Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5064

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-09-2015
Zaaknummer
C-02-265176 - FA RK 13-3170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Meemoeder” geen juridische ouder van de minderjarigen. Artikel 815, lid 2, sub a, Rv derhalve niet van toepassing. Het bepaalde sub b wel.

Het gezamenlijk gezag van een ouder en een ander die niet de ouder is, houdt na echtscheiding niet van rechtswege op te bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/265176 / FA RK 13-3170

Beschikking d.d. 29 juli 2015 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen [verzoekster] ,

advocaat mr. M. Krijger, gevestigd te Middelburg,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen [verweerster] ,

advocaat: voorheen mr. D.A.H. Veldhof te Goes (gedesisteerd).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 12 juni 2013 ingekomen verzoekschrift tot echtscheiding met

nevenvorderingen, met bijlagen;

- het op 5 augustus 2013 ingekomen verweerschrift inzake verzoekschrift tot

echtscheiding met nevenvorderingen, met bijlagen;

- het op 4 september 2013 ingekomen verweerschrift naar aanleiding van zelfstandige verzoeken, met bijlagen;

- de brief, ingekomen d.d. 15 november 2013, van de Raad;

- het op 8 januari 2014 door mr. Krijger ingediende F-formulier;

- het faxbericht d.d. 7 januari 2014 van mr. Veldhof;

- het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2014;

- het rapport en advies d.d. 10 januari 2014 van de Raad;

- het aanvullende rapport en advies d.d. 28 augustus 2014 van de Raad;

./. - de brief, ingekomen d.d. 7 juli 2015 van mr. Krijger, met daarbij gevoegd een door

partijen opgesteld en ondertekend ouderschapsplan, welk ouderschapsplan aan deze

beschikking zal worden gehecht;

- het op 6 juli 2015 door mr. Krijger ingediende F-formulier, met daarbij gevoegd een

door [verweerster] ondertekende referteverklaring.

1.2.

Het verzoekschrift is op verzoek van [verzoekster] op 12 juni 2013 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in 2007] te [huwelijksplaats] .

2.2.

Tijdens het huwelijk van partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Scheiding

2.3.1.

[verzoekster] heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. [verweerster] heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

2.3.2.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Regelingen minderjarigen;

2.4.1.

[verzoekster] heeft bij inleidend verzoekschrift primair verzocht het door haar overgelegde (concept-)ouderschapsplan te bekrachtigen, aan de beschikking te hechten en te bepalen dat de inhoud daarvan deel uitmaakt van de beschikking, dan wel subsidiair een zorgregeling vast te stellen tussen haar en de minderjarigen. [verweerster] heeft vervolgens tegen deze verzoeken verweer gevoerd en verzocht deze verzoeken af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft [verweerster] verzocht te bepalen dat zij voortaan alleen het gezag zal uitoefenen over de minderjarigen. [verzoekster] heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en verzocht het verzoek af te wijzen en een onderzoek door de Raad te gelasten naar het hoofdverblijf en de zorg- en gezagsregeling.

2.4.2.

Bij beschikking van 13 november 2013 is door de voorzieningenrechter aan de Raad verzocht om ten behoeve van onderhavige procedure met spoed een onderzoek in te stellen naar het hoofdverblijf en de meest wenselijke zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen en daaromtrent vervolgens te rapporteren en te adviseren.

2.4.3.

De Raad heeft op 10 januari 2014 zijn rapport en advies uitgebracht. Hij heeft geadviseerd om een voorlopige contactregeling vast te stellen zoals weergegeven in zijn rapport en de zaak voor een periode van zes maanden aan te houden om op basis van de bevindingen van dat moment, een definitief advies te kunnen formuleren. Tevens heeft de Raad in zijn rapport de kinderrechter verzocht om de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Zeeland (thans Intervence).

2.4.4.

Beide minderjarigen zijn op 28 januari 2014 door de kinderrechter voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld.

2.4.5.

Op 28 augustus 2014 heeft de Raad aanvullend gerapporteerd en geadviseerd ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling. Uit het aanvullende rapport van de Raad blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt omtrent het hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling. De Raad kan zich vinden in de door partijen gemaakte afspraken en adviseert conform die afspraken te beslissen, in die zin dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij [verweerster] wordt vastgesteld en dat er een zorgregeling tussen [verzoekster] en de minderjarigen geldt van één weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.30 uur, alsmede de helft van alle schoolvakanties en feestdagen, waarbij de minderjarigen tenminste twee weken aaneengesloten in de zomervakantie en vijf dagen aaneengesloten in de Kerstvakantie bij [verzoekster] doorbrengen, waarvan in 2014 de jaarwisseling en het volgend jaar de Kerstdagen, etcera.

2.4.6.

Uit de brief, ingekomen d.d. 7 juli 2015, van mr. Krijger, volgt dat het partijen is gelukt om in onderling overleg alsnog een door hen beiden gedragen ouderschapsplan op te stellen. Namens [verzoekster] wordt, conform haar bij inleidend verzoekschrift gedane primaire verzoek, verzocht om het ouderschapsplan te bekrachtigen, aan de beschikking te hechten en in de beschikking op te nemen. Van de zijde van [verweerster] is een referteverklaring overgelegd.

2.4.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.7.1. Beoordeeld dient te worden of partijen ingevolge artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verplicht zijn om een door hen opgesteld en ondertekend ouderschapsplan over te leggen. Ingevolge voornoemd artikel dienen partijen bij het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan over te leggen ten aanzien van (a) hun gezamenlijke minderjarige kinderen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen dan wel (b) de minderjarige kinderen over wie zij ingevolge artikel 1:253sa of 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag gezamenlijk uitoefenen.

