Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4949

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
rk-nummer: 15/950, 15/951, 15/952 en 15/953
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

11a Opiumwet; klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering ongegrond.

Conservatoir beslag op bankrekening klaagster in verband met verdenking overtreding nieuwe artikel 11a Opiumwet. Marginale toets. Niet kan worden uitgesloten dat klaagster heeft geleverd aan growshops. Gelet hierop niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

Bd-nummer: -

rk-nummer: 15/950, 15/951, 15/952 en 15/953

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingekomen ter griffie op 18 juni 2015, met betrekking tot voorwerpen, in beslag genomen in de zaak:

[klager 1] , (rk.nr. 15/950)

gevestigd te [adres 1]

en

[klager 2] , (rk.nr. 15/951)

geboren op [geboortedag 1] 1974, te [geboorteplaats 1] ,

wonende aan de [adres 2] ,

en

[klager 3] , (rk.nr. 15/952)

geboren op [geboortedag 2] , te [geboorteplaats 2] ,

wonende aan de [adres 3] ,

en

[klager 4] , (rk.nr. 15/953)

geboren op [geboortedag 3] , te [geboorteplaats 3] ,

wonende aan de [adres 4] ,

allen woonplaats kiezende ten kantore van mrs. F.G.L. van Ardenne en R.J.E Markus, Beursplein 37 (postbus 30106, 3001 DC), te Rotterdam.

Klagers zijn [klager 1] , [klager 2] , [klager 3] en [klager 4] voornoemd.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • -

    het klaagschrift, dat - ondertekend door of namens klagers - tijdig is ingediend ter griffie van het op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering bevoegde gerecht;

  • -

    de kennisgeving inbeslagneming;

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 23 juni 2015, waaruit blijkt dat de officier van justitie, dhr. Van Loon en raadslieden mrs. Van Ardenne en Markus zijn gehoord. Dhr. [klager 3] en [klager 4] zijn niet verschenen.

2 De beoordeling

Namens klagers is aangevoerd dat een bedrag van € 41.730,54 op de bankrekening bij de ABN Amro ten name van [klager 1] (hierna: [klager 1] ) in beslag is genomen in het kader van het nieuwe wetsartikel 11a van de Opiumwet. Klagers betwisten dat er in strijd met dit wetsartikel is gehandeld. Klagers stellen dat [klager 1] geen growshop is, maar een groothandel, gericht op verlichting, klimaatbeheersing en tuinbouw. De goederen die worden verkocht, zijn voor meerdere doeleinden geschikt en zijn in het gewone handelsverkeer niet verboden. Klagers verzoeken om teruggave van dit geldbedrag.

De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat de reden voor controle bij [klager 1] erin gelegen was dat de politie bij growshops folders en bestellijsten van [klager 1] had aangetroffen. De goederen die bij de controle bij [klager 1] werden aangetroffen, kunnen in combinatie met elkaar zeker als “hennep gerelateerd” worden beschouwd. Het ging om grote aantallen goederen. Er is conservatoir beslag gelegd op het geldbedrag blijkens de machtiging conservatoir beslag. De officier van justitie is van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter aan klagers een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, nu klagers ervan worden verdacht dat zij strafbaar hebben gehandeld en daarmee op onrechtmatige wijze geld hebben verdiend.

De verdediging heeft in raadkamer een pleitnota overgelegd. Kortgezegd is betoogd dat de inbeslagname van het geldbedrag op de bankrekening onrechtmatig is, omdat er ten tijde van de inbeslagneming redelijkerwijs nog geen sprake kon zijn van een verdenking van een strafbaar feit. Het staat in zijn geheel niet vast dat de producten die door [klager 1] zijn verkocht in de hennepteelt terecht zijn gekomen. Klagers hebben BTW nummers gecontroleerd, bij de Kamer van Koophandel uittreksels gevraagd en zodoende onderzocht wie hun afnemers waren. De inbeslagname van het geld treft [klager 1] onevenredig nu het bedrijf thans afstevent op een faillissement.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor wie in deze procedure als belanghebbenden moeten worden beschouwd. Nu gesteld is dat de goederen eigendom zijn van [klager 1] , dient [klager 1] als belanghebbende te worden beschouwd. De heren [klager 2] , [klager 3] en [klager 4] zijn, nu zij geen beslagenen zijn en zij evenmin hebben gesteld eigenaar te zijn, naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbenden. Derhalve dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun klaagschrift.

De Opiumwet is gewijzigd bij “Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt”. Hierbij is een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:

Artikel 11a

Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

In artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt strafbaar gesteld het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet betrekking heeft op het handelen in strijd met (onder meer) een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.

Beoordeeld dient te worden of het beslag rechtmatig is gelegd nu hierop namens klagers verweer is gevoerd. In een beklagprocedure dient de vraag of jegens klagers een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond op het moment van de inbeslagneming, te worden beoordeeld met het oog op de beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Het onderzoek in raadkamer strekt zich niet uit tot de vraag of het resultaat van de inbeslagneming voor het bewijs mag worden gebruikt. Overigens was er, gelet op het aantreffen van bestellijsten en foldermateriaal bij growshops, voldoende aanleiding om binnen te treden in het pand van [klager 1] . Nadat er was binnengetreden en een groot aantal goederen in beslag was genomen, waaronder de administratie, was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om conservatoir beslag te leggen op het geld op de bankrekening.

Het beslag op het geldbedrag is gelegd op grond van artikel 94a Sv.

De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (HR 2 juli 2013, NJ 2013, 578).

De rechtbank overweegt dat de politie onderzoek heeft gedaan naar de administratie van [klager 1] . Hieruit is naar voren gekomen dat [klager 1] uitsluitend levert aan bedrijven. Een groot aantal van de afnemers van [klager 1] staat binnen de politie bekend om hun hennepgerelateerde activiteiten. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat [klager 1] na de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet op 1 maart 2015 goederen aan growshops heeft geleverd, terwijl zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Hieraan doet niet af dat [klager 1] onderzoek heeft gedaan naar haar afnemers, nu dit onderzoek blijkens de verklaring van de directeur ter zitting geen betrekking had op de activiteiten van de afnemers. De rechtbank acht het daarom op basis van de thans beschikbare onderzoeksresultaten niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan [klager 1] een geldboete of een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het klaagschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank verklaart klagers [klager 2] , [klager 3] en [klager 4] niet-ontvankelijk in hun klaagschriften;

De rechtbank verklaart het klaagschrift van [klager 1] ongegrond.

Deze beslissing is op 21 juli 2015 gegeven door mr. Ebben, rechter, in tegenwoordigheid van

Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2015.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering)