Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4012

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
02/297153 / HA RK 15-65
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer: 02/297153 / HA RK 15-65

Beslissing van 13 mei 2015

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 maart 2015 van de enkelvoudige belastingkamer, waarin is opgenomen het door verzoeker op die zitting mondeling gedane wrakingsverzoek;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek op 23 april 2015 ter zitting van de wrakingskamer, waarbij verzoeker en de belastingrechter in persoon zijn verschenen. Voor de belastinginspecteur was [man x] aanwezig.

1.2.

De datum van de beslissing is bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters] Stassen, belastingrechter, die belast is met de gevoegde behandeling van de zaken met nummers AWB 14/3941 en AWB 14/3942 betreffende, kort gezegd, aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2011 en 2012, opgelegd aan de besloten vennootschap Hekkens IJzergieterij B.V. te Heeze.

2.2.

De belastingrechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

De belastinginspecteur heeft aan de besloten vennootschap Hekkens IJzergieterij B.V. te Heeze over de jaren 2011 en 2012 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. Bij besluiten van 19 juni 2014 heeft de belastinginspecteur het bezwaar van de vennootschap tegen deze aanslagen ongegrond verklaard.

3.2.

Als gemachtigde van de vennootschap heeft verzoeker bij brief van 24 juni 2014 beroep bij deze rechtbank ingesteld tegen voornoemde besluiten op bezwaar. Het beroep is in behandeling genomen door het team belastingrecht, waar het beroep naar jaartal is gesplitst in twee afzonderlijke zaken met zaaknummers AWB 14/3941 en AWB 14/3942.

3.3.

Bij brief van 27 juni 2014 is aan verzoeker meegedeeld dat er voor beide zaken eenmalig griffierecht verschuldigd is. Het griffierecht bedraagt € 328,-. Omdat er niet meer dan € 9,- aan griffierecht is ontvangen, zijn de beroepen van de vennootschap bij uitspraak van 30 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft verzoeker namens de vennootschap verzet aangetekend.

3.4.

De behandeling van het verzet door de belastingrechter is gepland voor de zitting van 20 maart 2015. Bij het uitroepen van de zaak is verzoeker verschenen als gemachtigde van de vennootschap. Voor de belastinginspecteur is niemand verschenen. Bij aanvang van de zitting heeft verzoeker de belastingrechter gevraagd of hij een goede rechter is, waarop de belastingrechter bevestigend heeft geantwoord. Volgens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal is vervolgens het navolgende voorgevallen:

Gemachtigde:

Ik dien een wrakingsverzoek in.

Voor mij zijn subjectieve aspecten aanwezig bij de behandeling van dit verzet. U heeft als rechter in Breda en Roermond al eerder zaken die door mij zijn ingediend behandeld, met als resultaat een negatieve uitkomst. Ik kan nu geen objectieve uitspraak meer van u verwachten. Ik wil dat u de zaak voorlegt aan de wrakingskamer.’

Vervolgens heeft de belastingrechter de behandeling ter zitting geschorst tot het moment waarop een uitspraak over het verzoek tot wraking is gedaan.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

4.1.

Volgens het proces-verbaal van de zitting van 20 maart 2015 stelt verzoeker zich op het standpunt dat de belastingrechter al eerder zaken van verzoeker heeft behandeld en dat die zaken met een negatieve uitkomst zijn geëindigd. Daardoor kan verzoeker van deze rechter geen objectieve uitspraak meer verwachten.

4.2.

Ter zitting van de wrakingskamer licht verzoeker toe dat hij de belastingrechter in eerdere zaken is tegengekomen die in Roermond op zitting zijn gekomen. Niet alleen zijn er in die zaken negatieve uitspraken gedaan, ook gedroeg de belastingrechter zich in die zaken niet professioneel. Verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard terwijl hij in de gevangenis zat en daardoor kon de zaak over een Belgische vennootschap van verzoeker niet inhoudelijk worden behandeld. In hoger beroep is de uitspraak van de belastingrechter bevestigd.

Verzoeker vertelt dat hij schrik had toen hij de belastingrechter weer op zitting zag en dat hij al wist hoe de zaak zou gaan aflopen. De belastingrechter heeft ter zitting ook een houding, die hij niet vertrouwt. Verzoeker vertelt dat hij geen enkele belastingrechter vertrouwt die ooit een zaak van hem heeft behandeld. Ze verdraaien alles. Het ergste vindt verzoeker dat hij die rechters in hoger beroep bij het gerechtshof weer tegenkomt. Dat geldt voor de rechters Beukers en Hund.

5 Het standpunt van de belastingrechter

5.1.

De belastingrechter vertelt dat de naam van verzoeker hem ergens wel bekend voorkomt, maar dat hij niets heeft gedaan waaruit bevooroordeling zou kunnen blijken. De belastingrechter probeert alle zaken eerlijk te behandelen.

5.2.

De belastingrechter vindt dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

6 Het standpunt van de belastinginspecteur

6.1.

De vertegenwoordiger van de belastinginspecteur vertelt dat hij niet aanwezig is geweest op de zitting van 20 maart 2015. Hij onthoudt zich van een inhoudelijk standpunt.

7 De beoordeling

7.1.

Volgens artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Het wrakingsverzoek kan worden gedaan door een partij.

7.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid neemt de wrakingskamer als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd.

7.3.

De wrakingskamer stelt vast dat de belastingrechter op 20 maart 2015 voorafgaand aan de wraking nog geen aanvang had gemaakt met de inhoudelijke behandeling van het ingestelde verzet. De bij verzoeker levende vrees van vooringenomenheid van deze rechter komt dan ook uitsluitend voort uit het feit dat deze rechter eerder zaken heeft behandeld met betrekking tot vennootschappen van verzoeker. Volgens verzoeker was de uitkomst in al die zaken negatief.

7.4.

De wrakingskamer begrijpt uit de stellingen van verzoeker dat de belastingrechter nimmer zaken heeft behandeld waarin verzoeker zelf partij was, maar dat verzoeker steeds optrad als de gemachtigde van een zijn vennootschappen. In de onderhavige belastingzaken treedt verzoeker op voor een andere vennootschap dan in de eerdere zaken die door deze belastingrechter zijn behandeld. Het enige verband tussen al die zaken is dat verzoeker de gemachtigde is van al die verschillende vennootschappen. Naar het oordeel van de wrakingskamer bestaat er geen enkele objectieve reden om al die verschillende zaken over verschillende besluiten over verschillende vennootschappen op één hoop te vegen. Dat verzoeker die zaken wel over één kam scheert, maakt de vrees van vooringenomenheid nog niet objectief gerechtvaardigd. Zijn verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.

7.5.

Uit de ter zitting gegeven toelichting van verzoeker maakt de wrakingskamer op dat verzoeker een algemeen wantrouwen koestert tegen elke belastingrechter die ooit een zaak van hem of van één van zijn vennootschappen heeft behandeld. Daarover zegt hij: ‘ze verdraaien alles’, maar deze algemene beschuldiging maakt hij niet concreet. In het onderhavige geval heeft dat wantrouwen ertoe geleid dat verzoeker de belastingrechter heeft gewraakt nog voordat hij was begonnen met het inhoudelijk behandelen van de voorliggende zaken. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker daarmee misbruik gemaakt van zijn recht om de rechter te wraken. Er bestaat een gerede kans dat verzoeker op grond van zijn algemene wantrouwen de behandelende rechter in deze zaken opnieuw zal willen wraken. Hierin ziet de wrakingskamer aanleiding om op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de onderhavige verzetzaken niet in behandeling zal worden genomen.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de verzetzaken met procedurenummers AWB 14/3941 en AWB 14/3942 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit wrakingsverzoek;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de onderhavige verzetprocedures niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 13 mei 2015 door mrs. Peters, Kok en Pellikaan, in tegenwoordigheid van mr. de Baar, griffier, en in het openbaar uitgesproken.