2.4.7.2. Op 1 april 2014 is de ‘Wet van 25 november 2013 tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie’ (hierna: Wet Lesbisch Ouderschap) in werking getreden. Deze wet heeft onmiddellijke werking en regelt het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie, in die zin dat de vrouwelijke partner van de moeder - de meemoeder - het juridisch ouderschap verkrijgt op basis van het afstammingsrecht. Met de inwerkingtreding van voormelde wet is (het oude) artikel 198 van boek 1 BW gewijzigd, in die zin dat het voor de meemoeder thans mogelijk is om juridisch ouder te worden van een kind buiten de rechter om: van rechtswege door huwelijk (sub b) of door erkenning (sub c). Daarnaast kan de meemoeder door tussenkomt van de rechter het juridisch ouderschap verkrijgen door de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap (sub d) en - zoals reeds onder het oude recht ook al het geval was - door middel van adoptie (sub e).

2.4.7.3. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat [verzoekster] niet de juridische ouder van de minderjarigen is. Beide minderjarigen zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de Wet Lesbisch Ouderschap èn daarnaast is niet voldaan aan het in de wet neergelegde vereiste dat bij de aangifte van de geboorte van de minderjarigen een verklaring dient te zijn overlegd van de Stichting Donorgegevens waarin staat vermeld dat voor het tot stand komen van de zwangerschap gebruik is gemaakt van kunstmatige donorbevruchting in de zin van artikel 1, onder c sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en dat daarbij gebruik is gemaakt van zaad van een aan de geboortemoeder (aanvankelijk) onbekende donor, zodat het juridische ouderschap van [verzoekster] in casu niet van rechtswege door het huwelijk met [verweerster] ontstaan. Voorts leidt de rechtbank uit de in het geding gebrachte stukken af dat een erkenning van de minderjarigen door [verzoekster] (vooralsnog) niet heeft plaatsgevonden. Bij het verzoekschrift is de geboorteakte van de minderjarigen overgelegd zonder nadere vermelding betreffende een eventuele erkenning van de minderjarigen door [verzoekster] . Bovendien blijkt uit het door partijen opgestelde ouderschapsplan dat zij de erkenning van de minderjarigen door [verzoekster] , indien nodig ter bestendiging van de tijdens het huwelijk bestaande familierechtelijke betrekkingen, zelf na de scheiding (alsnog) willen regelen. Tot slot is evenmin gesteld of gebleken dat [verzoekster] middels gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of door middel van adoptie juridisch ouder van de minderjarigen is geworden.

Nu [verzoekster] niet de juridische ouder van de minderjarigen is, is artikel 815 lid 2 sub a Rv niet van toepassing.

2.4.7.4. Op grond van artikel 1:253sa BW oefenen een ouder en diens echtgeno(o)t(e) het gezamenlijk gezag over een staande hun huwelijk geboren kind uit, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staat. Nu naar het oordeel van de rechtbank vast is komen te staan dat de minderjarigen niet tevens in een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staan, zijn [verweerster] en [verzoekster] op grond van voornoemd artikel gedurende het huwelijk gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen belast. Dit brengt met zich dat partijen op grond van artikel 815 lid 2 sub b Rv verplicht zijn om een door hen ondertekend ouderschapsplan op te stellen.

2.4.7.5 Ingevolge artikel 1:253sa lid 2 BW zijn de bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag op het gezamenlijk gezag van een ouder en een ander die niet de ouder is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 1:251 lid 2 en 1:251a lid 2 en 3 BW. Het gezag van de ouder die dit krachtens artikel 1:253sa BW samen met een ander dan de ouder uitoefent, wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling het tegendeel blijkt (artikel 1:245 lid 5 BW). Hoewel met de wettekst van artikel 1:253sa lid 2 BW de indruk wordt gewekt dat het gezamenlijk gezag van een ouder en een ander, die niet de ouder is, na echtscheiding van rechtswege ophoudt te bestaan, leidt de rechtbank uit de wetsgeschiedenis en het bepaalde in artikel 1:253y BW af dat dit niet het geval is. Dit laatste artikel bepaalt immers dat het gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 1:253sa BW eindigt op de dag waarop de beschikking waarbij het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander is beëindigd in kracht van gewijsde is gegaan. Het vorenstaande brengt met zich dat partijen, tenzij de rechter anders bepaalt, ook na de echtscheiding met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen blijven belast. Gelet op het vorenstaande en mede gelet op de referte van [verweerster] , zal de rechtbank het verzoek van [verzoekster] tot opname van het ouderschapsplan in de beschikking op onderstaande wijze toewijzen.

2.4.7.6. De rechtbank gaat er, gelet op de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen regeling met betrekking tot het gezamenlijk gezag en de referteverklaring van [verweerster] , vanuit dat [verweerster] haar zelfstandige verzoeken met betrekking tot het eenhoofdig gezag en het hoofdverblijf niet langer handhaaft, zodat deze verzoeken thans geen bespreking en beslissing meer behoeven.

2.5.

Woning

2.5.1.

Bij brief, ingekomen d.d. 7 juli 2015, van mr. Krijger is namens [verzoekster] haar verzoek strekkende tot toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar ingetrokken omdat de echtelijke woning inmiddels is verkocht, zodat dit verzoek thans geen beoordeling en beslissing meer behoeft.

2.6.

Proceskosten;

2.6.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Middelburg op 7 februari 2007;

3.2.

bepaalt dat de tussen partijen onderling getroffen regelingen zoals opgenomen in het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;

3.3.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.J.M. Lavrijssen op 29 juli 2015.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Bosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.