Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4696

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2049
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft aanzienlijke uitgaven aannemelijk gemaakt die niet uit de bij de belastingdienst bekende inkomsten en vermogensbestanddelen kunnen zijn gedaan. Gelet op de hoogte van het aangegeven inkomen leidt dit tot de conclusie dat niet de vereiste aangifte is gedaan. De rechtbank vermindert de aanslag ivm de toetsing van de redelijke schatting.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1840
V-N 2015/45.21.10
FutD 2015-2121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/2049

uitspraak van 16 juli 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 132.673.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2014 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 130.454.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 28 maart 2015, op dezelfde dag ontvangen door de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn broer, [A], en zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Utrecht, en namens de inspecteur, [verweerder]. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [datum] 1960, is gehuwd met [B] (de echtgenote), geboren op [datum] 1961. Zij hebben drie kinderen, waarvan twee in het onderhavige jaar bij hen woonden. Volgens de Gemeentelijke basisadministratie woont belanghebbende met zijn gezin sinds [datum] 2002 op het adres [adres 1] te [woonplaats].

2.2.

Belanghebbende heeft op 1 mei 2006 een vergunning gekregen van de gemeente [woonplaats] voor het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van een terrein ten zuiden van het woonwagenkamp in [woonplaats] voor (dag)handel in oud ijzer. In de vergunning is vermeld dat belanghebbende met ingang van 1 mei 2006 vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend tot 1 mei 2008 voor het realiseren van een (dag)handel op het terrein in oud ijzer.

2.3.

Op 23 juli 2007 heeft belanghebbende zich bij de belastingdienst aangemeld als ondernemer met ingang van 15 mei 2007. De activiteiten van de onderneming bestaan uit de handel in ijzer-/staalschroot en gebruikte auto's. Op 16 juli 2010 heeft belanghebbende zich tevens laten inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Als hoofdactiviteit staat in het handelsregister vermeld: "Groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen". Belanghebbende heeft in zijn aangiften omzetbelasting de volgende omzetten (in €) aangegeven:

2007

200

2008

0

2009

150

2010

4.215

2011

0

2012

0

2.4.

Bij de stukken bevindt zich een stuk, ondertekend door belanghebbende en [C] ([C]) dat luidt als volgt:

Schuldbekentenis

[plaats X]/[woonplaats], 9 juli 2007

[belanghebbende], [adres 1] [woonplaats], handelende voor zichzelf in privé, verklaart in leen te hebben ontvangen van [C], [adres 2] [plaats X] (BRD) een bedrag van € 25.000,-- (vijfentwintigduizend Euro).

Per maand zal € 200 (tweehonderd) worden afgelost. Volledige aflossing is te allen tijde boetevrij toegestaan.

De rente bedraagt 4% per jaar, effectief over het (pro resto) uitstaande bedrag en wordt in de maandelijkse termijnen begrepen.”

2.5.

Met dagtekening 25 maart 2011 verklaart [C] in een brief aan de gemachtigde van belanghebbende het volgende:

Betreft: lening [belanghebbende] te [woonplaats] op 9 juli 2007

(…)

Op uw verzoek bevestig ik u, dat op voormelde lening, van bij aanvang € 25.000, inmiddels (t/m februari 2011) € 9.225 werd betaald, resp. afgelost.

(...)

Zoals de overeenkomst luce claris aangeeft, werd de lening op 9 juli 2007 afgesloten en bij ondertekening op mijn kantoor te Asperen, op genoemde datum in contanten uitgekeerd (voor zover van interesse, grotendeels in coupures van € 50).”

2.6.

In de woning van belanghebbende zijn op 23 juni 2006 bij een huiszoeking door de Regiopolitie Noord-Brabant € 106.450 aan contant geld, hennepplanten en overige verdovende middelen aangetroffen. Naar aanleiding hiervan zijn over de jaren 2005 en 2006 bedragen als resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld. Hierover is tot de Hoge Raad geprocedeerd. In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek is onderzoek gedaan naar de eigendom van het chalet dat geplaatst is op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Onder andere dit proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2010 is door het Openbaar Ministerie aan de inspecteur ter beschikking gesteld en behoort tot de stukken van het geding.

2.7.

Belanghebbende en de echtgenote hebben in de jaren 2001 tot en met 2009 een bijstandsuitkering van de gemeente Oss genoten. Dit is het enige inkomen dat zij over die jaren in de aangiften hebben vermeld. De bijstandsuitkering van zowel belanghebbende als de echtgenote over 2008 was € 9.364.

2.8.

De inspecteur heeft, bij brief met dagtekening 19 augustus 2010, aan belanghebbende medegedeeld dat hij voorlopige aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet zou gaan opleggen omdat uit informatie van het Openbaar Ministerie te Arnhem was gebleken dat belanghebbende in 2008 uitgaven heeft gedaan die niet uit het aangegeven inkomen konden zijn voldaan. Deze aanslagen zijn met dagtekening 3 september 2010 opgelegd. Daarbij is het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met € 97.584.

2.9.

Met dagtekening 23 december 2011 is de definitieve aanslag IB/PVV over 2008 vastgesteld. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met een bedrag van € 123.309 als resultaat uit overige werkzaamheden tot € 132.673. Bij uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op een bedrag van € 130.454. Het bedrag dat uiteindelijk als resultaat uit overige werkzaamheden is bijgeteld (€ 121.090) heeft betrekking op de volgende uitgaven:

Opbouwen woonwagen

10.000

Leges bouwvergunning

1.047

Whirlpool

4.165

Espresso inbouwapparaat

1.026

Vaatwasser

547

Magnetron

272

Oven

405

Keuken

10.750

Tegels keuken

38.928

Vloerverwarming

15.000

Aankoop Mercedes [kenteken 1]

8.950

Aankoop Mercedes [kenteken 2]

30.000

Totaal

121.090

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en – naar de rechtbank begrijpt - vermindering van de aanslag tot een conform de aangifte. De inspecteur concludeert nader tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.454.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De inspecteur verdedigt het standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat hij terecht op grond van artikel 25, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de bewijslast heeft omgekeerd en verzwaard.

Daartoe heeft de inspecteur erop gewezen dat belanghebbende en zijn echtgenote aanzienlijke uitgaven hebben gedaan die niet uit de bij de belastingdienst bekende inkomsten en vermogensbestanddelen kunnen zijn gedaan. De betaalde bedragen kunnen daarom volgens de inspecteur alleen voortkomen uit een niet aangegeven inkomstenbron. De inspecteur stelt dat deze bron resultaat uit overige werkzaamheden is geweest en verwijst voor de berekening van het bedrag van de aanslag naar een door hem opgesteld overzicht van uitgaven en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat de correctie met betrekking tot de vloerverwarming van € 15.000 ten onrechte is opgenomen in de berekening.

4.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat begin 2008 contant geld aanwezig was en de juistheid van deze uitgaven op onderdelen betwist. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij de volgende uitgaven heeft gedaan: opbouwen woonwagen, leges, whirlpool, magnetron, oven en tegels tot een bedrag van € 1.428. Deze uitgaven beliepen in totaal € 17.317.

4.3.

De rechtbank zal eerst beoordelen of belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan, zoals de inspecteur stelt. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank ingevolge artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond, tenzij gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De bewijslast ter zake van het niet doen van de vereiste aangifte rust in beginsel op de inspecteur.

Lening

4.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij op 9 juli 2007 een onderhandse lening van € 25.000 heeft afgesloten bij [C] te [plaats X]. Hij heeft deze stelling onderbouwd met de schuldbekentenis (zie 2.4) en een brief van [C] (zie 2.5). De inspecteur bestrijdt het bestaan van de lening.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft eerder geprocedeerd over de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007. Op verzoek van belanghebbende heeft de rechtbank in die procedure getuigen gehoord op 9 december 2008. In die procedure is de onder 2.4 vermelde geldleningsovereenkomst met [C] niet aan de orde gesteld. Dat zou wel in de rede hebben gelegen, want ook in die procedures ging het over correcties op het aangegeven inkomen vanwege geconstateerde uitgaven. Pas bij de hoger beroepsprocedure bij Hof Den Bosch, en wel vlak voor de zitting op 9 januari 2012, heeft belanghebbende de overeenkomst ingebracht. Indien de lening werkelijk in 2007 zou zijn verstrekt en de overgelegde overeenkomst werkelijk in 2007 zou zijn gesloten en ondertekend, is niet begrijpelijk dat belanghebbende die overeenkomst niet eerder heeft overgelegd dan in 2012. Daar komt bij dat sprake zou zijn geweest van een geldverstrekking in contanten, wat niet gebruikelijk is. Deze feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat de geldlening in 2007 niet bestond maar dat de overeenkomst achteraf is opgesteld om de door belanghebbende gedane uitgaven (deels) te dekken.

4.6.

Hetgeen onder 4.5. is overwogen, leidt tot de conclusie dat belanghebbende geen afdoende verklaring heeft voor de in 4.2. vermelde uitgaven van € 17.317. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende tot een bedrag van € 17.317 andere inkomstenbronnen moet hebben gehad waaruit hij die bedragen heeft kunnen betalen, en dat hij die inkomsten ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld. Gezien de hoogte van het aangegeven inkomen van € 9.364 is het verschil tussen de volgens de aangifte verschuldigde belasting en de werkelijk verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief groot. Dat leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast is dan ook gerechtvaardigd. Het is daardoor aan belanghebbende om aan te tonen dat de aanslag onjuist is en in hoeverre deze onjuist is.

4.7.

Met hetgeen belanghebbende ten aanzien van de correcties heeft aangevoerd, heeft hij de onjuistheid van de aanslag niet aangetoond.

4.8.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat het door hem vastgestelde belastbare inkomen op een redelijke schatting berust. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Mercedes [kenteken 1]

4.9.

De Mercedes heeft van 26 februari 2008 tot en met 3 december 2010 op naam van belanghebbende gestaan. In zijn brief van 23 augustus 2010 heeft belanghebbende verklaard dat hij de personenauto niet heeft aangeschaft. In de brief van 31 december 2010 heeft hij verklaard dat de auto is gekocht met een tic in de motor en direct na aankoop geschorst is voor de motorrijtuigenbelasting. Bij de brief van 30 maart 2011 heeft belanghebbende de aankoopnota van [autobedrijf] op 30 november 2010 als bijlage meegezonden. Eerst in de brief van 11 januari 2013 verklaart belanghebbende dat de auto alleen kort op zijn naam heeft gestaan in verband met de detentie van de zoon. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk en is van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid ervan uit kon gaan dat belanghebbende de auto heeft gekocht en betaald.

Tegels

4.10.

De inspecteur heeft een correctie van € 38.928 toegepast wegens de aankoop van tegels. Belanghebbende heeft gesteld dat hij € 1.428 aan tegels heeft uitgegeven en heeft hiervan een factuur overgelegd. Aan de inspecteur kan worden toegegeven dat op de factuur alleen vloertegels van 58 bij 58 cm worden vermeld, dat er 120 m2 aan tegels zou zijn verkocht met breuk en beschadigingen waardoor een gedeelte (zoals belanghebbende zelf ter zitting heeft bevestigd) niet bruikbaar is en dat in het chalet ook tegels van andere formaten zijn aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat, gelet op de ook aanwezige vloerbedekking, het hele bedrag van € 38.928 aan tegels is uitgegeven. De rechtbank zal het bedrag dat belanghebbende aan tegels heeft uitgegeven in goede justitie schatten op € 10.000.

Mercedes [kenteken 2]

4.11.

De inspecteur heeft de correctie voor deze auto onderbouwd met (een gedeelte van) het proces-verbaal [D]. Hieruit blijkt echter niet dat belanghebbende de (uiteindelijk) rechthebbende was tot deze Mercedes. Nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat belanghebbende deze uitgave gedaan heeft, berust de correctie ter zake bij belanghebbende niet op een redelijke schatting. De inspecteur heeft derhalve ten onrechte dit bedrag als inkomenscorrectie bij belanghebbende in aanmerking genomen.

Overige uitgaven

4.12.

De inspecteur heeft gelet op de gedingstukken, ook de correcties voor de espresso inbouwapparatuur, de vaatwasser en de keuken redelijk vastgesteld.

Conclusie

4.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de aanslag te worden verminderd, in die zin dat het belastbare inkomen moet worden verminderd met € 15.000 (vloerverwarming) + € 28.928 (tegels) + € 30.000 (Mercedes [kenteken 2]) ) of met totaal € 73.928 tot € 56.526.

Heffingsrente

4.14.

Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Niet is gebleken dat de beschikkingen heffingsrente onjuist zijn berekend. Wel dient de beschikking heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag te worden verminderd.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

5.2.

Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt en evenmin ambtshalve aannemelijk is geworden dat hij om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.526;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 980;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2015 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. M.L.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.