Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4010

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
C/02/290409 / HA ZA 14-830
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Absolute verjaringstermijn in incestzaak. Eisen van redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW baten eiseres niet; overgangsrecht NBW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/290409 / HA ZA 14-830

Vonnis van 17 juni 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats], [land]

eiseres,

advocaat mr. S. van Schaik te Uden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.T.H. Gimbrère te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2015 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat gedaagde volledig de schade van eiseres dient te vergoeden die ontstaan is als gevolg van onrechtmatig handelen van gedaagde; voorts, dat gedaagde veroordeeld wordt tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 15.000,-- aan immateriële schadevergoeding, voorts tot betaling aan eiseres van haar materiële schade nader op te maken bij staat, gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de kosten van psychische behandeling ten belope van € 2.114,40, tot betaling van € 21.281,68 aan gemaakte reiskosten alsmede een bedrag van € 15,04 voor het opvragen van een uittreksel uit het GBA, alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2.

Gedaagde betwist de vorderingen gemotiveerd.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen kan in dit geding als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken van de navolgende feiten worden uitgegaan.

3.2.

Eiseres is de jongste uit een gezin van vier kinderen; gedaagde is de oudste van dat gezin. Eiseres is geboren in 1964 en gedaagde, naar de rechtbank begrijpt, in 1956. In de periode die ongeveer aanving in 1974 en die eindigde in 1981 heeft gedaagde eiseres een aantal malen seksueel misbruikt; in 1981 verhuisde eiseres met haar ouders van Nederland naar Frankrijk. Partijen verschillen van standpunt over de duur, de frequentie en de ernst van dit seksueel misbruik. Toen eiseres 25 jaar oud was heeft zij zich onder behandeling laten stellen van een psychiater; de klachten bestonden uit angsten, seksuele problemen, dwang rituelen en depressies. De behandeling heeft voortgeduurd tot op heden en is uitgevoerd door een reeks van elkaar opvolgende psychiaters; steeds heeft eiseres aan hen te kennen gegeven dat zij te kampen heeft met de gevolgen van een incest verleden. De huidige behandelaar van eiseres, de zevende psychiater, werd door haar in 2011 geconsulteerd en is een behandeling gestart die gericht is op de gevolgen van incest; tevoren waren de behandelingen van de voorgangers van deze psychiater daar niet specifiek op gericht geweest.

In 2011 heeft eiseres besloten om gedaagde verantwoordelijk te stellen voor de door haar als gevolg van seksueel misbruik geleden schade; op 3 mei 2011 heeft eiseres aan gedaagde een e-mail gestuurd met het verzoek om toe te geven dat hij eiseres misbruikt heeft tussen haar 10e en 15e jaar; gedaagde heeft hierop aan eiseres en - overeenkomstig de wens van eiseres- aan andere gezinsleden bevestigd dat hij haar in het verleden seksueel misbruikt heeft. Op 17 september 2012 heeft eiseres strafrechtelijke aangifte gedaan bij de politie ter zake het seksueel misbruik; zij heeft toen te horen gekregen dat strafrechtelijke vervolging niet meer mogelijk is wegens tijdsverloop.

Op 13 mei 2013 heeft eiseres gedaagde aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van het misbruik.

3.3.

Het standpunt van eiseres laat zich als volgt, beknopt en voorzover hier van belang, weergeven.

Vanaf haar 10e jaar heeft gedaagde haar zeer regelmatig betast aan haar borsten en in haar kruis. Dit gedrag van gedaagde is korte tijd onderbroken geweest toen zij 13 of 14 jaar oud was, maar begon daarna weer opnieuw. Het misbruik eindigde toen zij 15 jaar was; toen zij 17 jaar was is zij met haar ouders naar Frankrijk vertrokken. Gedaagde heeft haar ook vaginaal gepenetreerd met een vinger; dit gebeurde vrijwel dagelijks en ving eveneens aan op haar 10e jaar. Eiseres heeft dit misbruik pas aan haar ouders verteld toen zij al naar Frankrijk waren verhuisd. De reactie van haar ouders - met name die van haar moeder die de kwestie bagatelliseerde - was zodanig dat bij eiseres een schuldgevoel ontstond dat haar belette om verdere actie te ondernemen. Ze heeft het misbruik, behalve aan haar behandelaars, alleen verteld aan haar zuster en haar andere broer. Vanaf haar aankomst in Frankrijk ontwikkelde eiseres angstgevoelens, depressie, relatieproblemen, seksuele problemen en angsten; op haar 25e heeft zij zich voor het eerst onder psychiatrische behandeling laten stellen. Deze klachten, welke klachten volgens eiseres terug te voeren zijn op het seksueel misbruik, hebben haar verdienvermogen nadelig beïnvloed alsmede het vermogen om een vaste relatie met een partner aan te gaan. Daarnaast hebben die klachten haar veel leed berokkend en heeft zij kosten van diverse aard moeten maken om zich gedurende vele jaren onder psychiatrische behandeling te laten stellen.

Pas in 2011 kon eiseres de moed oppakken die haar eerder ontbrak om gedaagde aan te spreken voor de diverse soorten schade die zij tot dan toe had geleden. Volgens eiseres was zij tot mei 2011 psychisch niet in staat om haar schade te claimen bij gedaagde. In de e-mail wisseling tussen eiseres en gedaagde van mei 2011 heeft gedaagde erkend, dat hij seksueel misbruik heeft gepleegd.

3.4.

Het standpunt van gedaagde luidt zakelijk weergegeven als volgt.

Het is juist dat hij eiseres een aantal keer seksueel misbruikt heeft toen eiseres 10 jaar oud was. Daarna is dat gestopt. Echter anders dan eiseres stelt bestond dit misbruik louter uit het seksueel betasten van eiseres en uit een eenmalige vaginale penetratie met een vinger.

Gedaagde stelt dat hij daarna, met name naarmate de jaren vorderden, wroeging heeft gekregen over zijn gedrag van toen. Hij heeft het seksueel misbruik desgevraagd per mail toegegeven zowel aan eiseres als aan de andere gezinsleden.

Gedaagde betwist dat de gezondheidsklachten van eiseres terug te voeren zijn op dat seksueel misbruik en dat het misbruik de bron is van de door eiseres beweerde klachten op het terrein van carrièreverloop, het aangaan van langdurige vaste relaties, angsten en seksuele problemen.

Volgens gedaagde is de rechtsvordering van eiseres al geruime tijd geleden verjaard. Hij betwist dat hij in mei 2011 de rechtsvordering van eiseres erkend heeft; als zijn e-mail wèl als een erkenning van een rechtsvordering moet worden opgevat dan heeft het in elk geval niet het effect van stuiting gehad, omdat de rechtsvordering van eiseres toen al lang tevoren verjaard was.

3.5.

Het meest vergaande verweer van gedaagde is het beroep op verjaring. Daarom bespreekt de rechtbank dit verweer als eerste.

Als de rechtbank uit gaat van de lezing van eiseres dan is de periode van seksueel misbruik eerst geëindigd toen zij 15 jaar oud was, dus ergens in 1979. Daags na dat einde ving de verjaringstermijn aan; volgens het toen geldende recht, te weten artikel 2004 BW (oud), bedroeg de verjaringstermijn 30 jaar; op 1 januari 1992 is als onderdeel van het Nieuw Burgerlijk Wetboek art. 3: 310 lid 1 BW ingevoerd, waarin onder meer werd opgenomen, dat rechtsvorderingen zoals de onderwerpelijke in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Dit artikellid - dat nadien inhoudelijk weliswaar is veranderd, maar niet wat betreft deze twintigjaars termijn - kwam in de plaats van dat artikel 2004 BW oud; de inwerkingtreding was onmiddellijk op grond van artikel 68a lid Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek. Op grond van dit overgangsrecht moet het er dus voor gehouden worden, dat het vorderingsrecht van eiseres na ommekomst van de twintig jaar in elk geval verjaard is ergens in het jaar 1999.

3.6.

De vaststelling, dat de rechtsvordering ergens in 1999 is verjaard lijdt uitzondering als aanvaard moet worden dat sprake is geweest van stuiting van een lopende verjaring. Eiseres bepleit dit in alinea 28 van de dagvaarding: zij stelt daar dat gedaagde uit schaamte en schuldgevoel jarenlang cadeaus naar de kinderen van eiseres heeft gestuurd waardoor hij als het ware zijn daden “goed” probeerde te maken; bovendien heeft gedaagde in zijn mail van 10 mei 2011 zijn excuses aangeboden voor hetgeen er in het verleden gebeurd is. Daarmee heeft hij de feiten erkend.

Eiseres heeft gelijk wanneer zij stelt dat erkenning van het vorderingsrecht door de schuldenaar een stuitende werking heeft. Echter, voor zover al in de mail van 10 mei 2011 gelezen kan worden dat gedaagde dit vorderingsrecht heeft erkend geldt dat gedaagde deze mail heeft gestuurd op een moment dat de absolute termijn van 20 jaar al vele jaren verstreken was. Stuitende werking kan deze mail daarom dus al niet gehad hebben.

Evenmin kan gezegd worden dat de beweerde zending van cadeaus aan de kinderen van eiseres op te vatten is als een vorm van erkenning van het door eiseres beweerde vorderingsrecht.

