Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:5020

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
02/705044-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs verkrachting. DNA onderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 02/705044-14 (hoofdzaak) en

12/242128-12 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

raadsman mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juli 2015. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie

mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Sluiskil en/of Sas van Gent, in elk geval

binnen de gemeente Terneuzen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn vinger(s) tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of

die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] bij de schouder

heeft vastgepakt en/of haar achterna is gereden/gelopen en/of vervolgens bij

de keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of een hand over haar ogen heeft

gelegd en/of haar hoofd (hard) op de grond heeft geduwd en/of geduwd gehouden

en/of vervolgens (onverhoeds) zijn hand in de broek van die [slachtoffer]

heeft gebracht/geduwd en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd:"kijk me

niet aan." en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft

doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Sluiskil en/of Sas van Gent, in elk geval

binnen de gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]

te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]

[slachtoffer] ,

- die [slachtoffer] bij de schouder heeft vastgepakt, en/of

- haar achterna is gereden/gelopen, en/of

- vervolgens bij de keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt, en/of

- een hand over haar ogen heeft gelegd, en/of

- haar hoofd (hard) op de grond heeft geduwd en/of geduwd gehouden, en/of

- vervolgens (onverhoeds) zijn hand in de broek van die [slachtoffer] heeft

gebracht/geduwd, en/of

- daarbij dreigend de woorden toegevoegd:"kijk me niet aan.", en/of

- zijn vinger(s) tussen, althans op, de schaamlippen van die [slachtoffer]

heeft geduwd/gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Sluiskil en/of Sas van Gent, in elk geval

binnen de gemeente Terneuzen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handeling(en), hebbende verdachte zijn vinger(s) tussen, althans

op/tegen, de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht, en bestaande

dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld

of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] bij

de schouder heeft vastgepakt en/of haar achterna is gereden/gelopen en/of

vervolgens bij de keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of een hand over

haar ogen heeft gelegd en/of haar hoofd (hard) op de grond heeft geduwd en/of

geduwd gehouden en/of vervolgens (onverhoeds) zijn hand in de broek van die

[slachtoffer] heeft gebracht/geduwd en/of daarbij dreigend de woorden

toegevoegd: "kijk me niet aan.".

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde (poging tot verkrachting) heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , de ondersteunende verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van verdachte voor zover inhoudende dat hij op tijd en plaats van de verweten handelingen aanwezig was en er tussen aangeefster en hem lichamelijk contact is geweest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde – in alle onderdelen - kan komen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Als onweersproken feiten en omstandigheden over het ten laste gelegde staat het volgende vast:

- Verdachte en aangeefster zijn onbekenden van elkaar;

- Verdachte en aangeefster waren op 23 juli 2014, rond 08.30 uur, op de dijk van de Nieuw Vogelschorweg te Sas van Gent, binnen de gemeente Terneuzen;

- Verdachte reed daar op zijn bromfiets, aangeefster was daar aan het hardlopen;

- Verdachte was gekleed in een broek met broekspijpen tot net over de knieën, een T-shirt met korte mouwen, een pet, zonnebril en teenslippers;

- Aangeefster droeg een topje, met daaronder een bh en een hartslagband, een sportbroek met een losse elastische band, geen onderbroek, en sportschoenen;

- Verdachte en aangeefster hebben lichamelijk contact met elkaar gehad en zij hebben met elkaar gesproken;

- Aangeefster heeft tegen verdachte gezegd dat zij kanker heeft;

- Verdachte heeft aangeefster een knuffel gegeven door zijn armen om haar schouders te slaan;

- Aangeefster is 1.68 meter lang; verdachte is langer. Aangeefster kwam met de bovenkant van haar hoofd bij zijn neus.

De verklaringen van verdachte en aangeefster over het ten laste gelegde staan lijnrecht tegenover elkaar.

- Aangeefster verklaart dat zij door verdachte bij haar schouder werd vastgepakt, waarop zij van de dijk is gesprongen en ten val kwam. Liggend op haar rug greep verdachte haar bij haar keel, legde hij een hand over haar ogen en duwde hij haar hoofd (hard) op de grond. Terwijl hij haar aldus vast had stak hij onverhoeds zijn hand in haar broek en betastte hij haar met zijn vinger(s) tussen haar schaamlippen en zei op dreigende toon: "kijk me niet aan";

- Verdachte verklaart dat de motor van zijn bromfiets haperde en dat hij – zoals hem was aangeraden - in het benzineslangetje kneep om te proberen dat te herstellen. Daardoor lette hij niet op de weg en kwam met aangeefster in aanrijding. Hij viel onderaan de dijk bovenop aangeefster en zijn bromfiets viel bovenop hem. Hij ontkent dat hij door aangeefster genoemde gewelds- en seksuele handelingen heeft verricht.

Aangeefster is medisch onderzocht. Uit de verkregen onderzoeksset zedendelicten zijn tien bemonsteringen van het lichaam van aangeefster veiliggesteld, te weten bemonsteringen van het voorhoofd, rondom de ogen en hals/keel en bemonsteringen van de onderbuik, liezen en schaamlippen. Tevens is een bemonstering veiliggesteld van de buitenzijde van de tailleband aan de voorzijde van haar sportbroek.

De bemonsteringen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht en vergeleken met de referentiemonsters wangslijmvlies van aangeefster en van verdachte.

Op basis van de onderzoeken van de bemonsteringen van het op het lichaam van aangeefster aangetroffen celmateriaal is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een ander dan aangeefster zelf. De bemonstering van de buitenzijde van de tailleband aan de voorzijde van de sportbroek is onderworpen aan een zogenaamd

Y-chromosoom-specifiek DNA-onderzoek. Van het mannelijk celmateriaal in die bemonstering is een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen, maar er is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte in de bemonstering.

Gelet op deze bevindingen is voor de rechtbank de vraag gerezen hoe groot de kans is dat verdachte bij de door aangeefster gestelde aanrakingen (een krachtige, kortdurende, greep met één hand om haar keel en één over haar ogen, gevolgd door een aanraking door een hand tussen de blote huid en de sportbroek van aangeefster tot (een) vinger(s) tussen haar schaamlippen) biologische contactsporen (epitheelcellen) heeft overgedragen of achtergelaten. Ter waarborging van de deugdelijkheid van haar bewijsbeslissing heeft de rechtbank bij tussenvonnis die vraag voorgelegd aan de deskundigen van het NFI.

De NFI-deskundige voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie dr. B. Kokshoorn heeft hierover gerapporteerd aan de hand van twee hypothese-paren, te weten:

hypothese 1: Verdachte heeft het slachtoffer krachtig vastgepakt ter hoogte van de ogen en hals/keel.

hypothese 2: Verdachte heeft het slachtoffer niet krachtig vastgepakt ter hoogte van de

ogen en hals/keel, hij is met de brommer bovenop het slachtoffer gevallen.

hypothese 3: Verdachte heeft het onderlichaam van het slachtoffer betast.

hypothese 4: Verdachte heeft het onderlichaam van het slachtoffer niet betast, hij is

met de brommer bovenop het slachtoffer gevallen.

Als evaluatie en conclusies van de onderzoeksresultaten vermeldt het rapport:

Ten aanzien van hypothesen 1 en 2:

- Onder hypothesen 1 en 2 is de kans op het aantreffen van celmateriaal van de verdachte

[verdachte] in (één van) de bemonsteringen van het voorhoofd, rondom ogen en hals/keel van

het slachtoffer groot. De verdachte [verdachte] heeft immers tegen het slachtoffer gepraat en

haar een knuffel gegeven met blote armen boven haar schouders.

- Waarschijnlijkheid van de onderzoeksresultaten onder hypothese l:

Indien hypothese 1 waar is, heeft verdachte [verdachte] rechtstreeks, kort en krachtig contact

gemaakt (vastgegrepen/geduwd) met het gezicht en hals/keel van het slachtoffer. Door

deze handeling is de kans groot om DNA van de verdachte [verdachte] aan te treffen in (één van)

de bemonsteringen van het voorhoofd, rondom ogen, hals en keel van [slachtoffer] . De kans dat er geen DNA van de verdachte wordt aangetroffen is klein.

- Waarschijnlijkheid van de onderzoeksresultaten onder hypothese 2:

Indien hypothese 2 waar is, heeft verdachte [verdachte] rechtstreeks, kort en krachtig contact

gemaakt (hij is bovenop het slachtoffer gevallen en zijn brommer bovenop hem) met het

slachtoffer. De kans om door deze handeling DNA van de verdachte [verdachte] aan te treffen in

(één van) de bemonsteringen van het voorhoofd, rondom ogen, hals/keel van het

slachtoffer is klein. De kans om geen DNA van de verdachte aan te treffen is groot.

- Resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA:

In de bemonsteringen (…) van het voorhoofd, rondom ogen, hals/keel en schouders van het slachtoffer zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte [verdachte] .

- Conclusie:

Op basis van de voorgaande evaluatie concludeer ik dat de onderzoeksresultaten ongeveer

even waarschijnlijk tot iets waarschijnlijker* zijn onder hypothese 2 dan onder hypothese 1.

Ten aanzien van hypothesen 3 en 4:

- Onder hypothesen 3 en 4 is de kans op het aantreffen van celmateriaal van de verdachte [verdachte] in (één van) de bemonsteringen van de onderbuik, liezen en schaamlippen en van de

buiten- en binnenkant van de tailleband van de broek van het slachtoffer klein.

- Waarschijnlijkheid van de onderzoeksresultaten onder hypothese 3:

Indien hypothese 3 waar is, heeft verdachte [verdachte] kortdurend rechtstreeks de onderbuik,

liezen en schaamlippen van het slachtoffer aangeraakt (wrijvend contact met hand/vingers).

In dat geval is er een kleine kans om DNA van de verdachte aan te treffen in (één van) de bemonsteringen van de onderbuik, liezen en schaamlippen en van de buiten- en

binnenkant van de tailleband van de broek van het slachtoffer. De kans op het niet aantreffen van DNA van de verdachte is groot.

- Waarschijnlijkheid van de onderzoeksresultaten onder hypothese 4:

Indien hypothese 4 waar is, heeft verdachte [verdachte] niet de onderbuik, liezen en

schaamlippen van het slachtoffer aangeraakt, maar is hij bovenop het slachtoffer gevallen

en zijn brommer bovenop hem. De kans om DNA van de verdachte [verdachte] aan te treffen in

(één van) de bemonsteringen van de onderbuik, liezen en schaamlippen en van de buiten- en

binnenkant van de tailleband van de broek van het slachtoffer is zeer klein. De kans op

het niet aantreffen van DNA van de verdachte is zeer groot.

- Resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA:

In de bemonsteringen (…) van de onderbuik, liezen en schaamlippen van het slachtoffer en in de bemonsteringen (…) van de buiten- en binnenkant van de tailleband van de broek van het slachtoffer zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte [verdachte] .

- Conclusie:

Op basis van de voorgaande evaluatie concludeer ik dat de onderzoeksresultaten iets

waarschijnlijker* zijn onder hypothese 4 dan onder hypothese 3.

* De verbale term is afkomstig uit een standaard reeks van termen (de linkerkolom in onderstaande tabel). Deze reeks van verbale termen wordt gebruikt wanneer de onderzoeker geen getalsmatige gegevens heeft om een numeriek oordeel expliciet te kunnen onderbouwen. De gebruikte verbale term is onder meer gebaseerd op vakkennis en ervaring opgedaan in (zaken)onderzoek. Om de transparantie voor de lezer en de uniformiteit tussen verschillende deskundigen te bevorderen heeft het NFI de verbale termen numeriek gedefinieerd. Deze definities worden uitgedrukt in ordegrootten die in de rechterkolom staan in onderstaande tabel. Bijvoorbeeld: met de term ‘iets waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten twee tot tien keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is, dan wanneer de andere hypothese

waar is.

Verbale term Ordegrootte bewijskracht

ongeveer even waarschijnlijk 1-2

iets waarschijnlijker 2-10

waarschijnlijker 10-100

veel waarschijnlijker 100-10.000

zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000

extreem veel waarschijnlijker >1.000.000

De conclusie verwoordt de bewijskracht van de resultaten ten aanzien van de hypothesen. De conclusie geeft niet de kans weer dat een bepaalde hypothese waar is. Die kans hangt namelijk ook af van overig bewijs en informatie buiten het forensische expertiseterrein en valt daardoor buiten de reikwijdte van dit rapport.

4.3.2

Conclusie naar aanleiding van het NFI-rapport

Op grond van de hiervoor genoemde bevindingen en conclusies van de NFI-deskundige stelt de rechtbank vast dat het niet aantreffen van (DNA) celmateriaal van de verdachte in de bemonsteringen van het voorhoofd, rondom ogen en hals/keel van aangeefster, de onderbuik, liezen en schaamlippen van aangeefster en in de bemonsteringen van de buiten- en binnenkant van de tailleband van de broek van aangeefster geen uitsluitsel geeft over de vraag of er lichamelijk contact tussen verdachte en aangeefster is geweest. Met andere woorden: lichamelijk contact tussen personen lijkt mogelijk zonder dat er biologische contactsporen (epitheelcellen) worden overgedragen of achtergelaten.

De rechtbank kan op grond van deze bevindingen dan ook geen van de door aangeefster en verdachte genoemde scenario’s met voldoende zekerheid uitsluiten.

4.3.3

De bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat het belastend bewijs, dat de gehele tenlastelegging bestrijkt, afkomstig is uit één bron, namelijk de verklaringen van aangeefster. De getuigenverklaringen vertellen niets over de betrokkenheid van verdachte bij het strafbare feit en evenmin blijkt uit die verklaringen dat de verklaring van verdachte onbetrouwbaar of leugenachtig zou zijn. De resultaten van het nader forensisch onderzoek ondersteunen eerder de lezing van verdachte dan de lezing van aangeefster. Juridisch vertaald is door het gebruik van de hypotheseparen slechts als conclusie mogelijk dat de overtuiging ontbreekt dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is een wettelijk bewijsminimum neergelegd (de zogeheten unus testis nullus testis-regel), inhoudende dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat deze bepaling ziet op de tenlastelegging in haar geheel zodat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging, waaronder begrepen de kern van de strafrechtelijke gedraging, dubbele bevestiging behoeft.

De ten laste gelegde handelingen van verdachte vinden hun bewijs vooral in de verklaringen van aangeefster.

In haar aangifte bij de politie1 en in haar later op verzoek van de verdediging afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris2 verklaart aangeefster dat zij in de ochtend van 23 juli 2014, rond 08.30 uur, aan het hardlopen was over de dijk in de omgeving van Sluiskil. Zij droeg een sportbroek met een elastische band. Zij droeg geen onderbroek. Al hardlopend, met “oortjes met muziek” in, hoort zij een motorachtig geluid en voelt zij ineens een hand aan de bovenzijde van haar linkerarm tegen haar schouder. Een zachte aanraking, alsof iemand haar als het ware korte tijd vastpakt. Al rennend draait zij zich om en ziet een voor haar onbekende man op een brommer. Zij rent verder. De man zit dan nog steeds op zijn rijdende brommer. Hij slaat een arm om haar heen, in een losse greep. Zijn hand ligt dan op haar rechterschouder. Zij weet los te komen en springt met een ongecontroleerde sprong van de dijk. Zij valt voorover op haar handen. Na de val draait zij zich om op haar rug. Heel kort daarna voelt zij één hand op haar ogen en één hand op haar keel. Zij kan haar hoofd niet draaien omdat de man haar krachtig vasthoudt. Hij zegt haar bij herhaling dat zij hem niet mag aankijken. Hij vraagt naar haar naam en woonplaats. Zij zegt deze tegen hem (haar werkelijke voornaam en woonplaats). Hij vraagt ook naar haar achternaam. Zij geeft een andere naam op [naam] ). Terwijl de man zijn ene hand op haar ogen laat liggen, gaat hij met zijn andere hand via haar buik tot in haar broek. De man raakt eerst de binnenkant van haar benen en daarna haar schaamlippen. Hij gaat er tussenin, maar niet erin. Hij wrijft alleen even met zijn vingers. Zij weet niet met hoeveel vingers. Het duurde heel kort, enkele seconden. Terwijl hij dit doet zegt zij tot tweemaal toe dat zij heel erg ziek is, dat zij kanker heeft, dat zij het niet erg vindt wat hij doet, maar dat zij heel ziek is. Daarop haalt de man zijn hand uit haar broek en zegt: “Sorry, kijk nou wat ik doe.” De man staat op, zij staat op en de man loopt met haar naar boven, tot op de dijk. Hij vraagt haar of hij haar pijn heeft gedaan. Zij zegt dat dit niet zo is. Dan vraagt de man of hij haar nog een knuffel mag geven. Dat staat zij toe. Terwijl zij tegenover elkaar staan ziet zij dat de man langer is dan zij. Hij slaat zijn armen om haar heen. Zij weet niet op welke hoogte (bij de politie: hij sloeg zijn armen om mijn schouders heen). De man zegt dat het hem spijt. Zij zegt dat zij het niet erg vindt maar dat zij wel graag verder wil lopen. Vervolgens loopt de man naar zijn brommer. Zij ziet dat een teen van de man bloedt. Zij blijft nog even staan. Nadat de man zijn brommer op de dijk heeft gezet, rent zij weg.

Steun voor de verklaring van aangeefster vindt de rechtbank in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en in de waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] over de emotionele toestand van aangeefster kort na het feit.

- Getuige [getuige 1] verklaart3 dat zij op 23 juli 2014 rond 09.00 uur een meisje, gekleed in hardloopkleding, uit de richting van de Nieuw Vogelschorweg huilend zag rennen. Het meisje was erg aan het snikken en was overstuur. Het meisje vertelde dat zij was aangevallen en dat een man haar bij de keel had gepakt. Getuige zag dat het meisje rode vlekken in haar nek had. Ook zag zij dat het meisje korrels van een plant in haar haren had en dat haar benen vuil en rood waren. Het meisje vertelde dat de man door wie zij was aangevallen op een brommer/motor had gereden en bovenop haar was gesprongen. Getuige is met het meisje in de richting van Sluiskil gelopen. Onderweg kwam een man op een fiets voorbij. Omdat het meisje nog aan het huilen was vroeg de man of alles wel goed ging. Deze man heeft de politie gebeld.

- Getuige [getuige 2] (de man op de fiets) verklaart4 dat hij op 23 juli 2014 rond 09.15 uur een meisje en een wat oudere vrouw in zijn richting zag lopen. De oudere vrouw had een arm om het meisje heengeslagen en het meisje was zichtbaar overstuur. De allereerste reactie van het meisje was: “Ik ben aangevallen”. Getuige kan zich dat nog goed herinneren. Het meisje zei dat het was gebeurd door een kerel op een rode motor. Later in het gesprek begreep getuige dat het om een scooter ging. Getuige heeft 112 gebeld.

- Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , die naar aanleiding van de 112-melding ter plaatse kwamen, verklaren5 dat zij drie personen zagen, waaronder een hevig geëmotioneerd meisje genaamd [slachtoffer] die verklaarde te zijn aangerand door een man op een bordeaux rode scooter. Als informatie over hetgeen was voorgevallen verklaarde aangeefster aan verbalisanten dat zij alleen aan het hardlopen was, dat een man op een rode scooter naast haar kwam rijden die een arm op haar schouder legde. Vervolgens sprong zij uit (een) vluchtreactie de rechterberm in. Hierna kwam de man haar achterna gerend en werd ze door de man fysiek op de grond gehouden en met haar hoofd hard tegen de grond geduwd. Ze voelde dat ze stevig rond haar keel gepakt werd. Eenmaal op de grond zei de man tegen haar dat ze hem niet aan mocht kijken. Op het moment dat ze op grond lag voelde ze dat de man haar lichaam betastte en met zijn hand in haar broek zat in de directe omgeving van haar kruis.

Gelet op de aard van de handelingen waarover aangeefster verklaart is haar emotie aannemelijk. Ook tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 31 oktober 2014 en ter zitting op 6 november 2014 is gebleken dat aangeefster nog zeer geëmotioneerd was als zij over de handelingen verklaarde.

Aan het bewijs van het ten laste gelegde draagt verder bij dat verdachte heeft verklaard6 dat hij op tijd en plaats van de verweten handelingen aanwezig was en dat vast staat dat er lichamelijk contact tussen hem en aangeefster is geweest.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank daarom van oordeel dat daarmee de verklaringen van aangeefster in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en verdachte

De verklaringen van aangeefster en verdachte stemmen op onderdelen met elkaar overeen, zoals het feit dat verdachte aan aangeefster vroeg hoe ze heette, dat zij als haar achternaam “ [naam] ” noemde (verdachte verklaart dat hij later op Facebook nog op die naam heeft gezocht), dat aangeefster zei dat zij kanker had, dat verdachte zijn excuus aanbood en aan aangeefster vroeg of hij haar een knuffel mocht geven. Aldus kan worden vastgesteld dat zowel verdachte als aangeefster over die onderdelen controleerbaar naar dezelfde waarheid hebben verklaard.

Een aantal andere onderdelen van de verklaringen van verdachte vinden echter geen steun in het dossier, zoals het feit dat hij van een vriend had gehoord dat hij in het benzineslangetje moest knijpen als de motor van zijn bromfiets haperde. De betreffende vriend, [naam 1] , heeft verklaard dat hij nog nooit heeft gehoord van het in een benzineslangetje knijpen als de brommer stottert. “Dat is het bizarste wat je ooit kan doen, dat slangetje zit ergens vanonder en daar kan je niet makkelijk bij; dan kun je goed op je plaat gaan”, aldus [naam 1] (p. 205). Ook bij technisch onderzoek aan het brandstofslangetje zijn daaraan geen gebreken geconstateerd (p. 155).

Ook heeft verdachte verklaard dat hij na het voorval meteen naar zijn moeder is gereden en haar over de aanrijding heeft verteld. De moeder van verdachte verklaart dat verdachte haar daarover in de betreffende week niets heeft gezegd (p. 186). Verdachte is vervolgens naar zijn broer gegaan en deze heeft gezien dat een teen van verdachte bloedde. Verdachte heeft tegen zijn broer gezegd dat hij zijn teen had gestoten tegen een stoep en hij heeft niet over het voorval met de bromfiets gesproken (p. 201) of het aan zijn vriendin verteld (p. 169).

Waar onderdelen van de verklaringen van verdachte controleerbaar afwijken van wat getuigen daarover verklaren, bevatten de verklaringen van aangeefster geen tegenstrijdigheden of aantoonbare onjuistheden. Zij heeft direct vanaf het voorval steeds gedetailleerd en consistent verklaard en niet is gebleken dat zij een motief had om de verdachte te belasten.

De rechtbank overweegt nog dat de handelingen van verdachte (het met zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van aangeefster betasten van haar vagina) worden aangemerkt als “seksueel binnendringen” en als “verkrachting” in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden gekwalificeerd. Er is derhalve sprake van een voltooid delict.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 23 juli 2014 te Sluiskil en/of Sas van Gent, in elk geval

binnen de gemeente Terneuzen, door geweld en of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn vinger(s) tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en of

die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] bij de schouder

heeft vastgepakt en/of haar achterna is gereden/gelopen en/of vervolgens bij

de keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of een hand over haar ogen heeft

gelegd en/of haar hoofd (hard) op de grond heeft geduwd en/of geduwd gehouden

en/of vervolgens (onverhoeds) zijn hand in de broek van die [slachtoffer]

heeft gebracht/geduwd en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "kijk me

niet aan." en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft

doen ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster, gepleegd op klaarlichte dag, onderaan de dijk van een openbare weg. Verdachte heeft aangeefster, die aan het hardlopen was, onverhoeds van achteren bij haar schouder gepakt als gevolg waarvan aangeefster uit schrik van de dijk is gesprongen en daar ten val is gekomen. Verdachte heeft een hand over de ogen van aangeefster gelegd en haar krachtig bij de keel gepakt en vervolgens zijn vinger(s) tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht waarbij hij haar op dreigende toon toevoegde dat zij hem niet mocht aankijken. Aangeefster reageerde hierop door niet naar waarheid tegen verdachte te zeggen dat zij het niet erg vond wat hij deed, maar dat zij heel erg ziek was, dat zij kanker had. Door deze uitlatingen stopte verdachte met zijn handelingen. Niet valt uit te sluiten dat aangeefster door haar reactie meerdere (ernstigere) seksuele handelingen van verdachte heeft weten te voorkomen.

Verkrachting is een zeer ernstig feit en verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het gepleegde feit is voor het slachtoffer – een jonge vrouw – een zeer schokkende gebeurtenis geweest die bij haar grote gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Uit haar slachtofferverklaring blijkt welke impact en gevolgen het feit op haar heeft gehad. Zij schrijft dat zij is veranderd van een spontaan en vrolijk en op iedereen vertrouwend en bouwend persoon naar iemand die nog vaak nachtmerries heeft, snel schrikt en in paniek raakt en plotseling heel emotioneel en kwaad kan zijn om de meest flauwe dingen. Zij is haar zelfvertrouwen ver kwijt.

Deze gevolgen van zijn handelingen kunnen verdachte worden aangerekend.

Bij haar oordeel over de op te leggen straf betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze blijken uit de over hem uitgebrachte adviezen

van de reclassering Nederland en de pro justitia rapportages van psychiater G.T. Blok en Gz-psycholoog B.I. Meuwese. Verdachte heeft geen medewerking verleend aan het psychologisch onderzoek. Psychiater Blok rapporteert op basis van zijn onderzoek dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een post traumatische stress stoornis (in verlaat begin). In hoeverre er ook sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis kan de psychiater op basis van de hem beschikbare informatie niet vaststellen of uitsluiten. Ook zijn er op basis van die informatie geen aanwijzingen dat verdachte reeds ten tijde van het ten laste gelegde leed aan de genoemde post traumatische stress stoornis.

Op grond van de conclusies van psychiater Blok is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Ook houdt de rechtbank er bij de straftoemeting rekening mee dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie tweemaal eerder wegens andersoortige misdrijven met justitie in aanraking is gekomen en dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde nog liep in de proeftijd van een voorwaardelijke straf die hem door de politierechter op 12 februari 2013 is opgelegd.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat zij een andere (zwaardere) grondslag voor de straftoemeting heeft dan waar de officier van justitie bij zijn vordering van uit is gegaan (een voltooide verkrachting in plaats van een poging daartoe). Zij heeft voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken in Nederland worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, het opleggen van een deels vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden. Met het opleggen van het voorwaardelijk deel van de straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.700,00 wegens immateriële kosten (psychische schade), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2014.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Gelet op de aard en ernst van het door verdachte toegepaste geweld en de wijze waarop verdachte de lichamelijke integriteit van de benadeelde heeft aangetast, acht de rechtbank de gevorderde schade billijk en niet bovenmatig. Zij acht vergoeding van de immateriële schade dan ook voor toewijzing vatbaar tot het gevorderde bedrag. Zij zal verder bepalen dat het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8 Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Niet vastgesteld is kunnen worden aan wie het voorwerp toebehoort en gebleken is dat het feit met betrekking tot dat voorwerp is begaan.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 12 februari 2013 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 27, 33, 33a, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: Verkrachting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (ACHTTIEN) maanden, waarvan 6 (ZES) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 1.700,00 (één duizend zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] € 1.700,00 (één duizend zevenhonderd euro) te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

Verklaart verbeurd: een boomblaadje met een op bloed gelijkende substantie;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 12 februari 2013 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 12/2421280-12 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van de Poll, voorzitter, mr. G.H. Nomes en

mr. J.J.A. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juli 2015.

Mr. Van de Poll is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (pv), wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het eindproces-verbaal met het nummer 2014161731 d.d. 10 oktober 2014 van de Politie Zeeland-West Brabant, unit Zeden, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 1 t/m 221. Pv d.d. 24 juli 2014 betreffende aangifte van verkrachting gepleegd Nieuw Vogelschorweg, Sas van Gent, binnen de gemeente Terneuzen op 23 juli 2014 tussen 08:50 uur en 09:00 uur, met verklaring [slachtoffer] , pgs. 84 laatste 4 alinea’s, 86, 87, 88 en 90, vijfde t/m achtste alinea.

2 Pv van de rechter-commissaris d.d. 31 oktober 2014 met verklaring [slachtoffer] , blad 2, tweede, derde, vijfde en zesde alinea en blad 3, derde t/m vijfde alinea.

3 Pv verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 23 juli 2014, p. 139.

4 Afzonderlijk opgemaakt pv van verhoor getuige [getuige 2] .

5 Pv van bevindingen, p. 74.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 november 2014.