Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:4000

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 7302
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1835, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2908, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4054, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting - AWBZ-gelden aangewend ter bevrediging privégenoegens (dochter) belanghebbende - omkering bewijslast

De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende als bestuurder van de stichting C zijn dochter in staat heeft gesteld om privé gebruik te maken van de zorgmanege. Een aanzienlijk deel van de kosten die betrekking hebben op de dressuurpaarden is naar het oordeel van de rechtbank gemaakt ter bevrediging van de privégenoegens van belanghebbende en zijn dochter. De rechtbank stelt dit privé deel in goede justitie vast op een bedrag ter grootte van ¼ van de kosten van de manege en acht dat bedrag ook redelijk. Dit leidt tot de conclusie dat de inspecteur terecht omkering van de bewijslast heeft gesteld. Ook voor de overige correcties (op één correctie na) is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid kon concluderen dat tot de gestelde bedragen sprake was van door Stichting C gemaakte kosten ten behoeve van belanghebbendes privégenoegens.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1405
FutD 2015-1584
NTFR 2015/2039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers: AWB 13/7302 en AWB 13/7303

uitspraak van 3 juni 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 2008 en 2009. De aanslag over 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.657.117 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.773. De aanslag over 2009 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.660.517 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 8.078.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 5 december 2013 (2008) en

10 december 2013 (2009) het belastbaar inkomen uit werk en woning van 2008 verminderd tot € 693.890 en dat van 2009 tot € 699.157.

1.3.

Over beide jaren zijn ook aanslagen premie Zorgverzekeringswet opgelegd. De aanslag voor het jaar 2008 is vernietigd op 28 maart 2014, de aanslag voor 2009 is vernietigd bij beschikking van 25 maart 2014.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brieven van 19 december 2013, ontvangen bij de rechtbank op 24 december 2013, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van tweemaal € 44. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 21 januari 2014.

1.5.

De inspecteur heeft op 10 maart 2014 verweerschriften ingediend en aangevuld bij brief van 17 maart 2014.

1.6.

De inspecteur heeft nadere stukken ingediend bij brief van 4 juni 2014. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek en nadere stukken ingediend in twee brieven van 4 juni 2014. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 10 juni 2014. De griffier heeft van alle stukken kopieën naar de wederpartij gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014 te Breda.

Voor een overzicht het verhandelde ter zitting en de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal dat op 7 juli 2014 naar partijen is gezonden. De rechtbank heeft de behandeling geschorst. De inspecteur heeft nadere informatie verstrekt bij brief van 14 juli 2014. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingezonden bij brieven met dagtekening 5 augustus 2014 en 15 augustus 2014. De griffier heeft van alle stukken kopieën naar de wederpartij gezonden. Met toestemming van partijen om een nadere zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende woonde in 2008 en 2009 met zijn partner

[A] (hierna: [A]) op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Belanghebbende heeft een dochter, genaamd [B] (hierna: de dochter). Zij is in 2010 afgestudeerd als forensisch psychologe. Zij rijdt paard en neemt deel aan dressuur-wedstrijden.

2.2.

Belanghebbende was sinds [datum] 1983 werkzaam bij de [Stichting C] (hierna: [Stichting C]). In de jaren 2008 en 2009 was belanghebbende enig bestuurder van [Stichting C]. [Stichting C] had in die periode een Raad van Toezicht (hierna: RvT), bestaande uit 4 of 5 leden. [Stichting C] is opgericht in 1983 en verzorgt dag- en woonopvang voor volwassenen met een lichamelijke, zintuigelijke of meervoudige beperking of niet-aangeboren hersenletsel.

2.3.

In de vergadering van de RvT van 17 december 2003 is het voorstel besproken om een tweede stichting op te richten waar [Stichting C] zorg zou kunnen inkopen. Belanghebbende zou dat voorstel nader uitwerken. Op 25 augustus 2004 is een AWBZ-convenant gesloten tussen de overheid en de vereniging zorginstellingen Nederland. Onderdeel daarvan was dat geen sprake meer was van gegarandeerde budgetten maar dat middelen die vrijvielen door onderproductie van instellingen beschikbaar gesteld moesten worden voor knelpunten in de regio en aan andere instellingen. In het verslag van de vergadering van de RvT van 14 juni 2004 is opgemerkt: “ heeft gezegd dat als ze haar begroting helemaal op tafel legt, ze zich financieel niet veel kan permitteren. Als men een BV opricht, ligt dit anders. Dan kunnen gelden veilig worden gesteld”.

2.4.

In juli 2005 is de [Stichting D] opgericht (hierna: [Stichting D]) die op haar beurt op [datum] 2005 [E BV] (hierna: [E BV]) heeft opgericht. Alle aandelen in [E BV] werden gehouden door [Stichting D], die tevens bestuurder was van [E BV]. Gevolmachtigd namens [Stichting D] was [A]. Bij een statutenwijziging op

[datum] 2008 is vastgelegd dat ten minste één van de bestuursleden van [Stichting D] tevens bestuurslid moest zijn van [Stichting C]. Dat was vanaf [datum] 2008 tot 19 juli 2012 belanghebbende.

2.5.

[Stichting C] exploiteerde vanaf 2004 een zorgboerderij gelegen aan de [adres 2] te [plaats F] (hierna: de zorgboerderij), die zij huurde van de eigenaar, [G] (hierna: [G]). De zorgboerderij werd gebruikt voor dagbesteding van cliënten van [Stichting C] met een handicap. De controller van [Stichting C], [H], heeft op 26 mei 2006 ten behoeve van de accountantscontrole en jaarrekening 2005 een business case opgesteld over de aankoop van de zorgboerderij en over een te verwerven manege. Naar de business case wordt verwezen in de presentatie van Deloitte van de controle van de jaarrekening 2005 die in de vergadering van de RvT van 23 mei 2006 is gegeven. In die business case staat onder meer:

“Tevens is met het zorgkantoor gesproken over uitbreiding van deze succesvolle activiteiten in regio [plaats F]/[plaats I]. Hiertoe is gezocht naar uitbreidingsmogelijkheden en eventueel een tweede boerderij gecombineerd met manege activiteit. Terzake is door de RvB overleg gevoerd met boer [G] inzake de bezittingen (grond, manege, bebouwing) in [complex]/[plaats I]. Gezien de voortgang van het traject, verwachte investering ongeveer 2 mio en besluitvorming door Raad van Bestuur in overleg met Raad van Toezicht om dit project voort te zetten is mede om voldoende gronden voor de activiteiten veilig te stellen in 2005 reeds aankoop van gronden plaatsgevonden. Er volgen in 2006 en later nog diverse andere geplande aankopen/percelen (10 hectare in [plaats F]/12 hectare in [plaats I]). Deze gronden kunnen, als gevolg van mogelijke toekomstige ruilverkaveling, altijd ingezet worden voor boerderijactiviteiten. Tevens zullen deze gronden als landbouwgrond de waarde behouden. Activering van deze uitgaven is derhalve aanvaardbaar.

Ter voorbereiding op de manegeactiviteiten en mede tbv kweken goodwill bij [G] en overige partijen heeft in 2005 aanschaf van paarden plaatsgevonden welke deels betrekking hebben op de manege activiteiten (in totaal 25 nodig), en deels betrekking hebben op activiteiten van een cliënt welke zal deelnemen aan de paralympics, namens [Stichting C]. Dit wordt als promotionele activiteit bezien voor [Stichting C] en als activiteit voor de betreffende cliënt; imago voor kwalitatieve beleving van [Stichting C] en lichamelijk gehandicapten in het algemeen. De combinatie van aankopen, beheer en training van paarden heeft voordelen voor zowel de manege activiteit als de ondersteuning van de gehandicaptensport.

Doel is uiteindelijk een manege activiteit op te zetten in [plaats I], met een bedrijfsmatige insteek, waarbij ihkv integratie van cliënten van [Stichting C] met buitenstaanders beide groepen aan de manege activiteit kunnen deelnemen (‘genormaliseerd kunnen werken’). (…)

De boerderij/manege activiteiten zullen bedrijfsmatig gezien niet tot normale rendementen komen, gezien de doelstelling van de activiteiten voor cliënten van [Stichting C]. (…)

De uitgaven voor levende have, inclusief paarden, zijn op basis van gebruiken in de agrosector als kosten verantwoord. Het promotionele aspect, duurdere paarden/kosten van begeleiding van gehandicapten sporters, dient eveneens in de kosten verantwoord te worden. De RvB houdt een strikte voorraadadministratie bij van alle ‘levende have”. (…) Ten aanzien van controle/governance aspecten (…)

De Raad van Toezicht heeft uitgebreid de casuïstiek met de RvB besproken, blijkens de toelichtingen in de vergadering dd 23/5/2006.(...) Dat [Stichting C] als vernieuwende stichting de ‘grenzen’ opzoekt, wordt ook door de RvT bevestigd. (…)

Doorlopen stappen in het kader van de accountantscontrole terzake: (…) – uitgaven voor levende have en paarden voor promotionele activiteiten uitgebreid besproken met de Raad van Bestuur ihkv het opzoek van de grenzen. De motivering van de Raad van Bestuur ligt in lijn met zorgverleningsactiviteiten en ontplooiing van mensen met een lich. Handicap en promotie van [Stichting C] als organisatie.”

2.6.

De RvT heeft in de vergadering van 3 oktober 2006 het voornemen tot verwerving van de zorgboerderij en het complex [complex] (bestaande uit een manege met woonhuizen en grond gelegen te [plaats I] in de [gemeente G]) goedgekeurd. In de vergadering van de RvT van 5 maart 2007 is vervolgens vastgelegd dat de zorgboerderij en de manege per

1 april 2007 zouden worden overgenomen door [Stichting C]. Bij de overname was een aantal externe deskundigen betrokken. Over de aankoop staat in het verslag van de vergadering van de RvT onder meer het volgende:

“De afspraken m.b.t. de zorgboerderij zijn rond. De situatie m.b.t. de manege is minder ingewikkeld maar ondoorzichtig. De boer wil zelf 40 paarden houden, onder het terrein ligt drijfmest opgeslagen, waar geen boekhouding van is. Dit moet per 1 april leeg zijn, alleen de opslagruimte wordt gekocht. Het is de bedoeling hier regenwater in op te slaan. De boerderijen worden overgenomen door de [Stichting D] [[Stichting D]]. [Stichting C] zal bij de nieuwe stichting plekken inkopen voor cliënten. Het huidige aantal plekken bedraagt 20. Er kunnen veel meer openstellingsdagen gerealiseerd worden en er is veel vraag. De bedrijfsvoering van de boerderijen wordt op 0 gezet, hoewel dit niet helemaal reëel is, daar de gewone landbouwprojecten doorlopen. Bij [G] worden nu 4 panden verhuurd, en worden er paarden gestald. (…) [Stichting C] zal bij [[Stichting D]] voor 36 cliënten middels een zorgkoopcontract zorg inkopen. Het bedrag op jaarbasis is € 985.932,-.(…) Het contract zal voor 5 à 6 jaar worden afgesloten. (…) In het eerste jaar zal de nadruk liggen op het opschonen van de activiteiten zodat cliënten breed kunnen worden ingezet. De beide bedrijven zullen geïntegreerd worden. De bulkproduktie, handel en fokkerij worden teruggebracht zodat het op een aanvaardbaar niveau is om bedrijfsmatig te werken.”

2.7.

In de begroting 2007 van [Stichting C] is uitgegaan van aankoop van de manege per 1 april 2007 en van 20 capaciteitsplaatsen voor de manege en 4004 dagdelen in 2007. In de exploitatiebegroting van [Stichting D] voor 2008 is de capaciteit van de manege voor dagbesteding eveneens begroot op 20 personen. In een presentatie voor de RvT over de zorginkoop en de begroting 2007 (vergadering RvT 30 januari 2007) is een planning vermeld voor de financiering door middel van het zorginkoopcontract met [Stichting D] van € 985.932. Daarin wordt voor de manege uitgegaan van 18 cliënten x 255 dagen x 2 dagdelen x € 53,70 en een bedrijfsresultaat van nihil. De RvT is op 5 maart 2007 akkoord gegaan met voornoemde zorginkoop voor € 985.932. Ter zake van de bedrijfsvoering van de zorgboerderijen in het eerste jaar is in de presentatie vermeld: “(…) opschonen van activiteiten met als doel participatie van cliënten over de hele breedte, integreren van beide bedrijven: paardrijden, koetsrijden, veulens naar de zorgboerderij, twee vertrekplekken, paardrijden en betuigd rijden voor alle AC-deelnemers (…).”

2.8.

[Stichting D] heeft het complex [complex] op [datum] 2007 gekocht voor in totaal

€ 2.345.000 en is de manege gaan verhuren aan [E BV]. In de jaren 2007 tot en met 2009 zijn aan het complex voor rekening van [E BV] verbouwingen verricht en is onderhoud gepleegd. Voor de financiering zijn leningen verstrekt door [Stichting C]. In de toelichting op jaarstukken van [Stichting C] van 2009 wordt melding gemaakt van leningen verstrekt aan [E BV] en [Stichting D] met hoofdsommen van € 609.558 respectievelijk € 440.000 in totaal € 1.049.558. De toelichting op de jaarstukken 2010 vermeldt een lening u/g aan [E BV] met een hoofdsom van € 772.214 en een vordering op [E BV] van € 297.412, in totaal

€ 1.069.626. De lening aan [Stichting D] (met hoofdsom € 440.000) is in 2010 afgelost. In de jaarstukken 2009 staat tevens een post onderhoudskosten ad € 1.411.000 betreffende een eenmalige bijdrage in de investeringskosten in [E BV]: “in het kader van innovatie in de zorg en kwaliteit van huisvesting zoals benodigd en gewenst voor de cliëntengroep”. Daartoe is beslist in de vergadering van de RvT van 15 december 2009. In de jaarstukken 2010 staat een voorziening die is gevormd voor een verplichting tot datzelfde bedrag van € 1.411.000 voor [E BV]: “in verband met een, aan voorwaarden verbonden, eenmalige bijdrage in de investeringskosten in het kader van innovatie in de zorg en kwaliteit van huisvesting zoals benodigd en gewenst voor de cliëntengroep van [Stichting C].”

2.9.

Op [datum] 2007 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [Stichting C] (vertegenwoordigd door belanghebbende) en [E BV] (vertegenwoordigd door [A]) voor zorginkoop uitgaande van 54 plaatsen x 255 dagen x 2 dagdelen à

€ 53,70, is € 1.478.898 per jaar. Facturatie zou plaatsvinden achteraf, op basis van werkelijk verleende diensten. In een aanvullende overeenkomst van 16 april 2007 is vastgelegd dat het tarief per dagdeel werd verhoogd tot € 87,60 voor patiënten met niet-aangeboren hersenletsel. In maart 2009 is het tarief voor alle dagbestedingen vastgesteld op € 87,60 en is vastgelegd dat zou worden gefactureerd per maand, vooraf. [E BV] verzorgde ook dagbestedingsactiviteiten voor cliënten met een persoonsgebonden Budget (PGB) die niet via [Stichting C] kwamen.

2.10.

In de vergadering van de RvT van 22 juni 2010 is gesproken over een wijziging van de stichtingenconstructie, waardoor er directe zeggenschap zou ontstaan over, onder meer, [E BV]. In de notulen van de vergadering van het bestuur en de Raad van Toezicht van 14 december 2010 over de begroting 2011 staat onder meer het volgende:

“Het contract met [E BV] is nu gebaseerd op een vast voorschot. Vanaf heden gaat [Stichting C] meer kijken naar de feitelijke productielevering als basis voor de voorschotbepaling. Het voorschot aan [E BV] wordt niet stopgezet, maar gaat omlaag.” Uit een memo van 9 december 2010 aan de RvT blijkt dat begroot was daarmee € 830.000 te besparen. In dat memo is ook is vermeld: “In feite zit in [E BV] een financiële reserve, gevormd uit overwegend AWBZ-middelen, die indien noodzakelijk weer ten gunste dient te komen aan [Stichting C].” en “Kosten PNIL [rechtbank: personeel niet in loondienst]) [E BV] zijn begroot (…) voor € 1.558.746. De opbrengsten zijn gebaseerd op 40 cliënten (waarvan 12 wooncliënten) en bedragen (inclusief begeleiding speciaal) € 1.349.827.”

2.11.

Op het terrein van het complex [complex] bevinden zich naast de manege ook enkele woonhuizen, zijnde [complex] 60 tot en met 64. [complex] 64 betreft een kasteelwoning die tot april 2009 was verhuurd en daarna heeft leeggestaan. [complex] 61 en 62 waren en bleven sinds de aankoop door [Stichting C] verhuurd aan derden. [complex] 63 betreft de zogenoemde Carréwoning. Deze woning werd na de aankoop in april 2007 tot januari 2009 verhuurd aan de voormalige eigenaar van de manege, de heer [G]. Na diens vertrek is de Carréwoning gerenoveerd en in gebruik gegeven aan de dochter op basis van een met [Stichting D], vertegenwoordigd door [A], gesloten contract. De dochter heeft geen huur betaald. [complex] 60 werd in de periode van april 2007 tot januari 2008 opvolgend bewoond door medewerkers van [E BV], zijnde [J], [K] en [L].

2.12.

Op of omstreeks 8 juni 2010 heeft de inspecteur twee anonieme brieven (klikbrieven) ontvangen waarin stond dat belanghebbende zich verrijkte met AWBZ-gelden. In diezelfde maand is namens de inspecteur een boekenonderzoek gestart bij [E BV] en [Stichting D]. Tevens is de FIOD een fiscaal-strafrechtelijk onderzoek gestart naar [E BV] e.a., waaronder belanghebbende en [A]. In 2013 is een boekenonderzoek ingesteld bij [Stichting C].

2.13.

Eind 2010 is een nieuwe bestuurder, [M] (hierna: [M]) aangesteld bij [Stichting C] die bij de RvT melding heeft gemaakt van vermoedens van dubieuze financiële transacties van belanghebbende. Op verzoek van [Stichting C] heeft KPMG vervolgens een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke onregelmatigheden. Volgens de rapportage van KPMG van 15 juni 2012 is bij de manege over de jaren 2008 tot en met 2010 een gemiddelde capaciteit gerealiseerd van 2,5 cliënten per openstellingsdag terwijl 10 cliënten was begroot. Het rapport vermeldt dat niet is gebleken in welke mate de uitgaven inzake de dressuur- en fokpaarden ondersteunend zijn aan het zorgkarakter van de manege. [Stichting C] heeft in de jaren 2008 tot en met 2010 ruim € 6,8 miljoen betaald aan [E BV] voor zorg, voor welke zorg [Stichting C] van het zorgkantoor bijna € 3,1 miljoen heeft ontvangen, aldus KPMG.

2.14.

Het vermogen van [E BV] was volgens de (concept)jaarstukken eind 2007 € 249.120 negatief, eind 2008 € 154.214 positief en eind 2009 € 1.114.735 positief.

2.15.

[Stichting C] heeft in 2005 voor € 308.500 paarden gekocht van [G]. Deze aankoopkosten zijn volgens het hoofd administratie van [Stichting C] geboekt als promotiekosten bestuur en promotiekosten levende have. De paarden zijn op 1 januari 2008 door [E BV] overgenomen voor € 261.210. In het jaarrapport 2007 van [Stichting C] heeft de accountant een incidentele bate geboekt van € 433.000 in verband met verkoop bedrijfsmiddelen “levende have” [E BV]. [E BV] heeft op de aankoopsom direct € 77.550 afgeboekt. In de loop van de jaren 2008 tot en met 2013 zijn er paarden gefokt en verkocht. Er is geen sluitende administratie van. Volgens het rapport van KPMG bevatte de (sub)administratie van [E BV] 30 paarden waarvan er acht zijn geïdentificeerd als dressuurpaarden, twee als fokpaarden en één als leerpaard. In 2005 heeft [Stichting C] een paardentrailer gekocht voor

€ 7.396,97; ook dat bedrag is geboekt als promotiekosten bestuur.

2.16.

De dressuurpaarden van [E BV] werden onder meer gebruikt door de dochter. Zij heeft in 2007/2008 als vakantiekracht op de zorgboerderij bij [E BV] gewerkt en was vanaf 1 september 2011 in dienst bij [E BV]. [Manege] heeft in 2009 bedragen aan [E BV] gefactureerd voor de stalling en/of training van de paarden ‘[paard 1]’ en ‘[paard 2]’. In het rapport van het boekenonderzoek van [E BV] en [Stichting D] heeft belanghebbende in reactie daarop verklaard: “(…) Ten behoeve van de verkoop zijn [paard 2] er in juli 2009 gestald en [paard 1] van 02-04-2009 tot en met 29-04-2009. (…) Verder zijn er nimmer paarden in de [Manege] gestald. Daarnaast worden de paarden verder afgericht; de [Manege] wordt daarvoor te hulp geroepen. Indien er lessen/trainingen gegeven worden aan [B] [rechtbank: dochter [B]] worden deze kosten niet vergoed. Er zijn buiten genoemde facturen, géén stallingsfacturen.(…)”.

In 2007 heeft bij [E BV] paardrij-instructeur [N] in dienstbetrekking gewerkt voor een bedrag van ongeveer € 35.000. De FIOD heeft hem als getuige gehoord. Hij heeft onder meer verklaard:

“(…) Ik heb 9 uur per week lesgegeven. Dat was meestal in de avonduren maar ook wel eens overdag. (…) Ik heb de paarden bereden om ze rijklaar te maken voor [B] en [O] [rechtbank: [O] was een vriendin van [B]] uiteindelijk zouden ook andere daar gebruik van moeten hebben kunnen maken zoals gehandicapten. Dat is mij ooit zo verteld door [belanghebbende] [rechtbank: [belanghebbende] is belanghebbende]. De meeste tijd besteedde ik echter aan het lesgeven (…) [belanghebbende] heeft mij aangegeven dat mijn hoofdtaak was het lesgeven aan [B] en [O]. In de gehele periode dat ik bij [E BV] heb gewerkt heb ik ook geen gehandicapte ruiters gezien die de ruitersport daar hebben beoefend (…)”. [N] heeft ook deelgenomen aan concoursen met paarden van [E BV].

De dochter heeft in 2012 bij het FIOD-onderzoek verklaard: “(…) Mijn hobby is paardrijden. Paardrijden met een doel, namelijk deelnemen aan dressuurwedstrijden (…) Mijn vader vindt het leuk dat ik paard rijd en komt op een concours meestal kijken (…)”.

2.17.

In 2008 hebben acht personen, waaronder belanghebbende, [A] en de dochter een cursus ‘koetsiersbewijs’ gevolgd.

2.18.

In de manege is een invalidentoilet gerealiseerd. Op bepaalde deuren/ingangen waren rode stickers aangebracht wat aangaf dat cliënten er niet (in elk geval niet alleen) naar binnen mochten. Dat gold bijvoorbeeld voor een aantal stallen. De manege beschikte over een aangepaste huifkar waarmee gehandicapten rondgereden konden worden. In 2006 is een paardenwagen, merk Fiat Ducato aangeschaft, in 2008 zijn koetsen (marathonwagens) aangeschaft en in 2007 een paardentrailer (naast de trailer die in 2005 was gekocht, zie 2.15).

2.19.

Tijdens het FIOD-onderzoek zijn diverse getuigen gehoord. De FIOD heeft passages uit die verklaringen aan de inspecteur verstrekt. Gehoord zijn onder meer

[K], voormalig medewerker van [E BV] en volgens belanghebbende degene die de klikbrief heeft geschreven, [G], [P] (medewerkster [E BV] en gediplomeerd voor het begeleiden van cliënten), [M], [N], medewerkers van [Stichting C] en een aantal leden van de RvT van [Stichting C].

2.20.

In 2007 heeft [Stichting D] een villa gekocht op het adres [adres 1] te [woonplaats], waar belanghebbende en [A] zijn gaan wonen. De villa bevat ook een kantoorgedeelte. Op het salaris van [A] werd € 6.000 per jaar ingehouden voor de bewoning. De belastingdienst heeft de economische huurwaarde getaxeerd op € 33.000 per jaar. In deze woning heeft een aantal vergaderingen van de RvT van [Stichting C] plaatsgevonden.

2.21.

[E BV] is in 2013 failliet verklaard. Haar bezittingen zijn in 2014 geveild. Op de veilinglijst staan voor de locatie [complex] (de manege) onder meer de paarden en toebehoren, twee rollators, de inhoud van een kliniekruimte en een closetruimte die toegankelijk is voor minder validen.

Overig

2.22.

In artikel 6 van de statuten van [Stichting C] is bepaald dat de vaststelling van het salaris en de regeling van de overige arbeidsvoorwaarden van de bestuurder(s) geschieden door de RvT. Artikel 8 van de statuten bepaalt dat de raad van bestuur (dat was belanghebbende) bevoegd is tot het besturen van de stichting, maar dat aan goedkeuring van de RvT zijn onderworpen besluiten omtrent onder meer de vaststelling van de begrotingen en jaarrekeningen, beleidsplannen en meerjarenplannen, duurzame samenwerking met andere rechtspersonen en het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen. De accountant heeft goedkeurende verklaringen afgegeven voor de jaarrekeningen van [Stichting C].

2.23.

In de rapportage van KPMG (zie 2.13) worden onder meer – kort weergegeven – de volgende, volgens KPMG financiële onregelmatigheden bij [Stichting C] vermeld:

- In de arbeidsovereenkomst met belanghebbende was afgesproken dat [Stichting C] maandelijks € 1.000 zou vergoeden voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering van belanghebbende. Aangezien de verzekeringsverplichting niet volledig realiseerbaar bleek te zijn, heeft de RvT in augustus 2005 goedgekeurd dat in plaats daarvan € 867 per maand aan belanghebbende zou worden vergoed om een kapitaalverzekering af te sluiten. In 2007 heeft belanghebbende in het kader van zijn garantieverzekering bij [Q] (hoofd P&O van [Stichting C]) het verzoek ingediend om eenmalig € 19.000 over te maken aan zijn verzekeringstussenpersoon en de maandelijkse premie te verhogen met € 1.000 tot € 1.867. Deze betalingen zijn door de administratie van [Stichting C] verwerkt. De verhoging is niet expliciet gemeld aan de RvT en niet formeel goedgekeurd. Volgens verklaringen van [R] en [S] (tot 6 november 2011 voorzitter respectievelijk vicevoorzitter van de RvT) is deze verhoging door hen in mei 2007 geaccordeerd met 19 maanden terugwerkende kracht. In de jaarstukken van [Stichting C] van 2005 is een onkostenvergoeding van belanghebbende vermeld van € 1.000 per maand, in de jaarstukken 2007 tot en met 2009 niets en in de jaarstukken 2010 € 22.404 (12 x € 1.867). De verhoging van de kostenvergoeding is niet tot het loon van belanghebbende gerekend.

- Met de pinpas van [Stichting C], die op naam van belanghebbende staat, zijn betalingen gedaan waarvan geen onderbouwing is geadministreerd (in 2008 onder meer € 1.500 aan [edelsmid], te Beek, € 4.500 cash en in de jaren 2008 tot en met 2010, € 8.845 aan Douglas en € 4.731 aan [Lederwaren])

- In de jaren 2005 tot en met 2009 heeft [Stichting C] zonder nadere onderbouwing voor een bedrag van € 48.836 horloges gekocht. Daarvan is € 5.781,50 betaald in 2009 (Benson Trade-Longines).

- In 2008 is voor € 2.989,21 een fitnessapparaat (loopband) aangeschaft op kosten van [Stichting C] dat is afgeleverd op het woonadres van belanghebbende, [adres 1] te [woonplaats]. Op de veilinglijst inzake het faillissement van [E BV] staat een loopband vermeld op de locatie te [complex] (de manege). De curator in het faillissement van [E BV] heeft bevestigd dat de loopband is aangetroffen in het zogenoemde generaalshuis bij de manege.

- In 2008 en 2009 heeft [Stichting C] in totaal € 19.085 betaald aan [T BV]. Dat was een B.V. van voormalig [Stichting C]-medewerkster [U] die een winkel exploiteerde waar onder meer mensen werkten met een persoonsgebonden budget. De uitgaven zijn bij [Stichting C] geboekt als advies- en activiteitenkosten. Er zijn geen facturen voor de betalingen aangetroffen, wel handgeschreven notities van belanghebbende. [U] heeft tijdens een namens de inspecteur ingesteld derdenonderzoek verklaard dat zij een liefdesrelatie had met belanghebbende toen zij bij [Stichting C] werkte en dat de betalingen waren gedaan vanwege haar liquiditeitstekorten als vergoeding voor haar ideeën omtrent cliëntenvervoer, supported living, exploitatie van winkels door cliënten alsmede advisering over huurpanden en dat de ontvangen bedragen bij [T BV] als omzet zijn geboekt.

- [Stichting C] heeft in 2009 € 4.000 betaald aan de [service club] voor de sponsoring van een klootschietevenement. Belanghebbende was vicepresident van deze [service club]. In een e-mail van belanghebbende aan de [service club] van 7 augustus 2009 is vermeld dat er tegenover dit bedrag geen reclame gemaakt mag worden voor [Stichting C].

2.24.

Op 30 juli 2009 is op kosten van [E BV] voor € 6.400 een wijnkast gekocht die werd geplaatst op het woonadres van belanghebbende, [adres 1] te [woonplaats]. De curator in het faillissement van [E BV] heeft aan de inspecteur bevestigd dat de wijnkast is aangetroffen in de kantoorruimte van het pand [adres 1] te [woonplaats].

2.25.

Naar aanleiding van de bevindingen van KPMG is belanghebbende met ingang van 1 januari 2013 ontslagen bij kantonrechtersbeschikking van 17 december 2012. De kantonrechter oordeelde dat er geen reden was voor een ontslagvergoeding. [Stichting C] is een civiele procedure tegen belanghebbende gestart om onder meer de in 2.23 vermelde uitgaven terug te vorderen. Bij de in 2.12 vermelde controle bij [Stichting C] had de controleur geconstateerd dat uitgaven zijn gedaan aan bol.com (€ 2.584 in 2008 en € 2.125 in 2009) die in feite voor belanghebbende privé waren. In de civiele procedure zijn ook die kosten teruggevorderd en is een lijst overgelegd met facturen van bol.com. Die lijst zit bij de stukken. Bij vonnis van

9 april 2014 heeft de kantonrechter te Roermond deze en andere vorderingen van [Stichting C] toegewezen.

Aanslagen

2.26.

De inspecteur heeft een deel van de kosten van de manege en van de onder 2.23 tot en met 2.25 vermelde uitgaven en de huurwaarde van de woning van de dochter (zie 2.11) aangemerkt als uitgaven ten behoeve van belanghebbende privé en bij hem belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Het inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld (in de uitspraken op bezwaar):

Inkomen uit werk en woning

2008

2009

Aangegeven inkomen

€ 157.117

€ 160.517

Correcties:

Uitgaven manege

€ 536.773

€ 511.898

Horloges

€ 5.781

Kunstwerk

€ 575

Woongenot dochter

€ 13.986

Wijnkast

€ 6.400

Belastbaar

€ 693.890

€ 699.157

3.Geschil

3.1.

In geschil is:

- of terecht en tot het juiste bedrag is afgeweken van de aangiften van belanghebbende;

- of belanghebbende recht heeft op vergoeding van integrale proceskosten;

- of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de vervolgvragen bevestigend. De inspecteur heeft de tegengestelde opvatting.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgene zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vaststelling van de inkomens uit werk en woning conform de aangiften, vergoeding van alle proceskosten en van immateriële schade als gevolg van de trage afwikkeling van bezwaar en beroep.

3.5.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan wat moet leiden tot omkering van de bewijslast, en concludeert uiteindelijk dat het inkomen uit werk en woning als volgt moet worden berekend:

Inkomen uit werk en woning

2008

2008

2009

2009

Aangegeven inkomen

€ 157.117

€ 160.517

Correcties:

Voordelen [Stichting C]:

Literatuur Bol.com

€ 2.584

€ 2.125

Horloges

€ 5.781

Kostenvergoeding

€ 12.000

€ 12.000

Loopband

€ 2.989

[T BV]

€ 5.000

€ 14.085

Pintransacties/kasopname

€ 7.467

€ 1.096

Sponsoring

€ 4.000

Voordelen [E BV]:

Huurwaarde

€ 231.414

€ 212.799

Personeelskosten

€ 187.252

€ 131.840

Overige uitgaven

€ 136.326

€ 88.220

Voordeel paarden

€ 82.802

€ 78.190

Voordeel marathonwagens

€ 3.433

€ 3.433

Voordeel Fiat Ducato

€ 10.828

€ 10.828

Voordeel paardentrailers

€ 4.415

€ 4.415

Woongenot dochter

€ 13.986

Aftrek zakelijk gebruik

€ -50.000

€ -50.000

Wijnkast

€ 6.400

Totaal correcties

€ 636.510

€ 636.510

€ 539.198

€ 539.198

Belastbaar inkomen

€ 793.627

€ 699.169

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust dat het inkomen (en daarmee de verschuldigde belasting) van belanghebbende zowel relatief als absoluut gezien aanmerkelijk hoger was dan hij heeft aangegeven en dat belanghebbende zich daarvan bewust is geweest. Pas indien de inspecteur aan deze bewijslast heeft voldaan, kan worden geconstateerd dat sprake is van onjuiste aangiften die omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigen. De rechtbank zal derhalve eerst beoordelen of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het inkomen van belanghebbende zowel relatief als absoluut veel hoger is dan aangegeven.

4.2.

De manege [E BV]

4.2.1.

Verreweg de grootste correctiepost betreft de manege. De inspecteur stelt dat de manege in feite slechts een privéspeeltje was van belanghebbende, mede ten behoeve van de dochter. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eén van de belangrijke activiteiten van [Stichting C] was de verzorging van dagrecreatie voor gehandicapten. Zij exploiteerde in dat kader al vanaf 2004 een zorgboerderij. Het idee om daarnaast een zorgmanege te starten, past in dat concept en is als zodanig ook door de RvT aanvaard. Uit de stukken blijkt dat de manege is aangepast en in de onderhavige jaren ook werkelijk voor dagbesteding is gebruikt, zij het op veel kleinere schaal dan was gepland (gemiddeld over de jaren 2008 tot en met 2010 2,5 cliënten per dag in plaats van de geplande 10 cliënten). Tevens blijkt uit de stukken dat medewerksters van [E BV] ([P], [V] en [W]) een opleiding hebben gevolgd voor instructeur paardrijden voor mensen met een beperking - zij het dat [W] die, volgens de getuigenverklaring van [P] bij de FIOD, niet heeft afgemaakt -, dat er een invalidentoilet in de manege was gesitueerd, dat er enkele rollators aanwezig waren en dat er, volgens de verklaring van [X] (hoofd technische dienst [Stichting C]) koetsen waren waar een rolstoel in kon. Ook uit de veilinglijst in het faillissement blijkt dat er twee koetsen waren met rolstoelingang. Noch uit de getuigenverklaringen, noch uit enig ander stuk kan de rechtbank afleiden dat de manege feitelijk niet werd gebruikt waarvoor hij officieel was bedoeld, namelijk dagrecreatie van cliënten van [Stichting C]. De inspecteur heeft gesteld dat de beperkte werkzaamheden voor cliënten alleen hebben plaatsgevonden om de benodigde financiële middelen uit [Stichting C] te krijgen en om te trachten een ”zakelijk” tintje aan de stoeterij te geven. Dat acht de rechtbank niet aannemelijk. [Y] (bedrijfsleider van [E BV]) heeft weliswaar verklaard dat de manege niet was aangekocht voor gehandicaptenzorg maar dat spoort niet met het feitelijk begeleiden van gemiddeld 2,5 cliënten per dag en hij kon bovendien niets verklaren over de activiteiten in 2008 en 2009 omdat hij maar tot 2007 bij [E BV] heeft gewerkt. Dit alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om alle kosten die voor de manege zijn gemaakt met slechts een aftrek van € 50.000 voor zakelijk gebruik, als inkomen van belanghebbende aan te merken.

4.2.2.

Uit de stukken blijkt echter wel dat de manege niet alleen werd gebruikt voor dagrecreatie van cliënten, maar dat op ruime schaal sprake was van privégebruik door en voor de dochter. Zo blijkt uit de getuigenverklaring van [N] dat hij mede was ingehuurd als leraar voor de dochter en haar vriendin en heeft [P] bij de FIOD verklaard dat zij de indruk had dat enkele paarden van [E BV] eigendom waren van de dochter en dat de manege eerder een privéhobby leek van belanghebbende en zijn dochter. Voorts heeft [Y] verklaard dat hij dacht dat een deel van de (dressuur)paarden eigendom was van belanghebbende en de dochter, dat er veel geld ging naar fokkerij en dressuur en dat er ook werd betaald voor de dressuurlessen van de dochter. Over de paarden voor de dochter heeft hij verklaard: “Voor [paard 3] en [paard 4] had [B] het paard [roepnaam paard 5]. Dat was niet geschikt dus die is verkocht. Daarna kreeg [B] het paard [paard 6]. Dit paard had een heupprobleem en is toen weggegaan. Daarna kwam [paard 7]. Die had een probleem in de rug of nek en die is toen ook afgevoerd.”

[roepnaam paard 5] is, blijkens de reactie van belanghebbende op het conceptrapport van het boekenonderzoek bij [E BV], de roepnaam van [paard 5]. Dat was een van de paarden die bij [Stichting C] waren geadministreerd. De verzekering heeft in 2007 € 19.900 aan [E BV] vergoed vanwege blijvende ongeschiktheid van dit paard. Het paard [paard 7] staat niet geboekt maar is blijkbaar wel eigendom van [E BV] geweest want in de ontslagonderhandelingen met [J] (ex-bedrijfsleider van de manege van [E BV], tevens paardrijinstructeur) waarvan belanghebbende stukken heeft overgelegd in zijn reactie op het concept-controlerapport, is onder meer gememoreerd dat dit paard naar het slachthuis is gebracht. Ook de paarden [paard 3] en [paard 4] waren eigendom van [E BV]. [paard 4] is in 2007 gekocht voor € 36.000. [J] heeft verklaard dat hij ook les moest geven aan de dochter en haar vriendin. [G] (de vroegere eigenaar van de manege) heeft verklaard dat de paarden die hij aan [Stichting C] heeft verkocht, ongeschikt waren voor gebruik door gehandicapten omdat het warmbloedpaarden waren, en dat hij, zolang hij er heeft gewoond, nooit een gehandicapte op een van de van hem verkochte paarden heeft zien rijden. [hoefsmid] heeft verklaard dat het paard [paard 4] het paard was waar de dochter gebruik van maakte en dat het een goed paard was. Uit dit alles blijkt dat de dochter intensief gebruik maakte van paarden en faciliteiten van de manege. De ontkenning door belanghebbende (“Geen enkel paard is door [B] gereden”) is in strijd met zijn eigen verklaring dat zij twee paarden heeft getraind/ opgeleid en gezien de hiervoor weergegeven verklaringen van anderen ongeloofwaardig.

4.2.3.

De rechtbank acht ook van belang dat aannemelijk is geworden dat belanghebbende over de aankoop en het gebruik van de manege niet duidelijk heeft gecommuniceerd met de RvT. De rechtbank acht ongeloofwaardig dat het door belanghebbende overgelegde stuk met de titel “Strategische paper betreffende de ontwikkeling van de zorgboerderij, winkelproject, zorgmanege, en een vervolg in Noord en Midden” (hierna: de notitie), gedateerd najaar 2005, daadwerkelijk aan de RvT is overgelegd en met de leden daarvan is besproken. Geen van de als getuigen gehoorde leden (Van [lid 1], [lid 2], [lid 3] en [lid 4]) noch de directiesecretaris ([directiesecretaris]) herinnert zich dit stuk, er staat niets over in de notulen van de vergaderingen van de RvT en uit het FIOD-onderzoek is aannemelijk geworden dat het stuk nog in 2012 is bewerkt. De verklaringen van [R] (voorzitter RvT) en [S] (vicevoorzitter RvT) dat de inhoud van de notitie en de notitie (“wellicht niet in deze opmaak”) wel aan de leden van de RvT bekend was, bevestigt door de toevoeging “wellicht niet in deze opmaak” dat deze notitie als zodanig niet is besproken en is overigens onaannemelijk gezien de ontkenningen van de andere leden van de RvT. Het feit dat de notitie in 2011 blijkbaar naar het innovatiefonds en het Ministerie van Justitie is gestuurd in verband met het overleg over opvang van forensische cliënten, zegt niets over de jaren ervóór. Ook in de business case (zie 2.6) die de controller heeft opgesteld wordt niet uitdrukkelijk gesproken over dressuur, met uitzondering van een geplande deelname aan de paralympics. Dat bij de aankoop van de manege ook dressuurpaarden werden gekocht en dat de manege ook zou worden gebruikt voor het berijden van dressuurpaarden door, onder meer, de dochter, is blijkbaar nooit aan de RvT medegedeeld.

4.2.4.

De in 4.2.2. en 4.2.3. weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wettigen de conclusie dat de kosten die zijn gemaakt voor de manege, voor zover zij betrekking hadden op - in ieder geval een aanzienlijk deel van - de dressuurpaarden, in feite zijn gemaakt ter bevrediging van privégenoegens van belanghebbende en de dochter van belanghebbende en dat dat van meet af aan ook de bedoeling van belanghebbende is geweest.

4.2.5.

Aannemelijk is dat de aankoop van de manege is gebeurd op initiatief van belanghebbende als bestuurder van [Stichting C]. Belanghebbende had ook het initiatief bij de oprichting van [Stichting D] en [E BV]. Aannemelijk is dat die opzet, in overleg en met goedkeuring van de RvT van [Stichting C], zo is vormgegeven om AWBZ-gelden te scheiden van niet AWBZ-gelden en reserves uit [Stichting C] te laten toevloeien naar [Stichting D] en die reserves zo aan herverdeling over andere instellingen te onttrekken (zie 2.3 en 2.10). [A] was vanaf het begin gevolmachtigde van [Stichting D] en daarmee van [E BV]. Belanghebbende heeft wel gesteld dat het bestuur van [Stichting D] zeer actief was, maar daar is niets van gebleken; er zijn geen verslagen van bestuursvergaderingen of bestuursbesluiten. Belanghebbende heeft in zijn functie van bestuurder van [Stichting C] de overeenkomsten gesloten met [E BV] waardoor er ook daadwerkelijk enorme bedragen naar [E BV] wegvloeiden (zie 2.9, 2.10 en 2.14) en waardoor [E BV] in staat werd gesteld de uitgaven te doen die dienden voor onder meer de bevrediging van de in 4.2.2. vermelde privégenoegens van de dochter. Belanghebbende was vanaf februari 2008 tevens bestuurder van [Stichting D]. Hij was als het ware de spin in het web van de hele constructie rond de opzet van [Stichting D] en [E BV] en was daardoor in de positie om de opzet en uitgaven van de manege zo in te richten als is gebeurd. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat weliswaar was overeengekomen dat [E BV] uiteindelijk zou factureren op basis van de feitelijk geleverde zorg (zie 2.9), maar dat dat in feite niet is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aldus in zijn functie van bestuurder van [Stichting C] en [Stichting D] voordelen in natura heeft genoten uit de manege die weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit dienstbetrekking omdat zijn werkgevers [Stichting C] c.q. [Stichting D] er geen weet van hadden, maar wel als resultaat uit overige werkzaamheden.

4.2.6.

Voor de hoogte van het aldus genoten inkomen zal de rechtbank, net als de inspecteur, aansluiting zoeken bij de totale kosten van de manege in de onderhavige jaren. Belanghebbende heeft de berekening door de inspecteur van die kosten als zodanig niet bestreden. De rechtbank merkt op dat hierbij voor de huurwaarde uitgegaan is van de daadwerkelijk door [E BV] betaalde huur en niet van de door de inspecteur getaxeerde lagere waarde nu die is bestreden door [E BV]. De rechtbank stelt het privédeel van de kosten van de manege in goede justitie op 1/4 van de totale kosten. De correctie voor de inkomsten uit de manege wordt dan als volgt:

Voordelen manege

2008

2009

huurwaarde

€ 231.414

€ 212.799

personeelskosten

€ 187.252

€ 131.840

overige uitgaven

€ 136.326

€ 88.220

voordeel paarden

€ 82.802

€ 78.190

voordeel marathonwagens

€ 3.433

€ 3.433

voordeel Fiat Ducato

€ 10.828

€ 10.282

voordeel paardentrailers

€ 4.415

€ 4.415

totaal voordelen manege

€ 656.470

€ 529.179

¼ deel

€ 164.117

€ 132.294

4.3.

De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat de inspecteur de niet aangegeven inkomsten tot deze bedragen aannemelijk heeft gemaakt. Tevens acht de rechtbank deze correcties redelijk. De als gevolg van de vermelde correctiebedragen verschuldigde belasting is ten opzichte van de op basis van de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief gezien, hoog. Dat leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat hij zichzelf – via [Stichting C] – bevoordeelde en dat hij aldus inkomen genoot en dat hij de aangifte bewust onjuist heeft gedaan. Het voorgaande leidt op grond van artikel 27e, eerste lid van de AWR tot omkering van de bewijslast. Belanghebbende dient dan aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd, dat bewijs niet geleverd.

4.4.

Nu de rechtbank de inkomsten vanwege privégebruik van de manege tot de in 4.2.6 genoemde bedragen aannemelijk en ook redelijk acht, dient de rechtbank voor de overige correcties nog te beoordelen of de inspecteur daar in redelijkheid toe kon komen. De rechtbank overweegt als volgt:

4.4.1.

De literatuur van Bol.com.

De inspecteur heeft verwezen naar de civiele procedure van [Stichting C] tegen belanghebbende waarin is gesteld dat de bij Bol.com gekochte boeken en CD’s een privékarakter hadden: boeken als ‘Tirza’ (Grunberg), ‘de Overgave’ (Japin), ‘Pittige Tantes’ (Peter van Straaten) en films als ‘Men in Black’ (bladzijde 22 van de dagvaarding) en dat [Stichting C] geen bibliotheek had en de boeken/films daar ook niet zijn aangetroffen. Belanghebbende heeft gesteld dat alles is aangeschaft voor de bibliotheek van [Stichting C] en op 04 december 2013 aan [Stichting C] is teruggegeven en dat overigens sprake was van managementboeken. Belanghebbende heeft een boekenlijst overgelegd met een bibliotheekoverzicht, dat in 2013 voor akkoord is geparafeerd door

[Z], waarop een aantal managementboeken staat en onder meer het boekje ‘Pittige Tantes’. Het gegeven dat belanghebbende in 2013 een aantal boeken aan [Stichting C] heeft geretourneerd, neemt echter niet weg dat die boeken in de jaren van aankoop (in dit geval: 2008 en 2009) blijkbaar voor belanghebbende in privé zijn gekocht en door belanghebbende in die jaren onder zich zijn gehouden. Dit geldt temeer nu ook de kantonrechter van de rechtbank Roermond heeft geoordeeld dat ten aanzien van die boeken sprake is geweest van onrechtmatige toe-eigening door belanghebbende en de daaraan verbonden vordering van [Stichting C] van € 9.864,20 volledig is toegewezen. Het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende die boeken voor zich in privé heeft gekocht en dat hij daardoor in 2008 en 2009 voordelen heeft genoten van € 2.584 respectievelijk € 2.125, is dan niet onredelijk.

4.4.2.

Horloge

De correctie is gebaseerd op het rapport van KPMG (zie 2.13). Daaruit blijkt dat belanghebbende in 2009 een Benson Trade horloge heeft besteld van € 5.781,50 dat door [Stichting C] is betaald. De stelling van belanghebbende dat hij dit horloge had gekocht om er paarden voor de manege mee te kunnen betalen, is op geen enkele wijze onderbouwd en acht de rechtbank niet geloofwaardig. De correctie is redelijk.

4.4.3.

Kostenvergoeding

Vaststaat dat belanghebbende met ingang van 2008 een vergoeding van € 1.000 per maand extra heeft genoten. Volgens belanghebbende was deze vergoeding geaccordeerd door de RvT. De rechtbank zal in het midden laten of dat waar is (de kantonrechter heeft geoordeeld dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan). Een kostenvergoeding kan alleen onbelast worden verstrekt indien sprake is van een vrije vergoeding in de zin van Hoofdstuk IIA Wet op de loonbelasting. Dat zijn vergoedingen die geacht worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of andere vergoedingen voor zover zij naar algemeen maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er is geen enkele onderbouwing, anders dan dat de vergoeding was bedoeld voor inleg in een garantieverzekering en dat is blijkbaar een kapitaalverzekering. Voor een dergelijk doel kan geen belastingvrije kostenvergoeding worden verstrekt. Niet in geschil is dat de vergoeding niet tot het loon is gerekend. De correctie is juist.

4.4.4.

Loopband

De loopband is in 2008 door belanghebbende gekocht, door [Stichting C] betaald en afgeleverd op het woonadres van belanghebbende. De loopband is bij de faillissementsverkoop van [E BV] aangetroffen in een huis bij de manege maar dat verklaart noch de aflevering op het adres van belanghebbende, noch de betaling door [Stichting C]. [Stichting C] stond immers juridisch geheel los van de manege. De conclusie van de inspecteur dat de loopband voor belanghebbende privé was aangeschaft, acht de rechtbank redelijk en wordt niet onredelijk door het gegeven dat de loopband later is verplaatst naar de manege. De correctie is juist.

4.4.5.

[T BV]

Er is geen enkel stuk waaruit blijkt dat er enige zakelijke reden was voor [Stichting C] om bedragen aan [T BV] te betalen c.q. kwijt te schelden. Er zijn ook geen facturen, alleen handgeschreven briefjes van belanghebbende met de opdracht tot betalen en e-mails van [U] van [T BV] aan belanghebbende dat zij van hem het geleende geld niet hoefde terug te betalen. De verklaring van [U] dat de betalingen waren gedaan voor haar ideeën, is op geen enkele wijze onderbouwd. Het is dan niet onredelijk - mede gezien de verklaring van [U] dat zij en belanghebbende een liefdesrelatie hadden - dat de inspecteur er vanuit is gegaan dat de betalingen uit privémotieven ten behoeve van belanghebbende zijn verricht en dus als inkomen van hem zijn aan te merken.

4.4.6.

Pintransacties/kasopname

Nu deze transacties/opnamen zijn gedaan met de pinpas van belanghebbende en omtrent het doel ervan niets in de administratie van [Stichting C] is verantwoord, is het niet onredelijk dat de inspecteur de bedragen heeft aangemerkt als inkomen (eventueel in natura) van belanghebbende.

4.4.7.

Sponsoring

Het lidmaatschap van een serviceclub als de [service club] is in het algemeen een privéaangelegenheid. Belanghebbende heeft [Stichting C] € 4.000 laten overmaken aan de [service club] en daarbij expliciet aangegeven dat tegenover het bedrag van € 4.000 geen reclame voor [Stichting C] gemaakt mocht worden. Het is dan heel redelijk om te veronderstellen dat die betaling in feite niet door belanghebbende als directeur van [Stichting C] is verordonneerd maar als privépersoon en lid van de [service club]. Daarvan uitgaande is het ook niet onredelijk om het bedrag te beschouwen als inkomen voor belanghebbende privé. De verklaring van belanghebbende dat de [service club] tegenover die € 4.000 een kippenhok zou bouwen voor de zorgboerderij, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Bovendien verklaart dat niet de betaling van die € 4.000 door [Stichting C], die bij een eventueel kippenhok geen belang had.

4.4.8.

Wijnkast

De curator in het faillissement van [E BV] heeft bevestigd dat de wijnkast is aangetroffen in het kantoorgedeelte van het woonhuis van belanghebbende. Dat woonhuis was eigendom van [Stichting D]. Vaststaat dat de RvT daar regelmatig heeft vergaderd (zie 2.20). Het enkele feit dat de wijnkast op het woonadres van belanghebbende stond, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat belanghebbende de kast voor zichzelf heeft gekocht nu die kast in het kantoorgedeelte stond en daar is blijven staan nadat belanghebbende het huis had verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid niet tot bijtelling van het bedrag van € 6.400 heeft kunnen komen.

4.4.9.

Woongenot dochter

Vaststaat dat het huis waar de dochter in woonde, tot februari 2009 bewoond werd door [G] en dat de dochter in de jaren 2007/2008 als vakantiekracht bij de zorgboerderij heeft gewerkt. Bij de manege had zij - tot 2011 - geen formele aanstelling. Belanghebbende stelt dat de dochter de woning als anti-kraker bewoonde, dat zij toezicht hield op de manege omdat zij er vaak was en zij er later als klinisch psychologe woonde en in die hoedanigheid ook werkzaam was op de manege. Dat alles neemt niet weg dat de dochter gratis de woning kon bewonen en als zodanig een voordeel genoot. Het standpunt van de inspecteur dat [Stichting D] c.q. [E BV] daartoe bereid was vanwege de relatie met en zeggenschap van belanghebbende als bestuurder van [Stichting C] en later van [Stichting D] is niet onredelijk zodat het voordeel terecht aan belanghebbende is toegerekend. Nu de hoogte van de huurwaarde door een beëdigd taxateur is vastgesteld, kan ook niet word gezegd dat de hoogte van de correctie onredelijk is.

4.4.10.

Conclusie

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de overige correcties terecht zijn, met uitzondering van die voor de wijnkast. Het vanwege die overige correcties te belasten inkomen is aldus:

2008 2009

Literatuur Bol.com

€ 2.584

€ 2.125

Horloges

€ 5.781

Kostenvergoeding

€ 12.000

€ 12.000

Loopband

€ 2.989

[T BV]

€ 5.000

€ 14.085

Pintransacties/kasopname

€ 7.467

€ 1.096

Sponsoring

€ 4.000

Woongenot dochter

____________

€ 13.986

Totaal € 30.040 € 53.073

4.5.

Het belastbare inkomen uit werk en woning wordt dan voor beide jaren als volgt:

Inkomen uit werk en woning 2008 2009

Aangegeven inkomen € 157.117 € 160.517

Correcties:

Uitgaven [E BV] € 164.117 € 132.294

Overige correcties € 30.040 € 53.073

Belastbaar € 351.274 € 345.884

4.6.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

4.7.

Belanghebbende heeft geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen de heffingsrente. De rechtbank zal beslissen dat de heffingsrente moet worden verminderd, overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. de rechtbank ziet geen reden voor integrale vergoeding van de kosten. De rechtbank is van oordeel dat de zaken voor 2008 en 2009 samenhangend zijn. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.940 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 0,5 voor nadere inlichtingen, met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 2).

6 Schadevergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij heeft geleden door de lange duur van de procedure. Het bezwaarschrift voor 2008 is ingediend op 5 januari 2012, dat voor 2009 op 19 december 2012. De rechtbank acht de zaken zodanig samenhangend, dat wordt uitgegaan van eenmaal frustratie en schade vanwege de lange duur van de procedures. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 2 juni 2015 dus 40 maanden na de indiening van het eerste bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat de gecompliceerdheid van de zaak geen extra lange termijn voor de afdoening rechtvaardigt. Belanghebbende heeft dan recht op vergoeding van immateriële schade voor 16 maanden of 3 x € 500 is € 1.500. De inspecteur heeft de termijn van 6 maanden voor het doen van uitspraak voor het jaar 2008 overschreden met bijna anderhalf jaar zodat de vertraging geheel aan hem is te wijten. De rechtbank zal hem veroordelen tot vergoeding van € 1.500.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag voor het jaar 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 351.274 met handhaving van de overige elementen van de aanslag en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de aanslag voor het jaar 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 345.884 met handhaving van de overige elementen van de aanslag en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.940;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 88 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2015 door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter,

mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.