zijde van [gedaagde] , met producties genummerd 1 tot en met 4;

- het faxbericht van 29 juli 2015 van de zijde van [eiser] , met producties genummerd 10 tot en met 13;

- het faxbericht van 29 juli 2015 van de zijde van [eiser] , met bijlagen;

- de mondelinge behandeling gehouden op 30 juli 2015;

- de pleitnota van de zijde van [eiser] ;

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

alle door [gedaagde] gelegde beslagen op de woning aan de [adres 1] opheft, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding;

subsidiair:

[gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle door haar gelegde beslagen op de woning aan de [adres 1] op te heffen, op verbeurte van een dwangsom van € 250.000,00 voor het geval [gedaagde] niet aan het bevel voldoet, met machtiging aan [eiser] om, indien [gedaagde] niet aan het bevel voldoet, namens en op kosten van [gedaagde] het beslag op te heffen en daartoe het nodige te doen, waaronder begrepen het namens en op kosten van [gedaagde] een notaris opdracht te geven een akte tot doorhalen van het beslag te verlijden en die akte over te laten schrijven in de openbare registers, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

2.2.

[gedaagde] weerspreekt de vorderingen.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 4 juli 2013 is door deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 7 november 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

b. Partijen zijn verwikkeld geraakt in diverse juridische procedures in verband met de afwikkeling van de echtscheiding.

c. [eiser] is eigenaar van de woning, staande en gelegen aan de [adres 2] (hierna: de woning).

d. Op 24 september 2014 heeft [gedaagde] , na een daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op de woning tot zekerheid voor de betaling van een vordering van

€ 112.425,30 en een vordering van € 39.465,54, beide inclusief rente en kosten.

e. Ter zake van de verdeling van de gemeenschap tussen partijen heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 8 oktober 2014 de bodemprocedure aanhangig gemaakt jegens [eiser] bij deze rechtbank, onder het zaak- en rolnummer C/02/289243 / HA ZA 14-762.

f. [eiser] heeft in kort geding in conventie onder meer opheffing van voormeld beslag gevorderd, hetgeen heeft geleid tot het vonnis van 6 februari 2015, waarbij de voorzieningenrechter van deze rechtbank in conventie de vordering waarvoor [gedaagde] ten laste van [eiser] het beslag heeft gelegd nader heeft begroot op € 8.460,54, inclusief rente en kosten, en het beslag heeft opgeheven voor zover het beslag dit bedrag overschrijdt.

g. Bij brief van 7 juli 2015 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd vóór 8 juli 2015 te 12:00 uur te bevestigen dat zij het conservatoir beslag op de woning tot zekerheid voor de betaling van de vordering van € 8.460,54 zal opheffen, omdat [eiser] voor deze vordering zekerheid heeft gesteld door een gelijk bedrag in handen te storten van de notaris. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

h. Bij verzoekschrift van 8 juli 2015 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank wederom verzocht toestemming te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag op de woning voor een bedrag van € 112.425,30, inclusief rente en kosten. Op 9 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend, waarna [gedaagde] voormeld beslag heeft gelegd.

i. Bij brief van 27 juli 2015 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd vóór 13:00 uur de conservatoire beslagen op de woning tot zekerheid voor de betaling van de vordering van € 8.460,54 en de vordering van € 112.425,30 op te heffen. Aan dit verzoek heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering tot opheffing van de beslagen – kort gezegd en na vermeerdering van eis – op de stelling dat voor de vordering van € 8.460,54 voldoende zekerheid is gesteld en dat de vordering van € 112.425,30 onder meer ondeugdelijk is. Deze stelling wordt door [gedaagde] echter betwist.

3.3.

Anders dan [gedaagde] betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vordering tot opheffing, gelet op de aard daarvan, is gegeven. De voorzieningenrechter gaat dan ook voorbij aan het door haar op dit punt gevoerde verweer.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat de opheffing van een conservatoir beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer kan worden bevolen indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. De voorzieningenrechter zal daarnaast tevens tot opheffing van het beslag kunnen overgaan indien de verzoeker in het beslagrekest niet alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd.

3.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich voor wat betreft het beslag dat op de woning is gelegd tot zekerheid voor de betaling van de vordering van

€ 112.425,30 laatstgenoemde opheffingsgrond voor. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

3.6.

Een beslagrekest kenmerkt zich daarin dat op het rekest wordt beslist zonder dat de verweerder eerst wordt gehoord. De voorzieningenrechter die op een beslagrekest beslist moet dan ook – nog meer dan dat anders al het geval is – op het woord van de verzoeker kunnen afgaan. Niet voor niets zijn partijen op grond van artikel 21 Rv verplicht om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, welk artikel ook geldt bij een beslagrekest. Uit onderdeel A2 van de Beslagsyllabus vloeit immers voort dat de verzoeker gehouden is om in het beslagrekest onder meer melding te maken van alle lopende en doorlopen procedures die relevant zijn voor een goede beoordeling van de zaak.

3.7.

Vast staat dat reeds op 24 september 2014, na een daartoe verzocht en verkregen verlof, beslag is gelegd op de woning voor een bedrag van € 112.425,30 en dat de voorzieningenrechter bij kortgedingvonnis van 6 februari 2015 het beslag voor dit bedrag heeft opgeheven. Ogenschijnlijk gaat het om dezelfde kwestie als waarvoor [gedaagde] op 8 juli 2015 verlof heeft gevraagd en op 9 juli 2015 heeft verkregen. Het laatste beslag op de woning is immers gelegd voor exact hetzelfde bedrag als het bedrag van de vordering waarvoor de voorzieningenrechter het beslag bij kort gedingvonnis van 6 februari 2015 heeft opgeheven. In het beslagrekest van 8 juli 2015 heeft [gedaagde] echter geen melding gemaakt van de eerdere beslaglegging en het opheffings-kort geding. Ter zitting heeft [gedaagde] weliswaar gesteld dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt, omdat het volgens haar om een geheel andere vordering gaat, maar zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is hiervan niet, althans onvoldoende, gebleken.

3.8.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorzieningenrechter die op het beslagrekest van 8 juli 2015 heeft moeten beslissen op cruciale onderdelen daarvan onvolledig is ingelicht in de zin van artikel 21 Rv en zoals bedoeld in onderdeel A2 van de Beslagsyllabus. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat het beslagverlof, indien de voorzieningenrechter die het verlof op 9 juli 2015 heeft verleend bekend was met de eerdere beslaglegging en het opheffings-kort geding, niet dan wel niet zonder nadere toelichting of niet tot dezelfde omvang, zou zijn verleend. Hieruit maakt de voorzieningenrechter de gevolgtrekking dat het beslag op de woning dat is gelegd tot zekerheid voor de betaling van de vordering van € 112.425,30 per direct moet worden opgeheven.

3.9.

Voor wat betreft het beslag dat oorspronkelijk op de woning is gelegd tot zekerheid voor de betaling van de vordering van € 8.460,54, voert [eiser] aan dat dit beslag moet worden opgeheven, omdat voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. [eiser] stelt dat hij dit bedrag in handen van de notaris heeft gestort. [gedaagde] betwist deze stelling onder verwijzing naar de door haar als productie 3 in het geding gebrachte e-mailbericht.

3.10.

Vast staat dat [gedaagde] bij e-mailbericht van 23 juli 2015 heeft geprobeerd bij de notaris te verifiëren of het bedrag van € 8.460,54 daadwerkelijk door [eiser] in handen van de notaris is gestort. Verder staat vast dat de notaris bij e-mailbericht van 28 juli 2015 aan [gedaagde] heeft bericht dat hij op verzoek van de advocaat van [eiser] moet meedelen dat hij niet mag berichten of het bedrag is gestort.

3.11.

Bij deze stand van zaken is door toedoen van [eiser] zelf geen duidelijkheid verkregen over het antwoord op de vraag of het bedrag daadwerkelijk in handen van de notaris is gestort. De enkele stelling dat het bedrag in handen van de notaris is gestort biedt dan ook onvoldoende zekerheid. Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van overige opheffingsgronden, zal de vordering tot opheffing van het beslag tot zekerheid voor de betaling van de vordering van € 8.460,54 worden afgewezen.

3.12.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

heft het conservatoir beslag op de woning aan de [adres 1] op voor zover dat strekt tot verhaal van de vordering van € 112.425,30;

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2015.1

1 type: mj coll: