Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4857

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5522
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende houdt zich bezig met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten op de Nederlandse arbeidsmarkt. De inspecteur is de mening toegedaan dat de verhouding tussen de omzet en het loon in 2012 van belanghebbende anders is dan in 2011 en 2010 en heeft daarom een naheffingsaanslag loonbelasting over het jaar 2012 aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur met deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omzet van belanghebbende in Nederland is behaald met uitzendkrachten die bij belanghebbende in dienstbetrekking waren. Belanghebbende geeft namelijk met hetgeen zij heeft gesteld en aan stukken heeft overgelegd een aannemelijke verklaring voor de gewijzigde verhouding tussen de omzet en het loon. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964, geldigheid: 2015-08-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2131
V-N Vandaag 2015/1880

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 13/5522

uitspraak van 20 juli 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X] (Polen),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].AO112.506) Loonheffingen van € 29.256 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag), alsmede bij beschikking een boete van € 1.462. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 255 aan heffingsrente in rekening gebracht

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2013 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de in rekening gebrachte heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 oktober 2013, ontvangen bij de rechtbank op 11 oktober 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de voormalige bestuurder van belanghebbende, tevens gemachtigde van de curator, [A], tot bijstand vergezeld door de tolk [B], alsmede de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Bleiswijk, en namens de inspecteur [verweerder]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek hervat en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verschaffen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 17 december 2014 afschriften aan partijen is verzonden.

1.6.

Belanghebbende heeft per fax van 2 december 2014 nadere stukken ingediend.

Bij brief van 17 december 2014 heeft de rechtbank een afschrift van de nadere stukken aan de inspecteur verstrekt en tevens is aan de inspecteur verzocht om op voormelde stukken te reageren.

1.7.

Bij brief van 14 januari 2015, ontvangen door de rechtbank op 20 januari 2015, heeft de inspecteur op de nadere stukken van belanghebbende gereageerd waarvan een afschrift op 26 januari 2015 aan belanghebbende is verstrekt.

1.8.

Belanghebbende heeft per fax van 23 januari 2015, op dezelfde dag ontvangen door de rechtbank, het formulier proceskosten ingediend waarvan een afschrift op 26 januari 2015 naar de inspecteur is verzonden.

1.9.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een naar Pools recht opgerichte vennootschap en is in Polen gevestigd. Zij houdt zich bezig met het uitlenen en/of ter beschikking stellen van Poolse werknemers aan Nederlandse en Belgische opdrachtgevers.

2.2.

Belanghebbende is voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan opdrachtgevers om onder diens leiding en toezicht in Nederland werkzaamheden te verrichten inhoudingsplichtig voor de loonbelasting. De werknemers zijn ter zake van hun werkzaamheden in Nederland niet premieplichtig voor de volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.

2.3.

Belanghebbende beschikte over een zogenoemde G-rekening en heeft in april 2012 haar activiteiten in Nederland beëindigd. Eind 2012 is zij door een Poolse gerechtelijke instantie failliet verklaard.

2.4.

Naar aanleiding van de door belanghebbende op 30 juni 2012 en 11 juli 2012 ingediende verzoeken tot deblokkering van het saldo op de G-rekening is namens de inspecteur bij belanghebbende een onderzoek ingesteld. Van dat onderzoek is op 18 maart 2013 een rapport opgesteld. Uit het rapport blijkt onder meer dat het saldo op de G-rekening € 29.256 bedraagt en dat de verhouding omzet/loonsom over de navolgende jaren als volgt kan worden weergegeven:

2010

2011

2012

(jan t/m juni)

Omzet

2.211.654

4.949.775

869.288

Loon voor de loonheffing

2.011.086

1.646.120

42.839

Loon in % v/d omzet

90,9 %

33,2%

4,9%

In het rapport is geconcludeerd dat bij belanghebbende in verregaande mate sprake is van scheefgroei tussen de verhouding loon en omzet en dat het daarom niet onredelijk is om te veronderstellen dat ten minste een heffingsbedrag van € 29.256 niet is verantwoord.

2.5.

Naar aanleiding van de bevindingen van bovengenoemd onderzoek is de naheffingsaanslag met dagtekening 2 april 2013 aan belanghebbende opgelegd.

Tevens heeft de inspecteur op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met paragraaf 24a van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd van 5% van het nageheven bedrag.

2.6.

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase gesteld dat zij in Nederland gebruik heeft gemaakt van ‘subcontractors’, te weten [C] en [D] en dat deze bedrijven de activiteiten van belanghebbende hebben overgenomen. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat zij de volledige omzet heeft gefactureerd, maar dat de loonkosten verdeeld zijn over haarzelf, [C] en [D]. Verder heeft belanghebbende overgelegd:

  • -

    een afschrift van de interne compensatieregeling (‘Set-Off’) tussen belanghebbende, [E], [F], [G] en [H BV]; en

  • -

    de factuur van [H BV] aan belanghebbende voor een bedrag van € 832.100.

Het door de inspecteur opgevraagde gespecificeerde overzicht van de subcontractors met daarbij kopieën van alle ingekomen facturen met bijbehorende specificaties heeft belanghebbende niet overgelegd.

2.7.

De inspecteur acht de door belanghebbende overgelegde gegevens onvoldoende om een financiële aansluiting te kunnen maken en heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de opgelegde verzuimboete gehandhaafd.

2.8.

Belanghebbende heeft in beroep onder meer aangevoerd dat:

  1. [H BV] als subcontractor is ingeschakeld;

  2. [H BV] op haar beurt gebruik heeft gemaakt van subcontractors, te weten [C], [D], [G], [I VOF], [J VOF], [K VOF] en [L VOF];

  3. sommige van haar werknemers al op 1 januari 2012 naar de andere vennootschappen zijn overgegaan en de rest van haar werknemers op 1 april 2012;

  4. haar contracten met diverse opdrachtgevers in 2012 door drie vennootschappen zijn overgenomen en dat deze vennootschappen opnieuw met de activiteiten van belanghebbende zijn begonnen;

  5. zij vanwege oude contractspartijen de gewerkte arbeidsuren eerst aan de opdrachtgevers heeft gefactureerd, de gelden ook heeft ontvangen en dat vervolgens [H BV] aan haar heeft gefactureerd;

  6. [C] en [D] weliswaar in oktober 2012 bij de Belastingdienst als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting zijn aangemeld maar dat deze vennootschappen over de voorafgaande maanden wel loonbelasting hebben afgedragen;

  7. de verschuldigde loonbelasting van de door belanghebbende gefactureerde arbeidsuren inderdaad niet door haar zijn afgedragen, maar door de andere vennootschappen;

  8. de factuur van [H BV] van € 832.100 ziet op de in Nederland én de in België verrichte werkzaamheden;

  9. de omzet van ruim € 294.000 betrekking heeft op de bij opdrachtgevers gedeclareerde huisvestingskosten en kosten van transport van de werknemers.

2.9.

Volgens belanghebbende kan het door haar gestelde cijfermatig als volgt worden weergegeven:

Gefactureerd periode jan. tot begin april 2012

Uitzendactiviteiten via subcontractors

624.734,29

Uitzendactiviteiten via eigen personeel

69.751,36

Huisvestingskosten + transport personeel

294.196,46

Omzet in Nederland

988.682,11

Uitzendactiviteiten in België

713.935,30

Totale omzet

1.702.617,41

Arbeidsuren door belanghebbende aan opdrachtgevers voor werkzaamheden in NLD is gefactureerd:

21.919,5

Waarvan ingekocht via subcontractors

-

de VOF’s in Nederland

12.006

-

[C]

2.989

-

[D]

3.433

-

Uren onverklaard

747

Waarvan verricht door eigen personeel

2.744,5

2.10.

Belanghebbende heeft na het onderzoek ter zitting kopieën van loonaangiften van [C] en [D] over onder meer de periode januari 2012 tot en met 30 maart 2012 overgelegd waaruit blijkt dat over het volgende loon aangifte is gedaan:

Periode 1 januari t/m 30 maart

Loon

Loonbelasting

[C]

30.244

228

[D]

31.843

513

Totaal

62.087

741

2.11.

Belanghebbende heeft over de jaren 2010 tot en met 2012 tot de volgende bedragen loon uitbetaald en loonbelasting afgedragen:

2010

2011

2012

Loon

2.011.086

1.646.120

42.839

Loonheffing

104.183

42.719

2.061

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de inspecteur de naheffingsaanslag alsmede de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde verzuimboete en beschikking heffingsrente, zoals deze luiden na de uitspraak op bezwaar, terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting is aangevoerd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal dat op 17 december 2014 aan partijen is verzonden.

3.3.

Belanghebbende concludeert - naar de rechtbank begrijpt - tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende is een naar Pools recht opgerichte vennootschap en is in Polen gevestigd. Ingevolge artikel 6, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) is inhoudingsplichtige degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan. Artikel 6, lid 2, aanhef en onderdeel a, Wet LB 1964 bepaalt, voor zover hier van belang, dat wie niet in Nederland is gevestigd slechts als inhoudingsplichtige wordt beschouwd voor zover hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep heeft. Ingevolge artikel 6, lid 3, aanhef en onderdeel b, Wet LB 1964 wordt als vaste inrichting in voormelde zin in ieder geval aangemerkt het verrichten van werkzaamheden, die gericht zijn op het verlenen van tussenkomst ten behoeve van degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid in Nederland verrichten en een derde, ten behoeve van wie die arbeid wordt verricht.

4.2.

Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming daarvan ziet laatstvermelde bepaling op ‘uitzendwerkzaamheden’. Met de bepaling is bedoeld om ‘in het buitenland gevestigde uitzendbureaus die geen “echte” vaste inrichting in Nederland hebben maar zich op de Nederlandse arbeidsmarkt bezighouden met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten, inhoudingsplichtig te maken voor de loonheffing’ (Kamerstukken II 1996/97, 25051, nr. 3, blz. 49). Van uitzendwerkzaamheden is sprake indien een werknemer, met instandhouding van zijn dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, door deze ter beschikking is gesteld van een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn (HR 21 november 1997, nr. 16.486, BNB 1998/25). Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende zich bezighoudt met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Wel is in geschil of de gehele omzet van belanghebbende in 2012 is behaald met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten die bij belanghebbende in dienstbetrekking zijn, hetgeen de inspecteur klaarblijkelijk stelt en belanghebbende betwist. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat die arbeidskrachten (voor het grootste deel) niet bij haar in dienstbetrekking zijn, omdat in 2012 gebruik is gemaakt van subcontractors die ten aanzien van die arbeidskrachten volledig aan de inhoudings- en afdrachtsverplichting voor de loonheffing hebben voldaan. Om die reden is volgens belanghebbende van inhoudingsplicht bij belanghebbende geen sprake.

4.3.

De bewijslast dat de betreffende uitzendkrachten bij belanghebbende in dienstbetrekking waren rust naar het oordeel van de rechtbank op de inspecteur. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft de inspecteur gewezen op de verhouding tussen de omzet en het loon in de diverse jaren. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. De omzet van belanghebbende in Nederland bestaat met name uit vergoedingen ter zake van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan bedrijven in Nederland. Die vergoedingen worden berekend op basis van het aantal door die arbeidskrachten bij de betreffende bedrijven gewerkte uren. In de jaren 2010 en 2011 waren deze ‘uitgeleende’ arbeidskrachten in dienstbetrekking bij belanghebbende. Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere verklaring, aangenomen te worden dat de betreffende arbeidskrachten ook in 2012 in dienstbetrekking waren bij belanghebbende. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die een verklaring vormen voor haar stelling dat die arbeidskrachten in 2012 (voor het grootste deel) niet in dienstbetrekking bij haar waren. Belanghebbende heeft als verklaring hiervoor gegeven dat in 2012 door haar op grote schaal gebruik is gemaakt van (sub)contractors, die zelf personeel in dienst hadden en die zelf loonbelasting afdroegen. Als bewijs hiervoor heeft belanghebbende onder meer een overeenkomst (‘outsourcing contract’) tussen haar en [H BV] overgelegd en een aan haar gerichte factuur van [H BV] tot een bedrag van € 832.100. Volgens belanghebbende heeft [H BV] die factuur uitgeschreven namens alle subcontractors en vormt het hierop vermelde bedrag een vergoeding voor alle door [H BV] en andere subcontractors voor Nederlandse (en Belgische) opdrachtgevers. Voorts heeft zij overgelegd kopieën van aangiften/naheffingsaanslagen loonheffing en de verzamelloonstaten van [E] en [D]. Naar de inspecteur heeft gesteld, valt uit deze stukken af te leiden dat de gewerkte uren zoals vermeld in het beroepschrift ook daadwerkelijk door beide vennootschappen zijn aangegeven in de aangiften.

4.4.

Gelet op de door belanghebbende overgelegde stukken en in aanmerking genomen hetgeen zij overigens ter ondersteuning van haar standpunt heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt haar stelling dat in 2012 op grote schaal gebruik is gemaakt van subcontactors die de door belanghebbende aangenomen werkzaamheden met eigen personeel hebben uitgevoerd. Aldus is belanghebbende geslaagd in het geven van een aannemelijke verklaring voor de gewijzigde verhouding tussen de omzet en het loon. Nu de inspecteur zich ter ondersteuning van haar standpunt uitsluitend heeft beroepen op de verhouding tussen de omzet en het loon in de diverse jaren, volgt uit het vorenstaande dat de inspecteur haar stelling - dat de omzet van belanghebbende in Nederland is behaald met uitzendkrachten die bij haar in dienstbetrekking waren - niet aannemelijk heeft gemaakt. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de facturen aan de opdrachtgevers niet zijn overgelegd.

4.5.

Nu de inspecteur haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, is de grondslag aan de onderwerpelijke naheffingsaanslag en aan de boete komen te ontvallen, zodat deze en de daaraan verbonden beschikking heffingsrente dienen te worden vernietigd.

4.6.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskostenvergoeding

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft om een integrale proceskostenvergoeding verzocht van in totaal € 2.114,50.

5.2.

Als hoofdregel worden de kosten voor beroepsmatige verleende rechtsbijstand tot in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vermelde bedragen vergoed. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit kan hiervan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Er is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormelde bepaling indien de inspecteur het verwijt treft dat hij een uitspraak doet of deze in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen in te stellen of ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007/260). Ook als de inspecteur in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire vergoeding van het Besluit (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, BNB 2011/103). De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is. De rechtbank zal daarom overgaan tot veroordeling van de inspecteur in de forfaitaire kostenvergoeding.

5.3.

Voor vergoeding van forfaitaire kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

5.4.

De forfaitaire kosten voor de beroepsfase zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.225 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verstrekken van inlichtingen met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.225;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2015 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen, mr.drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Namens hem tekent mr. C.A.F.M. Stassen.

De griffier, Names de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.