Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4426

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
C/02/290983 / HA ZA 14-867
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

partijen hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin is opgenomen dat indien samenleving anders dan door overlijden eindigt, de artikelen 1:157 tot en met 1:160 BW van overeenkomstige toepassing zijn. Nadat partijen een geschil hadden over de hoogte van de alimentatie is deze door de rechtbank bij vonnis vastgesteld. De vorderingen tot wijziging van de alimentatie op grond van artikel 1:401 lid 4 en/of 1:401 lid 1 BW worden afgewezen, nu dit artikel toepassing mist bij een niet op de wet gegronde verplichting tot levensonderhoud en partijen toepasselijkheid van het artikel niet zijn overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/130

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/290983 / HA ZA 14-867

Vonnis van 8 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.C. Snikkenburg-Den Haan,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 maart 2015 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de op 21 mei 2015 ontvangen brief van de advocaat van de man, met producties 8 t/m 16;

  • -

    de op 21 mei 2015 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw, met producties
    11 t/m 19;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

In conventie vordert de man samengevat -

a - het vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 16 juli 2014 te
wijzigen in die zin dat na te noemen bijdrage met ingang van 1 oktober 2013 danwel 16 oktober 2014 nader wordt vastgesteld op nihil, althans op een lager dan het thans geldende bedrag

- de te betalen onderhoudsbijdrage jaarlijks te verminderen tot het einde van de onderhoudsverplichting uiterlijk op 16 september 2018

b de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van al hetgeen zij na 1 oktober 2013 ten titel van partneralimentatie teveel heeft ontvangen, vermeerderd met executie-kosten en wettelijke rente.

2.2.

De vrouw vordert in reconventie -samengevat- na te noemen bijdrage met ingang van 16 oktober 2014 nader vast te stellen op € 1.442,= per maand voor de wettelijke duur van 12 jaar.

2.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Vanwege hun samenhang worden de vordering in conventie en de vordering in reconventie gezamenlijk behandeld.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie.

3.1.

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben in dat kader met elkaar samengeleefd. De relatie en de samenleving zijn per 1 oktober 2013 beëindigd.

- Partijen hebben op 16 oktober 2008 een notarieel vastgelegde samenlevings-overeenkomst gesloten. Deze bevat -onder meer- de navolgende bepaling:

ALIMENTATIE

Artikel 10 a

indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, zal het bepaalde in de artikelen 1:157 tot en met 160 Burgerlijk Wetboek omtrent alimentatie van overeenkomstige toepassing zijn.”.

- Deze rechtbank heeft bij vonnis van 16 juli 2014 in de zaak onder nummer C/02/282790 HA ZA 14-407 op basis van de hofformule de behoefte van de vrouw per peiljaar 2013 berekend op € 1.306,= netto per maand. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een netto maandelijks besteedbaar gezinsinkomen van
€ 2.527,= , minus € 350,= ter zake kosten van de minderjarige, ofwel € 2.177,= per maand. De rechtbank is bij de berekening van voormeld netto besteedbaar gezinsinkomen uitgegaan van een inkomen van de vrouw van € 2.001,= per jaar, bestaande uit algemene heffingskorting, en een inkomen uit dienstbetrekking van de man van € 37.383,= bruto per jaar en een inkomen uit halfwezenuitkering van circa € 3.700,= per jaar. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vrouw, gelet op haar inkomen uit haar parttime dienstbetrekking van € 9.473,40 bruto, vermeerderd met vakantietoeslag en 13e maand, alsmede rekening houdend met een rendement van 4% uit haar vermogen van omstreeks € 40.000,=, een besteedbaar inkomen heeft van € 847,= netto per maand, zodat zij behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ter hoogte van €459,= netto ofwel € 790,= bruto per maand. Op grond van alle financiële omstandigheden van de man en rekening houdend met de fiscale gevolgen heeft de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig geacht om € 753,= per maand te voldoen aan de vrouw. De rechtbank heeft de man veroordeeld met ingang van 1
oktober 2013 laatstgenoemd bedrag per maand voor levensonderhoud aan de vrouw te voldoen, voor de toekomst bij vooruitbetaling, en bepaald dat deze onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw uiterlijk per 16 september 2018 eindigt.

- Partijen hebben tegen voormeld vonnis geen hoger beroep ingesteld.

3.2.

De man grondt zijn vordering uitdrukkelijk op artikel 1: 401 BW. Hij stelt dat de in het vonnis van 16 juli 2014 vastgestelde bijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat de rechtbank bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4), danwel dat sinds voormeld vonnis de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (lid 1).

3.3.

De man stelt in dit verband het navolgende. De rechtbank is bij de bepaling van de behoefte van de vrouw ten onrechte uitgegaan van de hofformule, aangezien er geen sprake is van lotsverbondenheid. De rechtbank had dienen uit te gaan van de werkelijke behoefte van de vrouw. Bovendien is de rechtbank bij de berekening van de hofformule uitgegaan van onjuiste gegevens (punt 3 en 4 dagvaarding).

Voorts stelt de man dat na het vonnis zijn draagkracht is gewijzigd doordat de gemeen-schappelijke woning van partijen aan derden is verkocht en op 16 oktober 2014 is geleverd en hij voornemens is een woning te huren. Ten slotte dient rekening gehouden te worden met de door hem afgedragen pensioenpremies (punt 5 tot en met 8 dagvaarding)

3.4.

De vrouw betwist dat er op basis van hetgeen de man stelt sprake is van gronden voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. De rechtbank heeft terecht de hofformule toegepast voor de berekening van haar behoefte. Er is wel sprake van lotsverbondenheid. Dit blijkt al uit het feit dat partijen een samenlevingscontract hebben gesloten. De rechtbank heeft echter het netto besteedbaar gezinsinkomen alsmede de draagkracht van de man te laag berekend. (punt 5 tot en met 18 conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie). Het netto besteedbaar gezinsinkomen, rekening houdend met de kosten van de minderjarige van € 62,= bedraagt € 2.821,= per maand. Dit betekent dat de behoefte van de vrouw € 1.692,60 netto per maand bedraagt. Gelet op de door haar als productie 7 overgelegde draagkrachtberekening kan de man een bijdrage voldoen van € 1.442,= bruto per maand De vrouw vordert daarom in reconventie wijziging van het vonnis van 16 juli 2014.

3.5.

De vrouw heeft de grondslag van haar vordering in reconventie niet onderbouwd, zodat deze reeds daarom niet toewijsbaar is. Voor zover de vrouw bedoelt haar vordering bedoelt te gronden op artikel 1: 401 BW lid 1 en 4 geldt hetgeen de rechtbank hierna overweegt ten aanzien van de vordering in conventie van de man.

3.6.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wijziging van het vonnis van de rechtbank van 16 juli 2014 mogelijk is.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat (ex) samenlevers geen wettelijke verplichting hebben om in elkaars onderhoud te voorzien (zie onder meer HR 22 februari 1985, NJ 1986, 82, HR 9 januari 1987, NJ 1987, 927 en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2925 ).

Samenlevers kunnen een dergelijke verplichting wel overeenkomen, hetgeen partijen heb-ben gedaan in de tussen hen gesloten samenlevingsovereenkomst van 16 oktober 2008. Dit betekent dat nu de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw niet is gebaseerd op de wet, maar op een overeenkomst, de algemeen verbintenisrechtelijke bepalingen van boek 6 BW van toepassing zijn.

3.8.

De Hoge Raad heeft met betrekking tot artikel 1:401 BW geoordeeld dat uit de ge-schiedenis van dit artikel en van de wetsartikelen die in vorige versies van het BW dezelfde materie regelden, moet worden afgeleid dat artikel 1:401 BW beperkt is tot overeenkomsten, houdende een regeling van een op de wet gegronde verplichting tot levensonderhoud. (HR 6 januari 1978, LJN: AB7156).

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.7. is overwogen, betekent dit dat artikel 1:401 BW ten aanzien van de onderhavige onderhoudsverplichting niet van toepassing is. Dit zou anders zijn indien partijen in hun samenlevingsovereenkomst uitdrukkelijk de toepasselijkheid van artikel 1:401 BW waren overeengekomen, hetgeen zij niet hebben gedaan. De omstandigheid dat de rechtbank de onderhoudsbijdrage van de man heeft vastgesteld in het vonnis van 16 juli 2014 maakt het vorenstaande niet anders. In die procedure was immers de uitleg van artikel 10a van het samenlevingscontract tussen partijen in geschil.

3.9.

De vordering van de man strekt er bovendien niet toe dat de overeenkomst tussen partijen wordt gewijzigd, maar dat het vonnis van de rechtbank van 16 juli 2014 wordt gewijzigd.

De man had zijn grieven tegen voormeld vonnis in hoger beroep aan het gerechtshof kunnen voorleggen. Nu de man dat niet heeft gedaan is die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Dit heeft tot gevolg dat enkel de eventuele weg van een executiegeschil nog open zou staan.

3.10.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering van de man in conventie wordt afgewezen.

3.11.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

wijst de vorderingen af;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Gimbrère-Straetmans en in het openbaar, bij vervroeging, uitgesproken op 8 juli 2015.1

CK

1 type: coll: