Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4929

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
02/301438 HA RK 15-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking in procedure 4137662 VV-EXPL 15-46 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0675

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/301348/HA RK 15-110

Beslissing van 24 juli 2015 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), van:

[verzoeksters],

gevestigd te [naamplaats],

verder te noemen verzoeksters.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hierna te noemen zaak;

  • -

    het ter zitting van 29 juni 2015 gedane wrakingsverzoek;

  • -

    de brief met toelichting van het wrakingsverzoek van verzoeksters, ingekomen op 8 juli 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van het verzoek door de wrakingskamer op 10 juli 2015, waarbij namens verzoeksters zijn verschenen dhr. Bos en de gemachtigden mrs. E.K.W Van Kampen en P.J. Huys, en voorts mr. N.C.M. Koch, kantonrechter bij deze rechtbank.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Koch voornoemd, hierna te noemen de kantonrechter, belast met de behandeling van de zaak [eiser] als eiser en verzoeksters als gedaagden (procedurenummer 4137662 VV-EXPL 15-46).

2.2.

De kantonrechter berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 De feiten en de gronden voor wraking

3.1.

[eiser] (hierna te noemen eiser) heeft bij dagvaarding gevorderd bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat in de eerste plaats [gedaagden] en [gedaagden] (hierna te noemen gedaagden), die volgens [eiser] in strijd met artikel 73 van de toepasselijke CAO handelen, de betrokken chauffeurs per direct informeert over dit strijdig handelen op verbeurte van een dwangsom, dat in de tweede plaats gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van 17.500 euro en in de derde plaats dat gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Op 29 juni 2015 heeft de behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Tijdens de behandeling is de kantonrechter gewraakt door verzoeksters.

3.3.

In de na de zitting van 29 juni 2015 ingediende brief voeren verzoeksters twee wrakingsgronden aan. Allereerst is betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op het ter zitting van 29 juni 2015 gedane formele verweer van verzoeksters dat [eiser] een spookpartij is waartegen verzoeksters zich niet kunnen verweren. Verzoeksters hebben in dit verband aangevoerd dat niet is vast komen te staan dat [eiser] als vereniging of rechtspersoon is ingeschreven. De kantonrechter had eerst op dit formele verweer in moeten gaan alvorens over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook tijdens de inhoudelijke behandeling heeft de kantonrechter geen nadere vragen gesteld aan de [eiser] omtrent haar hoedanigheid van procespartij, hoewel dit, gelet op de reactie van de [eiser], voor de hand had gelegen. In de tweede plaats is betoogd dat verzoeksters en haar vertegenwoordigers tijdens de schorsing op de zitting van 29 juni 2015 de zittingszaal hebben verlaten terwijl de kantonrechter met (onder meer) de (vertegenwoordigers van de) [eiser] in de zaal is achtergebleven. Hoewel er geen concrete aanwijzingen zijn dat de zaak in afwezigheid van verzoeksters nog nader is besproken, heeft hiertoe wel gelegenheid bestaan. Dat is reeds voldoende om de schijn van vooringenomenheid te wekken. Dit standpunt is nader onderbouwd met verwijzing naar de uitspraak van de wrakingskamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2014.

3.8.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verzoeksters volhard bij het wrakingsverzoek.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft aangevoerd dat er geen sprake is van vooringenomenheid van zijn zijde. De kantonrechter heeft ter zitting van 29 juni 2015 aan partijen medegedeeld dat hij in het vonnis op het door verzoeksters gedane formele verweer zou ingaan, welk verweer inhield dat [eiser] een spookpartij zou zijn. De kantonrechter heeft op de wrakingszitting van 10 juli 2015 aangegeven dat partijen ten tijde van een inhoudelijke behandeling altijd in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten nader te verwoorden en dat het formele verweer ook dan nog aan de orde had kunnen worden gesteld. Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond, inhoudend dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt omdat de kantonrechter tijdens de schorsing in de zittingszaal achterbleef met mensen van de [eiser] terwijl verzoeksters de zaal hadden verlaten, heeft de kantonrechter gesteld dat er behoudens vertegenwoordigers van de [eiser] ook een groot aantal personen onder wie journalisten in de zaal aanwezig was en hij tijdens de schorsing niet over de zaak heeft gesproken.

5 De beoordeling en de gronden daarvoor

5.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich een dergelijke omstandigheid in het onderhavige geval niet voor.

5.4.

Ten aanzien van de onder 3.3 genoemde eerste wrakingsgrond overweegt de wrakingskamer dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2015 door verzoeksters een formeel verweer is gevoerd waarbij de vraag werd gesteld of [eiser] als rechtspersoon bestond. De kantonrechter heeft blijkens het proces-verbaal gesteld in het vonnis hier nader op in te gaan. De wrakingskamer begrijpt deze wrakingsgrond zodanig dat de weigering van de kantonrechter om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak nader in te gaan op dit verweer, voor verzoekers de schijn tot vooringenomenheid heeft gewekt. Het behoort tot het domein van de zittingsrechter om in het kader van de procesorde te bepalen op welk moment in de procedure op verweren wordt beslist. Dat de zittingsrechter heeft aangegeven bij vonnis op het verweer te beslissen, maakt daarom nog niet dat er sprake is van vooringenomenheid. Verder overweegt de wrakingskamer dat partijen gedurende een inhoudelijke behandeling van een rechtszaak immer in de gelegenheid zijn om hun standpunten (nogmaals) aan de orde te stellen indien partijen menen dat die standpunten onvoldoende aan de orde zijn gekomen of onderzocht tijdens de inhoudelijke behandeling. Nergens is uit gebleken dat voor verzoeksters niet de gelegenheid bestond om na het pleidooi van de [eiser] opnieuw het formele verweer aan de orde te stellen. Een opgewekte schijn van partijdigheid kan uit het voornoemde dan ook niet worden afgeleid.

5.5.

De onder 3.3 genoemde tweede wrakingsgrond kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het verzoek tot wraking. . Hoewel de wrakingskamer wel van oordeel is dat in het algemeen moet worden voorkomen dat een rechter tijdens de schorsing van een rechtszaak met één van de partijen in de zittingszaal achterblijft terwijl de andere partij de zittingszaal verlaat, leidt dit niet tot de conclusie dat er in dit geval sprake is geweest van vooringenomenheid. Daarbij acht de wrakingskamer van groot belang dat behalve de (vertegenwoordigers van de) [eiser] ook pers in de zaal zat en er dus geen gelegenheid is geweest voor de kantonrechter om alleen met de (vertegenwoordigers van de) [eiser] over de zaak te praten. De kantonrechter heeft ook overigens nadrukkelijk aangegeven niet met de achtergebleven partij en pers over de zaak te hebben gesproken.

5.6.

Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer: 4137662 VV-EXPL 15-46 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 24 juli 2015 door mrs. Peters, Steenbeek en

Eijssen-Vruwink, in tegenwoordigheid van de griffier Schuurmans, en in het openbaar uitgesproken.