Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3923

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4440
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4600, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/Belastingverdrag met België/compensatieregeling grensarbeiders.

Belanghebbende is grensarbeider (woont in Nederland en werkt in België). In België betaalt hij naast belasting, premies voor sociale verzekeringen (RSZ-premies).

Ingevolge artikel 27 van het Belastingverdrag met België tellen - bij de berekening van de compensatieregeling voor grensarbeiders - in België betaalde premies mee voor zover deze vergelijkbaar zijn met de Nederlandse premies voor volksverzekeringen.

De rechtbank oordeelt dat RSZ-premies - anders dan de Nederlandse volksverzekeringen - werknemersverzekeringen zijn en daarom niet meetellen. Beide landen hebben dat ook expliciet afgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1520
FutD 2015-1737
NTFR 2015/2787 met annotatie van drs. J.R. Schaap
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/4440

uitspraak van 19 juni 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft belanghebbende, met dagtekening 28 november 2011, over 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].H.06).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 juni 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen deze aanslag heeft de inspecteur de aanslag verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroepschrift is op
19 juli 2014 bij de rechtbank binnengekomen. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Den Haag, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven nadere stukken in te dienen. Zowel belanghebbende als de inspecteur hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn steeds in afschrift aan de wederpartij verstrekt.

1.7.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.8.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijkertijd met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Belanghebbende is inwoner van Nederland was dat ook in 2010. Hij ontving in 2010 inkomsten uit dienstbetrekking en een werkloosheidsuitkering uit België.

2.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2010 – ingediend op 30 juli 2011 – een bedrag van € 34.798 vermeld als loon uit Belgische dienstbetrekking en een bedrag van € 747 aan Belgische werkloosheidsuitkering. Als ingehouden Belgische bedrijfsvoorheffing is vermeld € 10.975. Het aangegeven verzamelinkomen was € 32.032.

2.3.

De inspecteur heeft het ontvangen Belgisch inkomen gecorrigeerd naar € 37.818. Dat bedrag is als volgt berekend (alle bedragen in €):

brutoloon

39.156

ingehouden premies RSZ

-4.954

bijz.bijdrage soc zekerheid (BBSZ)

-327

subtotaal

33.875

bij:

werknemersdeel premie geneeskundige verzorging

1.338

werknemersdeel BBSZ

88

werkgeversaandeel premie geneeskundige verzorging

1.437

maaltijdcheques

830

ecocheques

250

Nederlands fiscaal loon

37.818

2.4.

Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 34.319 en de ingehouden Belgische bedrijfsvoorheffing (tevens verschuldigde belasting) op € 9.906. Bij de aanslagregeling is aftrek verleend ter voorkoming van dubbele belasting voor het Belgisch loon en vrijstelling voor de premie volksverzekeringen. Bij de aanslag is de compensatie zoals bedoeld in artikel 27 van het belastingverdrag tussen Nederland en België 2001 (het Verdrag) berekend op

€ 540. Dat bedrag is als volgt berekend (alle bedragen in €):

Loon

37.818

Belgische belasting en opcentiemen

9.906

Daarover zou zijn verschuldigd in Nederland

inkomstenbelasting

2.645

premieheffing

10.197

totaal heffing

12.842

heffingskorting

-3.476

totaal heffing

9.366

verschuldigd in België

9.906

tegemoetkoming

540

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de in België ingehouden premies RSZ (deels) in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de compensatie. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. Niet meer in geschil is dat het bedrag van de verschuldigde Belgische belasting € 9.906 is.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op wat zij ter zitting nog hebben aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bedoelde RSZ-premies te vergelijken zijn met de Nederlandse volksverzekeringen. Belanghebbende heeft zich daarvoor beroepen op de Besluiten van de staatssecretaris van 7 april 2009, nr. CPP 2009/93M en van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M. Daaruit valt, zo voert belanghebbende aan, op te maken dat de staatssecretaris enkele componenten van de RSZ-premies, vergelijkbaar acht met de Nederlandse volksverzekeringen en dat daarom deze premies in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van de compensatie.

4.2.

Het in 2.4 genoemde artikel van het Verdrag regelt een compensatieregeling voor in Nederland wonende grensarbeiders. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt dat, voor zover hier van belang, voor de berekening van de compensatie moet worden uitgegaan van “de verschuldigde premie als bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen dan wel daarmee vergelijkbare bijdragen en premies ingevolge de Belgische sociale zekerheid”.

Paragraaf 4 van het artikel bepaalt dat de bevoegde autoriteiten in onderlinge overeenstemming regelen in welke mate bijdragen en premies sociale zekerheid in België vergelijkbaar zijn met de premie voor de volksverzekeringen in Nederland als bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen.

4.3.

De Nederlandse en Belgische autoriteiten hebben in voornoemde zin gecorrespondeerd. Een brief van het Belgische Ministerie van Financiën gericht aan het Nederlandse Ministerie van Financiën van 22 januari 2004 luidt, voor zover hier van belang:

“Ik kom terug op de hierboven vermelde brief van de heer …. Directeur Internationale Fiscale Zaken, met betrekking tot toepassing van artikel 27, paragraaf 4 van het nieuwe Belgisch-Nederlandse Belastingverdrag van 5 juni 2001.

Die verdragsbepaling voorziet erin dat de bevoegde autoriteiten van Nederland en

België voor de toepassing van de compensatieregelingen van paragrafen 1 en 2 van

hetzelfde artikel regelen in welke mate Belgische bijdragen en premies sociale

zekerheid vergelijkbaar zijn met de Nederlandse premies volksverzekeringen.

In zijn brief vraagt de heer …. te willen bevestigen dat de Belgische bijdragen en

premies sociale zekerheid niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse premies

volksverzekering.

Na inwinning van het advies van de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst

Sociale Zekerheid kan ik bevestigen dat de Belgische sociale zekerheidsbijdragen niet

volledig overeenstemmen met de premies volksverzekeringen in Nederland, maar dat

laatstbedoelde premies slechts samen met de Nederlandse premies

werknemersverzekeringen geacht worden vergelijkbaar te zijn met de Belgische

sociale zekerheidsbijdragen.

In overeenstemming met het i.c. bepaalde in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting

als bijlage aan de Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot goedkeuring van het

nieuwe belastingverdrag, is deze vaststelling van het hierboven bedoelde niet-

vergelijkbare karakter voor herziening vatbaar in geval van substantiële wijzigingen in

het Belgische sociale zekerheidsstelsel respectievelijk in het stelsel van de Nederlandse

volksverzekeringen.

(…)”

4.4.

De rechtbank constateert derhalve dat beide verdragspartners hebben afgesproken dat – voor de toepassing van artikel 27 van het Verdrag - RSZ-premies niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksververzekeringen. Zoals de inspecteur ook heeft aangevoerd zijn RSZ-premies werknemersverzekeringen en is het verrichten van arbeid noodzakelijk om daarop recht te hebben. Dat is een wezenlijk verschil met de Nederlandse volksverzekeringen. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur. Belanghebbendes beroep op de in 4.1 vermelde besluiten van de staatssecretaris kan daar niet aan af doen, nu die besluiten niet zien op de verdragstoepassing - in het bijzonder de compensatieregeling – maar op de nationale berekening van het loon in grensoverschrijdende situaties.

4.5.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat de heffingsrente te hoog is vastgesteld, nu de inspecteur er erg lang over heeft gedaan om de aanslag vast te stellen. Naar de rechtbank begrijpt bedoelt belanghebbende te stellen dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.6.

De heffingsrente is berekend met in achtneming van het bepaalde in artikel 30f van de AWR. Tekst en strekking van dit artikel bieden geen ruimte om in een geval als het onderhavige het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten of te matigen. Onder omstandigheden kan het zorgvuldigheidsbeginsel er toe leiden dat de berekening van heffingsrente achterwege blijft of beperkt wordt. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich dat hier niet voor.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

6 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.