Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4419

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
AWB 15_173
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenvrijlating artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB (thans PW).

Beleid dat individuele beoordeling uitsluit. Betreffende artikel vraagt echter een individuele beoordeling.

Beleid buiten toepassing laten. Beroep gegrond, opdracht nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/173 WWB

uitspraak van 25 juni 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. L. Orie,

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2014 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering om inkomsten vrij te laten bij het uitkeren van de bijstandsuitkering van eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 juni 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit de uitkeringsspecificatie van de maand augustus van 2014 (primair besluit) is af te leiden dat inkomsten ten bedrage van € 47,10 zijn gekort op de uitkering van eiseres.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit houdt in dat het college – conform het door het college gevoerde beleid – geen toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid om de genoemde inkomsten van eiseres vrij te laten op grond van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB.

2. Eiseres voert – samengevat weergegeven – aan dat het beleid van de gemeente Roosendaal ten aanzien van artikel 31 van de WWB – inhoudende dat vrijlating van inkomsten nooit wordt toegepast – onredelijk is, en geen recht doet aan de bedoeling van de wetgever. Zij stelt daarbij dat dit beleid ertoe leidt dat een motivering met betrekking tot de vraag of de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling volledig ontbreekt. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 december 2014, met ECLI:NL:CRVB:2014:3989.

3. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n (voorheen onder o), van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, bepaalt dat niet tot de middelen wordt gerekend inkomsten uit arbeid tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 183,- per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.

4. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het college onder verwijzing naar het gevoerde beleid had mogen afzien van toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het aan het college is om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 april 2010, met ECLI:NL:CRVB:2010:BM4484). Dit betekent dat de rechtbank een marginale toetsing moet uitvoeren. De omstandigheid dat het college vrijheid geniet om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating, laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat het beleid waarop het bestreden besluit is gebaseerd de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten mag gaan.

5. Het college voerde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het beleid dat inkomsten niet worden vrijgelaten bij het uitbetalen van bijstandsuitkeringen. In het beleid is daartoe onder meer overwogen dat een dergelijke vrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

De rechtbank overweegt dat dit beleid de facto erop neerkomt dat het college in geen enkel geval overgaat tot vrijlating van inkomsten op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB, en dat een individuele beoordeling achterwege blijft. Dit betekent dat de belangen van een individuele betrokkene – zoals eiseres – in beginsel niet worden gewogen indien de mogelijkheid bestaat bepaalde inkomsten vrij te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de woorden "zijn arbeidsinschakeling" in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB, wijzen op een door het college te verrichten individuele beoordeling. Een dergelijke individualisering volgt ook uit de wetsgeschiedenis van genoemde bepaling, nu de regering bij invoering van (destijds) artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB, heeft toegelicht dat gemeenten de mogelijkheid moeten hebben "om in individuele gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten uit arbeid gedurende maximaal een half jaar niet worden verrekend met de bijstand" (zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 68).

Tevens wijst de rechtbank op de door eiseres genoemde uitspraak van de CRvB van 2 december 2014, met ECLI:NL:CRVB:2014:3989, waarin is geoordeeld dat aan het in die procedure voorliggende besluit ten onrechte geen deugdelijke, zelfstandige motivering ten grondslag lag met betrekking tot de vraag of vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene.

Het beleid van het college is gezien het voorgaande niet in overeenstemming met de wet, en evenmin met de bedoeling van de wetgever.

De omstandigheid dat het college – blijkens de overweging in het bestreden besluit dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het gevoerde beleid – heeft afgewogen of met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht ten gunste van eiseres moest worden afgeweken van het gevoerde beleid, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze omstandigheid laat immers onverlet dat het college zich in het bestreden besluit uitsluitend heeft gebaseerd op beleid dat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.

Omdat het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, moet het beleid dan ook buiten toepassing blijven. Het college mocht dit beleid dus niet aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.

6. Gezien het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

Omdat door het college niet de uit artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB, voortvloeiende individuele beoordeling heeft gemaakt, kan de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand laten of zelf voorzien in de onderhavige zaak. Uit oogpunt van proceseconomie ziet de rechtbank voorts geen aanleiding de bestuurlijke lus toe te passen.

Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken. Het college zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar moeten beslissen op het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.