Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4642

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
AWB 14_5278
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2924, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/5278 WABO

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Naam bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. M.J. Tunnissen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam familie] , te [plaats] , gemachtigde: mr. A. Vinkenborg.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2014, verzonden 14 juli 2014 (bestreden besluit) inzake de weigering om omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een supermarkt op het perceel [adres] te [plaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 mei 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. M.J. Tunnissen en [naam vertegenwoordiger] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M. Hordijk en [naam vertegenwoordiger2] .

Derde partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 23 augustus 2013 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een supermarkt, het aanleggen van extra parkeerplaatsen en het slopen van garageboxen op het perceel [adres] te [plaats] .

Bij het primaire besluit van 26 november 2013 heeft verweerder de vergunning geweigerd voor wat betreft de activiteit bouwen van een bouwwerk omdat de aanvraag niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein (strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening) en onvoldoende rekening houdt met het laden en lossen (strijd met artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verbetering van de motivering, de weigering in stand gelaten. Dit houdt in dat verweerder de omgevingsvergunning primair heeft geweigerd omdat het bouwplan dient te voorzien in de aanleg van minimaal 30 parkeerplaatsen op eigen terrein, terwijl de aanvraag van eiseres slechts voorziet in de aanleg van 25 parkeerplaatsen. Gelet hierop behoeft de vraag of het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening volgens verweerder geen verdere bespreking en komt er geen nader onderzoek naar de wekelijkse bevoorrading, zoals door de Bezwaarschriftencommissie is geadviseerd.

2. Eiseres heeft in beroep betoogd dat verweerder de omgevingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd omdat volgens haar wel voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Voor wat betreft het laden- en lossen heeft eiseres gewezen op een test met een standaard [Naam bedrijf] vrachtwagen (16,70 m lang en 2,60 m breed) waaruit is gebleken dat tijdens het laden en lossen geen gebruik gemaakt hoeft te worden van openbare ruimte en dat de vrachtwagen niet achteruit hoeft te rijden om van het parkeerterrein af te komen.

3.1

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Oisterwijk, bepaalt – voor zover hier van belang – dat, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

3.2

Volgens vaste jurisprudentie dient bij de beantwoording van de vraag of in voldoende mate parkeerplaatsen zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw, slechts rekening gehouden te worden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een bestaand tekort aan parkeerplaatsen kan als regel buiten beschouwing gelaten worden.

3.3

De gemeentelijke parkeernorm voor een supermarkt bedraagt 3,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Partijen zijn het er over eens dat eiseres volgens deze norm 57 parkeerplaatsen dient te realiseren. Voorts is niet in geding dat de voorheen ter plaatse gevestigde meubelzaak een behoefte van 38 parkeerplaatsen genereerde.

3.4

Eiseres stelt zich op het standpunt dat voorheen 6 parkeerplaatsen op het eigen terrein aanwezig waren en dat het bestaand tekort dus (38 – 6 =) 32 parkeerplaatsen is. Dit betekent volgens eiseres dat zij nog maar (57 – 32 =) 25 parkeerplaatsen behoeft te realiseren. Hierbij gaat eiseres uit van de verklaring van de eigenaar van het pand [adres] te [plaats] dat in het verleden, toen het pand nog in gebruik was als meubelwinkel, op het terrein achter de winkel 6 parkeerplaatsen aanwezig waren en nu nog steeds aanwezig zijn.

3.5

Verweerder stelt zich, in navolging van de Bezwaarschriftencommissie, op het standpunt dat het bestaand tekort (38 – 11 =) 27 parkeerplaatsen is. In deze visie dient eiseres nog (57 – 27 =) 30 parkeerplaatsen te realiseren. Volgens verweerder waren er in het verleden 11 parkeerplaatsen op het terrein achter de winkel aanwezig.

3.6

De rechtbank overweegt dat ter zitting naar voren is gekomen dat op het terrein achter de winkel 11 parkeervakken aanwezig zijn die als zodanig zijn gemarkeerd door witte lijnen. De stelling van eiseres dat 5 van deze 11 parkeerplaatsen onbruikbaar en daarmee niet beschikbaar waren, neemt niet weg dat deze bij de berekening van het bestaande tekort aan parkeerplaatsen betrokken dienen te worden. De rechtbank is met de gemeentelijke Bezwaarschriftencommissie van oordeel dat bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein in de oorspronkelijke situatie, en het daaruit af te leiden tekort in de bestaande parkeerbehoefte, uitgegaan moet worden van het aantal parkeerplaatsen dat objectief bezien – en met inachtneming van de afmetingen uit de bouwverordening zoals die golden ten tijde van de oorspronkelijke situatie – op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden. Niet kan worden aanvaard dat onbruikbaar geraakte of onbruikbaar gemaakte parkeerplaatsen buiten beschouwing blijven. Daarmee zou immers op subjectieve wijze een bestaand tekort vergroot worden. Voorts acht de rechtbank, mede gelet op de overgelegde foto’s, niet aannemelijk dat de bestaande 11 parkeervakken niet zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres ten behoeve van de realisering van het bouwplan ten minste 30 parkeerplaatsen moet aanleggen. Aangezien het bouwplan voorziet in niet meer dan 25 parkeerplaatsen, heeft verweerder terecht de gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een supermarkt geweigerd.

4.1

Artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening bepaalt dat, indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate moet zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4.2

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening, dat de laad- en losruimte is voorzien op het pad dat is gelegen tussen de panden aan de [adres2] en [adres] . Dit pad zal in de beoogde nieuwe situatie ook gebruikt gaan worden door klanten van de supermarkt die met hun auto vanaf de [straatnaam] naar het parkeerterrein willen rijden. Daarnaast rust op de beoogde laad- en losruimte een erfdienstbaarheid om met een (vracht)auto of ander (motor) voertuig of te voet te kunnen komen van en te gaan naar de [straatnaam] en met de auto of ander (motor)voertuig of te voet twee op het perceel [adres2] gelegen garages te kunnen bereiken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op deze aspecten, de geschiktheid van de beoogde laad- en losruimte onvoldoende vaststaat. Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres heeft gewezen op een test met een standaard [Naam bedrijf] -vrachtwagen (16,70 m lang en 2,60 m breed) waaruit is gebleken dat tijdens het laden en lossen geen gebruik gemaakt hoeft te worden van openbare ruimte. Daarvoor is nodig dat de bevoorrading vóór 08:00 uur geschiedt zodat gebruik gemaakt kan worden van enkele lege parkeerplaatsen waarvoor een parkeerverbod zal gelden van 07:00 uur tot 08:00 uur. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat een bevoorrading met een dergelijke vrachtwagen maximaal drie keer per week zal plaatsvinden en dat de afstand tussen het magazijn in [vestigingsplaats] en de winkel in [plaats] in een half uur à drie kwartier overbrugd kan worden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vrachtwagens ook op deze betrekkelijk korte afstand een vertraging kunnen oplopen zodat niet uitgesloten kan worden dat vanwege een na 08:00 uur ter plaatse geparkeerde auto het laden en lossen niet op de beoogde wijze plaats kan vinden. Het afsluiten van het pad tot 08:00 uur, zoals door eiseres is voorgesteld, heeft in die situatie niet het gewenste effect.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet vaststaat dat is voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen en dat derhalve ook artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening aan verlening van de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.

5. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. J.F.I. Sinack en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.

P.H.M. Verdonschot, griffier C.A.F. van Ginneken, voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.