De slotsom is dat er dus geen sprake is geweest van enige stuiting.

3.7.

Bij de behandeling van de rechtsfiguur van de relatieve verjaringstermijn van - in dit geval- vijf jaar heeft eiseres beargumenteerd dat zij niet in staat is geweest om haar rechtsvordering eerder dan in 2011 in te stellen, dit omdat, zeer kort gezegd, zij tot die tijd in een zodanig psychische toestand verkeerde dat zij niet de kracht had om in actie te komen en gedaagde aansprakelijk te stellen. Zij verbindt hieraan het juridische gevolg dat de vijfjaarstermijn niet eerder dan in 2011 is aangevangen en dus ten tijde van het instellen van de vordering nog niet was verstreken.

Het antwoord evenwel op de vraag of eiseres al dan niet in staat is geweest om als gevolg van haar psychische toestand op een eerder moment dan in 2011 haar rechtsvordering in te stellen kan achterwege blijven. Immers, dat antwoord kan relevantie hebben bij het beoordelen of de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar verstreken is, hier echter kan vastgesteld worden dat de absolute verjaringstermijn van 20 jaar ruimschoots gepasseerd is. Eiseres heeft dit ook erkend in alinea 33 van de dagvaarding.

3.8.

Hoewel deze periode van 20 jaar inmiddels ruimschoots gepasseerd is, aldus eiseres, dient deze absolute verjaringstermijn doorbroken te worden. Zij doelt hier op de werking van artikel 6: 2 BW, die met zich brengt dat een tussen schuldeiser en schuldenaar geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dit geval dient individuele gerechtigheid voorrang te krijgen boven het recht van gedaagde om zich op verjaring te beroepen; dit gelet op de ernst van het seksueel misbruik en het feit dat eiseres pas ruim na 30 jaar openheid van zaken heeft durven te geven in verband met het voortduren van de psychische schade. Zij was wegens psychische overmacht niet in staat om eerder daadwerkelijk over te gaan tot het instellen van een rechtsvordering tegen gedaagde; zij wijst er op dat rechtspraak waarin tot uiting wordt gebracht dat er geen uitzonderingen op de absolute verjaringstermijn gemaakt dienen te worden, voornamelijk ziet op problemen op het gebied van waarheidsvinding; immers naarmate de tijd langer verstreken is wordt waarheidsvinding problematischer. In dit geval echter, aldus eiseres, speelt waarheidsvinding geen rol omdat gedaagde goeddeels heeft bekend.

3.9.

Blijkens bestendige uitspraak van de Hoge Raad (confertur onder meer ECLI:NL:HR:2000:AA5635) heeft de termijn van 20 jaar in art. 3:310 BW een objectief en absoluut karakter; dit karakter is met name ingegeven door het belang van rechtszekerheid en billijkheid ten opzichte van de aansprakelijke partij. Dit betekent dat strikt de hand dient te worden gehouden aan toepassing van deze termijn van 20 jaar, zelfs in situaties waarin deze toepassing vanuit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degenen die schade heeft geleden moeilijk te aanvaarden is.

Evenwel, zo leert de rechtspraak van de Hoge Raad, dit beginsel van rechtszekerheid en billijkheid ten opzichte van de aansprakelijke partij brengen niet mee dat de absolute verjaringstermijn van 20 jaar nooit op grond van artikel 6: 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Onaanvaardbaarheid in de zin van dit artikel is gelet op de zwaarte van voormelde belangen pas aan de orde in uitzonderlijke gevallen. Een dergelijk uitzonderlijk geval dient zich met name aan wanneer het onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan, de schade verborgen is gebleven en zich pas geopenbaard heeft na ommekomst van de verjaringstermijn. Als een dergelijk uitzonderlijk geval zich al voordoet dan nog is niet zonder meer een situatie gegeven van onaanvaardbaarheid in de zin van artikel 6:2 BW; vervolgens namelijk moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld of een beroep op de verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, welke beoordeling dient te geschieden aan de hand van een reeks in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde gezichtspunten.

3.10.

De door eiseres genoemde feiten en omstandigheden kwalificeren niet als een uitzonderlijk geval zoals hierboven bedoeld en dat in aanmerking zou kunnen komen om de absolute verjaringstermijn te doorbreken.

3.11.

Hetgeen hierboven is overwogen leidt tot een slotsom dat de rechtsvordering van eiseres is verjaard en dat zij dus niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, een en ander zoals hierna in de beslissing verwoord.

3.12.

Eiseres wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, te weten de advocaatkosten en het griffierecht.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vorderingen,

4.2

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding deze voorzover gerezen aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.772,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.1

1 type: coll: