Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4996

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
11 _ 367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

minuut, prejudiciële vragen, persoonsgegevens, Privacyrichtlijn, arrest Hof C-141/12 en C-372/12

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/54 met annotatie van mr. drs. M. Jansen
JBP 2015/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/367 WBP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2015 in de zaak tussen

[naam1] , eiser,

gemachtigde mr. B.M.A. Scholten,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Bril.

Procesverloop

Op 10 september 2010 heeft eiser op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzocht om toezending van dan wel inzage in de minuut behorende bij het besluit van 6 juli 2010, waarbij de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

Bij besluit van 24 september 2010 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser op 29 april 2011 een beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft op 5 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 oktober 2011 behandeld ter zitting. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Bij uitspraak van 14 november 2011 is het onderzoek heropend in verband met twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 oktober 2011 en 2 november 2011, waarin de Afdeling een oordeel geeft over beroepsgronden die soortgelijk zijn aan de door eiser in de onderhavige zaak aangevoerde gronden.

Bij uitspraak van 15 maart 2012 (de verwijzingsuitspraak) heeft de rechtbank (voorheen de rechtbank Middelburg) het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over vijf vragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij verwijzingsuitspraak van 1 augustus 2012 in de zaken met nrs. 201108135/1/A3 en 201110165/1/A3, heeft de Afdeling het Hof verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zes vragen, de behandeling van het hoger beroep van de minister geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het Hof heeft voornoemde zaken gevoegd behandeld.

Bij arrest van 17 juli 2014 in de gevoegde zaken C-141/12, inzake eiser, en C-372/12, inzake de minister tegen M. en S. (ECLI:EU:C:2014:2081) heeft het Hof de hiervoor gestelde vragen beantwoord.

De Afdeling heeft naar aanleiding hiervan uitspraak gedaan op 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4631.

Eiser en verweerder hebben op respectievelijk 22 augustus 2014, 1 september 2014, 5 februari 2015 en 13 februari 2015 schriftelijke reacties ingediend.

Verweerder heeft bij de reactie van 5 februari 2015 als bijlage een overzicht van de persoonsgegevens van eiser overgelegd, welke is samengesteld op basis van de originele minuut.

De rechtbank heeft op 22 april 2015 de -originele- minuut bij verweerder opgevraagd.

Verweerder heeft op 24 april 2015 de minuut toegezonden aan de rechtbank. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 11 mei 2015 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

De rechtbank heeft kennis genomen van de minuut.

Bij brief van 29 mei 2015 heeft verweerder meegedeeld dat in de bijlage bij de brief van 5 februari 2015 per abuis een weergave is gegeven van een andere minuut dan die waarop het verzoek van de rechtbank betrekking heeft. Verweerder heeft de juiste minuut bijgevoegd en daarbij als bijlage een overzicht van de persoonsgegevens van eiser overgelegd, welke is samengesteld op basis van de originele minuut. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

Op 2 juni 2015 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Bij brief van 5 juni 2015 heeft eiser toestemming verleend om de stukken die eiser niet kent te gebruiken bij de beoordeling.

De rechtbank heeft kennis genomen van de minuut.

Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Op 23 juni 2015 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 13 januari 2009 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 9 juni 2009 is de aanvraag afgewezen. Dit besluit is vervolgens bij brief van 9 april 2010 ingetrokken. Bij besluit van 6 juli 2010 is de aanvraag opnieuw afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 21 september 2011 (AWB 10/27282) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep ongegrond verklaard, welke uitspraak op 8 december 2011 ( 201111152/1/V1) door de Afdeling is bevestigd.

Geschil

2. In geschil is de vraag of verweerder het verzoek van eiser om inzage in, respectievelijk toezending van de minuut behorende bij het besluit van 6 juli 2010 terecht heeft afgewezen.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid, bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Standpunt partijen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de minuut, althans de daarin opgenomen juridische analyse, als zodanig geen persoonsgegeven is in de zin van artikel 1 van de Wbp. Verweerder heeft daarbij de weigering om de minuut aan eiser te verstrekken gehandhaafd. Volgens verweerder kan worden volstaan met een opsomming van persoonsgegevens zoals in het besluit van 24 september 2010 is geschied en een verwijzing naar het reeds bij eiser bekend zijnde procesdossier.

5. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de minuut te verstrekken. Subsidiair stelt eiser dat hem inzage in de gehele inhoud van de minuut, met uitzondering van de gegevens over de opsteller, dient te worden verschaft. Meer subsidiair stelt eiser dat de juridische analyse, inclusief de selectie van de relevante feiten, overgelegd dient te worden. De in het bestreden besluit vermelde opsomming van persoonsgegevens is onvoldoende inzichtelijk. Deze kan niet worden aangemerkt als een adequate verstrekking van de verzochte gegevens.

Prejudiciële vragen

6. De rechtbank heeft bij de verwijzingsuitspraak het Hof de volgende vragen voorgelegd:

1. Zijn de gegevens die in de minuut van betrokkene zijn weergegeven en die betrekking hebben op betrokkene, persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder a, van de Privacyrichtlijn? toevoeging rechtbank: Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens)

2. Is de in de minuut opgenomen juridische analyse een persoonsgegeven in de zin van voornoemde bepaling?

3. Wanneer het Hof bevestigt dat de hiervoor omschreven gegevens persoonsgegevens zijn, dient de verwerker/overheidsinstantie dan ook ingevolge artikel 12 van de Privacyrichtlijn en artikel 8, tweede lid, van het EU Handvest toevoeging rechtbank: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) inzage te geven in deze persoonsgegevens?

4. Kan betrokkene in dit kader ook een rechtstreeks beroep doen op artikel 41, tweede lid, onder b, van het EU Handvest, en zo ja, moet de hierin opgenomen zinsnede “met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid op besluitvorming” zo worden uitgelegd dat het recht op inzage in de minuut op die grond kan worden geweigerd?

5. Wanneer betrokkene verzoekt om inzage in de minuut, dient de verwerker/overheidsinstantie een kopie van dit document te verschaffen om zo recht te doen aan het inzagerecht?

Dictum Hof

7. Het Hof heeft in het dictum voor recht verklaard:

1) Artikel 2, sub a, van de Privacyrichtlijn moet in die zin worden uitgelegd dat gegevens over de aanvrager van een verblijfstitel die zijn weergegeven in een bestuurlijk document, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde „minuut", waarin de gronden worden uiteengezet die de beslismedewerker aanvoert tot staving van het ontwerpbesluit dat hij moet opstellen in het kader van de procedure die voorafgaat aan de vaststelling van een besluit over de aanvraag van een dergelijke titel, en in voorkomend geval die welke zijn weergegeven in de juridische analyse die dat document bevat, „persoonsgegevens" zijn in de zin van deze bepaling, maar dat die analyse als zodanig niet aldus kan worden gekwalificeerd.

2) Artikel 12, sub a, van de Privacyrichtlijn en artikel 8, lid 2, van het Handvest moeten in die zin worden uitgelegd dat de aanvrager van een verblijfstitel een recht heeft op inzage in alle hem betreffende persoonsgegevens die het voorwerp van een verwerking door de nationale overheid vormen in de zin van artikel 2, sub b, van deze richtlijn. Om daaraan te voldoen, volstaat het dat aan die aanvrager een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van deze gegevens wordt gegeven, dat wil zeggen in een vorm die deze aanvrager in staat stelt kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat hij eventueel de hem bij die richtlijn verleende rechten kan uitoefenen.

3) Artikel 41, lid 2, sub b, van het Handvest moet in die zin worden uitgelegd dat de aanvrager van een verblijfstitel zich tegenover de nationale autoriteiten niet op deze bepaling kan beroepen.

De uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4631.

8. De Afdeling heeft overwogen dat uit het arrest van het Hof van 17 juli 2014 in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12 (ECLI:EU:C:2014:2081) volgt dat de in de minuut neergelegde juridische analyse als zodanig niet als een persoonsgegeven kan worden gekwalificeerd. In zoverre valt de juridische analyse als zodanig niet onder het bereik van de Wbp en mist artikel 35 van de Wbp toepassing.

9. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest van het Hof volgt dat gegevens betreffende de aanvrager, zoals diens naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, etniciteit, religie en taal, zonder meer informatie vormen betreffende deze natuurlijke persoon en derhalve als persoonsgegevens in de zin van de Privacyrichtlijn moeten worden aangemerkt. Ook als deze gegevens over de aanvrager in de juridische analyse in een minuut staan en de feitelijke basis vormen voor de juridische analyse, moeten zij als persoonsgegevens in de zin van de Privacyrichtlijn worden aangemerkt. Op deze gegevens is derhalve de Wbp van toepassing.

10. Vervolgens heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest van het Hof volgt dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van deze persoonsgegevens moet worden verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of zij in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt.

11. Na kennisname van voormeld arrest van het Hof heeft eiser – kort en zakelijk weergegeven – primair aangevoerd dat aan hem inzage in de minuut (inclusief de daarin vermelde juridische analyse verschaft dient te worden. Daarbij heeft hij verwezen naar artikel 47 van het Handvest en de Privacyrichtlijn. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat het overzicht van persoonsgegevens dat verweerder bij verweerschrift van 29 mei 2015 heeft verstrekt, onvolledig en niet voldoende inzichtelijk is.

12. De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals volgt uit het arrest van het Hof 17 juli 2014 en de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014 als eerder vermeld, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in de minuut neergelegde juridische analyse als zodanig geen persoonsgegeven is als bedoeld in de Wbp en dat artikel 35 van de Wbp toepassing mist. Eisers hiertegen gerichte grond kan derhalve niet slagen. Ook het beroep op artikel 41 van het Handvest faalt omdat het Hof heeft bepaald dat de aanvrager van een verblijfstitel zich tegenover de nationale autoriteiten niet op deze bepaling kan beroepen.

13. Onder verwijzing naar voornoemde jurisprudentie van het Hof en de Afdeling overweegt de rechtbank dat het aan de lidstaten is om te bepalen in welke vorm de verstrekking van de persoonsgegevens dient plaats te vinden. Verweerder heeft in de schriftelijke reactie van 5 februari 2015 erkend dat in het bestreden besluit niet is voldaan aan de verplichting een volledig overzicht van de eiser betreffende persoonsgegevens te verstrekken en daarbij erkend dat het bestreden besluit op dat punt geen stand kan houden. Bij brief van 29 mei 2015 heeft verweerder alsnog een specifiek overzicht gegeven van de persoonsgegevens die in de minuut zijn opgenomen.

14. Gelet op het voorgaande is het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

15. Na kennisneming van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde originele minuut, behorende bij het besluit van 6 juli 2010, oordeelt de rechtbank als volgt. Het overzicht dat verweerder alsnog op 29 mei 2015 heeft verstrekt bevat de volgende onderdelen: de naam van eiser, het doel van de verwerking, algemene persoonsgegevens -IND-nummer, V-nummer, naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht-, bijzondere persoonsgegevens -etniciteit-, een procedureoverzicht, een samenvatting van het relaas/afgelegde verklaringen, herkomst van gegevens -van eiser en van gemachtigde- en ontvangers van persoonsgegevens- eiser, gemachtigde, het COA en DT&V-. De rechtbank is van oordeel dat dit overzicht aan de criteria, zoals deze door het Hof en de Afdeling zijn bepaald, voldoet, zodat het gebrek daarmee is hersteld.

16. De stelling van eiser dat ook de juridische analyse verstrekt moet worden, kan, zoals volgt uit het arrest van het Hof en de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, niet worden gevolgd. Het beroep van eiser op artikel 47 van het Handvest doet hier niet aan af. Eiser kon tegen de afwijzing van de asielaanvraag immers beroep instellen, zodat een effectieve rechtsgang als bedoeld in voornoemde bepaling mogelijk was.

17. Het beroep is gelet op rechtsoverweging 14 gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu het gebrek door verweerder is hersteld ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

18. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2205,-- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het Hof met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor van 1,5).

De reis- en verblijfskosten worden geacht te zijn verdisconteerd in het te vergoeden bedrag, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet het verzoek van de gemachtigde van eiser om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de behandeling ter zitting bij het Hof afzonderlijk in te willigen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2205,--

(tweeëntwintighonderdvijf euro);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,-- (honderdtweeënvijftig euro)

aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.