Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3892

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5967
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkering van de bewijslast omdat belanghebbende nihilaangiften OB heeft gedaan en de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in Nederland heeft gehandeld in bepaalde goederen en dat er sprake is van een negatieve kas van € 362.606.

Belanghebbende heeft niet aangetoond dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Wel vermindering omdat de inspecteur in eerste instantie is uitgegaan van een verouderde vermogensvergelijking.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1534
FutD 2015-1732
NTFR 2015/2095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 13/5967

uitspraak van 15 juni 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 108.881, alsmede bij beschikkingen een boete van € 54.440 en € 13.046 belastingrente.

1..2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2013 de naheffingsaanslag en de boete- en belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 1 november 2013, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, hiertegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 160.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015 te Breda. Tijdens deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 12/6720, 13/3497, 13/3498 en 13/5967. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigden [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Amsterdam, en namens de inspecteur [verweerder]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak is verzonden.

1.7.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd. Bij brief van 2 maart 2015 heeft de rechtbank deze termijn met zes weken verlengd. Bij brief van 19 mei 2015 is de termijn verlengd tot 15 juni 2015.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren [datum] 1972, heeft sinds november 2004 een geregistreerd partnerschap met [A] (hierna: de partner). Zij hebben samen drie kinderen. Op 17 november 2009 heeft de politie een inval gedaan in de gemeenschappelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats]. Daarbij is, onder andere, aangetroffen € 186.089,60 aan contant geld, drie auto’s (een Mercedes Benz met kenteken [kenteken], een Ferrari Spider met kenteken [kenteken] en een Hummer met kenteken [kenteken]) en een motorfiets (kenteken [kenteken]). Het strafrechtelijk onderzoek behelsde onder meer een financieel onderzoek over de periode 2001 tot en met 17 november 2009. Daaruit kwam naar voren dat belanghebbende en zijn partner in die periode beschikten over een flink vermogen.

2.2.

Informatie uit het strafrechtelijk onderzoek is aan de inspecteur ter beschikking gesteld. Delen van het proces-verbaal behoren tot de stukken van het geding. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer gesprekken via de telefoon van belanghebbende afgeluisterd en is gebruik gemaakt van een observatieteam.

2.3.

Belanghebbende heeft tijdens de verhoren in het strafrechtelijk onderzoek (onder andere) het volgende verklaard:

PV van verhoor 18 november 2009, proces-verbaalnummer: 29-028037

(pagina 3 van 5) “Op dit moment is [B] van mij. [C] is van mij en [D]. [B] is mijn garage in Bergen op Zoom de zaak wordt gerund door [E]. (…)

[C] is een bedrijf die eigenaar is daarvan. Dat bedrijf is eigenaar van [B], dat is een holding (…)

[D] is een autoverhuurbedrijf. Ik zou ook wat handel gaan doen, ik heb altijd in de auto’s gezeten.

Met [C] is het de bedoeling om partijhandel te gaan doen (…)

Ik krijg elke maand € 1800 van [B].

Ik krijg elke maand € 2000 van [adres 2] [woonplaats].

Ik krijg huurinkomsten van [adres 3] [plaats F]. Die is van mij en [G] samen. Huurinkomsten zijn € 1650. Ik verkoop ook nog wel eens klokjes, er lagen nog twee horloges, die zullen wel in beslag genomen zijn. Die zijn van [H]. Dit zijn echte klokken. Ik verkoop ook wel een autootje en zo. (…)

Ik ben dagelijks bezig met mijn bedrijfjes [D] en [C].”

PV 18 november 2009, proces-verbaalnummer: 29-028042

(pagina 3 van 5)

Ik heb wel eens een klokje verkocht en had dan geld in huis.”

PV 19 november 2009, proces-verbaalnummer: 29-029392

(pagina 3 van 4)

“Vraag: Kun je verklaren waar het geld vandaan komt?

Geld? Dat geld was om iets aan te kopen. Het geld is van mij. Ik wilde er wintercollectie onderbroeken kopen van Bjorn Borg. Er waren er een paar met kerstopdrukken. Er lag er ook een bij mij thuis op het bureau.

Ik zou bijvoorbeeld van een vriend van mij een grote partij, 163 containers, met gereedschap krijgen om te verkopen. (…)

Ook restpartijen van Nike, Kappa, onderbroeken en keukens en zo krijg ik dan bijvoorbeeld. Ik ken veel mensen en die bellen mij dan. Ik handel zo met die dingen en ik weet niet hoe andere mensen die boeken in orde hebben. Mijn boeken hebben in ieder geval zwaar achterstand. (…)

Ik heb [G] jaren geleden leren kennen. Dat is een vriend van mij geworden. [G] is geen straatmens maar die is heel goed met papieren en zo. Hij kon mij helpen met de kamer van Koophandel en zo. Mijn doel was een jaar of 4 geleden een soort Partijhal zoals in Sint Willebrord. Eerst een pand en om die rendabel te maken zijn we een autoverhuurbedrijf begonnen. [G] zou mij helpen.

Ik heb [B]. Die mensen, [E] en [I], kochten de garage [B]. Ik liet daar dingen aan mijn auto doen. Die mensen gingen failliet. (…) ik heb toen een lening genomen en die zaak overgenomen. [E] is daar nu bedrijfsleider.(…)

Ik kan wel zeggen dat ik het niet doe maar ik er zijn er maar zat mensen die gepakt worden voor belastingontduiking en voor het aannemen van zwart geld. Ik heb afgelopen tijd wel ik weet niet hoeveel klokjes verkocht en die moet ik nog steeds inboeken. (…)

Vraag: Wat bedoel je met zwaar achterstand in de boeken?

A: Ik zit in de legale partijenhandel en in de tussen handel, zo heb ik wel eens 40 duizend voetballen gekocht en zo. (…)

Ik ben wel eens met iemand naar de Kamer van Koophandel gegaan om iets op te starten. Ik moet nog steeds die dingen in boeken.”

PV 26 november 2009, proces-verbaalnummer: 29-033037

(pagina 2 en 3 van 8)

“Vraag: Wil je terug komen op je eerder afgelegde verklaring?

Ik heb ze vaak gelezen. Wat er in staat daar wil ik overal aan mee werken. Ik wil schoon schip maken en naar mijn gezin toe. (…)

Er kwamen mensen naar me toe en die vroegen of ik wilde investeren. Eigenlijk moet je de papieren in orde hebben en dan pas flink gaan doen. Dat was ook de reden van die wapens. Ik woonde achteraf en er kwamen mensen naar me toe. Ik kocht dan weer een klokje op van iemand en verkocht die dan weer door en zo. Ik kocht ook klokken van [H]. Ik verkocht af en toe ook wel klokken aan [H].

Ik kan wel verklaren dat het geld niet van criminele activiteiten afkomstig is. (…) Ik regelde een auto voor iemand waar ze maanden mee rond konden rijden. Er gingen dan exportplaten op die auto. Er kwamen dan mensen bij mij en die gaven mij dan 2000 of 2500 Euro en dan konden ze tot maximaal een jaar rondrijden met verzekering, die hoef je niet apart af te rekenen. Die auto stond dan wel gewoon op naam van diegene die het paspoort overhandigde. Normaal moet je zelf, maar ik had de mogelijkheid om via een Duitse man dat allemaal te regelen zonder dat ik daar bij moest zijn. (…)

Vraag (…) Wat voor werk doet [J] dan eigenlijk voor jou?

A: (…) Er reden op een bepaald moment heel veel auto’s rond die ik had geregeld. Dat kon ik dan beter zelf gaan doen. Ik kwam toen [G] tegen en die had ik mijn probleem uitgelegd. Wij hadden kort na aanvang van [D] 20 auto rondrijden. Daar waren ook grotendeels auto’s van [leasemaatschappij]. Ik verhuurde die auto voor 200 of 300 Euro meer door aan klanten. Dit ging allemaal via [K]. Ze zitten in Goes, Steenbergen, Middelharnis en overal. Ik wilde partijhandel gaan doen. Dat was mijn ding. Wij konden geen pand vinden. Die man kon zijn pand niet verhuren en die paste de prijs aan, Wij konden dat pand wel huren. Benden zou [D] komen zitten en er zou nog iemand komen zitten met gereedschap.

(Pagina 4 van 8)

[J] zou op kantoor gaan zitten, als het goed gaat zou [J] er voor een percentage krijgen, dat werkt het best, dan hebben ze gevoel bij het bedrijf (…)

Ik gaf hem wel elke maand geld. Afhankelijk van hoeveel hij werkte gaf ik hem 150 euro of 200 euro of soms zelfs 300 euro per week. Er werd niets afgedragen aan ziekenfonds en dergelijk. Dat is iets dat zou [G] allemaal gaan regelen. Want dat is niets voor mij.

(pagina 5 van 8): Vraag: we hebben het eerder gehad over geld dat er dinsdag 17 november 2009 in jouw woning [adres 1] [woonplaats] werd aangetroffen. Jij dacht dat er totaal in huis € 190.000 was aangetroffen. Je zei dat 180.00 (Rb: lees 180.000 ) was voor de aankoop van de wintercollectie onderbroeken van Björn Borg. Je zei ook: “Het geld is van mij”. Onze vraag nu is: Hoe kom jij aan dat geld. Waar komt het vandaan?

A: Dat van die onderbroeken was een voorbeeld. Ik zou niet voor 180.000 Euro onderbroeken kopen.

Dat hoort bij mijn levensverhaal dat ik later zal vertellen.

Vraag: Wie heeft dat geld, die ruim 180.000 euro zo verpakt?

A: Omdat ik handel opkoop. Het lag achter een schot. In en ruimte achter twee deuren die altijd op slot waren. Het zat in een plastic zak in een doos. Er lagen ook horloges. Er lag een horloge van [H] die was 80.000 Euro waard. Voor mij was het handel. Ik denk dat ik afgelopen jaar wel 25 of 30 klokken verkocht. Ik kreeg van [H] wel eens klokjes mee als ik naar een feestje ging en dan spraken mensen mij aan en dan was ik zo van die klokjes af. Er zat dan een beetje geld tussen. Ik bedoel daarmee winst.

Vraag: Vorige week had jij het over een nette man, die jou een aantal jaren geleden advies gaf toen je hem vroeg hoe het verder moest met jouw verdiensten uit de handel. Je sprak toen over 50 procent belasting betalen, daaroverheen 50% boete. Dat je dan al je verdiende centen kwijt zou zijn. Wie is die meneer die je toen adviseerde en wat adviseerde hij?

A: (…) Ik ben toen met zijn advies weggegaan en heb besloten om het niet aan te geven.

(pagina 6 van 8) Vraag: wat kun je verklaren over de door jou dagelijks gebruikte zilvergrijze Mercedes Benz S320, kenteken [kenteken]. (…)

Die heb ik gekocht. Ik heb die gekocht van een Duits bedrijf. (…) Die auto staat op naam van [K] dus die zullen jullie wel hebben die bon (…). Ik heb het geld voor die auto betaald aan die jongens van [K]. [K] hebben hem voor mij ingevoerd. (…) (pagina 7 van 8) Ik heb die auto betaald. ik heb mijn zaken niet op orde maar ik licht niemand op of besodemietert niemand. Ik betaal de verzekeringspremie en de houderbelasting aan [K].(…) Als ze bij [K] hebben gezegd dat ik 2440,99 ex btw per maand moet betalen dan klopt dat wel.”

PV 26 november 2009, proces-verbaalnummer: 29-034017

(Pagina 3 van 6)

Ik begon een beetje met autootjes te rommelen. Ik begon een beetje geld te verdienen en die auto’s gingen in de boeken van [L].”

PV 27 november 2009, proces-verbaalnummer 29-0340230

(Pagina 6, 7 en 8 van 9)

Ik heb [B]. Ik handelde wel. [M] en [G] zagen wel wat ik deed. In ben anti boekhouden. Ik weet niet precies hoe het zit. Hij heeft twee keer 18.000 gestort om [C] en [B] te starten. (…) [M] zat toen wel zwaar met zijn relatie en moest zijn huis verkopen. Ik heb toen uit mijn handelsgeld 36000 euro gegeven zodat hij geld aan mij kon storten. [M] moest snel storten omdat anders [E] en [I] op straat zouden komen te staan. Vervolgens ging alles lopen, die BV’s waren geopend. Kamer van Koophandel rond, bankrekening geopend (…) Vervolgens had ik de bedrijven [C] en [B] in running. Ik weet niet hoe ik een factuur moet schrijven of hoe deze eruit ziet. [M] zei dat we dat zouden gaan regelen. (...)

Als iets koop en daarna verkoop en ik heb 50 euro cent winst, dan heb ik 50 eurocent winst. Ik heb oog voor handel. Voorbeeld. Als iets een euro waard is en ik koop het voor 30 cent waarna ik het voor 80 cent verkoop heb ik dus 50 cent winst.

Ik gaf als voorbeeld dat WIJ Björn Borg onderbroeken kochten in de tijd dat iedereen zijn broek liet zakken om de onderbroek te laten zien. Ik zeg niet wie wij is.(..)

Als je je ogen open houdt is er geld te verdienen. Ik heb een zwarte actie meegedaan rond het WK. Dat ging om een [actie]. (…)

Zo hoorde ik over container keukens en auto banden. Als ik er niets in zag ging ik er niet achteraan. Als ik er wat in zag, ging ik er achteraan. Er wordt best wel onderschat hoeveel zwart geld in de restpartijen handel omgaat.

Er zijn feesten die zijn binnen 30 minuten uitverkocht. Die kaarten kosten 55 per stuk. Dat wordt gemanipuleerd er zijn altijd kaarten over. Zoals ik bestel voor die hotste feest waar de meter snel voor loopt bestel ik via de achterdeur kaarten. Ik koop 2000 kaarten zwart. Hun doen niets verkeerd. Als mensen naar zo’n feest willen betalen ze gewoon 70 euro voor een kaartje van 50 euro. Heb je zo 2000 kaarten heb je netto winst van 20 euro per kaart. Het is een gemakkelijke manier van geld verdienen waar niemand mee in de problemen komt.(…)

[activiteit]. Kijk zo zijn er meerdere zaken. (…)

Ik weet dat ik belastingplichtig ben. [G] zag wel dat ik bezig was en wilde samen doen. Hij zou de boekhouding gaan doen. Meestal doe ik geen handel via de telefoon. Als ik denk dat iets voor mij is rijd ik er naar toe. Dit was dan om te kijken of het geen nepspullen zijn. Bijvoorbeeld dat het Niketeken op zijn kop stond.

Zoals ik al zei. Soms doe ik handel in partijen zelf. Soms doe ik samen met anderen. Ik heb daar geld aan verdiend. Ik wil niemand door mij in problemen brengen. Ik pas daarvoor. Ik zit hier en ik zit na te denken. Ik kan wel begrijpen dat ik met dure auto’s en reizen opgevallen ben bij andere mensen. Als ik mijn belasting had betaald had ik dat niet kunnen doen. Ik leefde in een roes, een flow. Ik was bezig, verdiende geld, kwam met een dure auto. Achteraf helemaal fout. Ik ga op de blaren zitten. Ik hoor net als een andere Nederlander te weten dat ik mijn inkomsten op had moeten geven. (…)”

PV 9 december 2009, proces-verbaalnummer 29-041405

(pagina 2 van 5)

Ik heb een voorbeeld gegeven van feesten waar ik kaartjes van kochten. Ik kocht die kaarten niet rechtstreeks via de achterdeur bij die mensen die de feesten organiseerden. Ik kon ze niet eens kopen bij die mensen want die computers zijn allemaal gekoppeld. Ik kocht niet alleen kaarten van die feesten die ik eerder in de verklaring heb genoemd maar ik kocht van meerdere evenementen kaarten. Dit ging dan via andere kanalen. Ik deed dat met andere mensen. Geld maakt altijd geld.

Vraag: Wij tonen jou een foto. Foto zijn uit een in beslag genomen fotoboek. Lag in de [adres 1] te [woonplaats] en is daar in beslag genomen. Staan twee auto’s op. Ferrari (…) en Lamborghini.(…). Wat kun en wil jij over die foto en die twee auto’s verklaren?

A: Ik heb heel kort gebruik gemaakt van deze Ferrari. Deze was van mij en iemand anders. Ik heb daar even mee rond gereden. Die hebben wij met winst verkocht. Als je daar mee rondrijdt dan komen daar mensen op af. Ik had die goedkoop gekocht en met winst verkocht. (…)

Uit de tap moet toch ook op te maken zijn dat ik in auto’s en horloges heb bemiddeld. Ik kreeg die auto’s en horloges op goed vertrouwen. Ik kreeg die op krediet mee. Ik moest pas betalen als ik ze verkocht had. De winst hield ik thuis. Als het niet verkocht was kon ik het zo teruggeven.

Vraag: Van wie is die Lamborghini op de foto?

A: Dat weet ik niet. Ik heb die auto gekocht omdat ik wist dat iemand daar naar op zoek was. Iemand anders had een Ferrari voor zijn bruiloft geregeld. Ik was [N] zijn getuige en toen hebben we voor de foto’s beide auto’s gebruikt.”

PV 9 juni 2010, proces-verbaalnummer 29-173526

“Ik begrijp dat u mij wil confronteren met de door u opgemaakte kasopstelling. Ik begrijp van u dat door middel van deze kasopstelling inzichtelijk is gemaakt wat er door mij en [A] contant is uitgegeven in de periode 1 januari 2001 tot en met 17 november 2009. De dag van mijn aanhouding. Aan deze contante uitgaven liggen volgens u geen legale inkomsten ten grondslag. U zegt mij dat u berekend heeft dat ik ongeveer € 1.000.000,00 verdiend hebt zonder dat er een legale grond is.

Ik kan verklaren dat ik daar reeds eerder over verklaard heb. Ik had toen bijvoorbeeld € 200.000,00 en ik heb daar advies over gevraagd bij [M]. En deze vertelde mij toen dat ik daar 52% zou moeten betalen, dat was in 2004. Ik heb toen gekozen om dat niet te doen. Ik handelde vanaf 2004 in horloges, boten, auto’s e.d. Jullie kunnen dit allemaal lezen in de tapgesprekken. Ik vind 1 miljoen erg veel. Ik ben zelf verantwoordelijk. Vanaf 2001 handelde ik al in auto’s. Auto’s worden met gesloten beurzen doorgezet. De Q7 als voorbeeld, heb ik telefonisch verkocht.(…)

V: Hoe kom je aan het geld om deze contanten uitgaven van ongeveer 1.000.000 gedaan te kunnen hebben?

Ik zal het wel zien hoe jullie dit berekend hebben. Ik kan zeggen dat dit onzin is.

(…)

Ik heb geld verdiend en ik heb dat niet opgegeven en dat geld is inderdaad in het huis gegaan. Maar zo heb ik bijvoorbeeld een lantaarnpaal van de gemeente gehad. Ik ben een handelaar en ik ga niet de duurste prijs betalen. Ik weet niet hoeveel geld in het huis is gegaan.”

2.4.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek is belanghebbende, bij vonnis van 18 juli 2014 met de parketnummers 02/811526-07 en 02/810947-10, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor onder andere het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift. Zijn partner is, bij vonnis van 18 juli 2014 met parketnummer 02/811220-08, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan tien voorwaardelijk, voor het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift. Belanghebbende is tegen zijn vonnis in hoger beroep gegaan.

2.5.

Naar aanleiding van de bevindingen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek en de daarop gevolgde veroordelingen, heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende inkomsten jegens de fiscus heeft verzwegen. Om de omvang van de verzwegen inkomsten te bepalen, heeft de inspecteur vermogensvergelijkingen opgesteld. Deze vermogensvergelijkingen zijn gebaseerd op de gegevens uit het hoofddossier en financieel dossier opgemaakt door het onderzoeksteam en de administratieve bescheiden (onder andere bankafschriften en facturen van belanghebbende en de partner) en overige gegevens die door het onderzoeksteam zijn verkregen. De vermogensvergelijkingen zijn gedurende het onderzoek en daarna verschillende malen door de inspecteur aangepast in verband met het beschikbaar komen van nieuwe informatie.

Voor 2008 heeft dit uiteindelijk geleid tot de volgende opstelling:

Vermogensbestanddelen

1-1-2008 (€)

1-1-2009 (€)

Grond en opstallen [adres 1]

400.629,00

400.629,00

Hypotheek [adres 1]

-325.000,00

-325.000,00

[adres 2] [adres 4]

175.000,00

175.000,00

Hypotheek [adres 2]/[adres 4]

-175.000,00

-175.000,00

Contant geld

180.000,00

180.000,00

Lening u/g [Q]

0,00

50.000,00

Perceel grasland [adres 1]

0,00

13.090,00

[adres 3] [plaats F]

0,00

145.000,00

Bankrekening AXA bank

8.773,63

8.773,63

Rekening-courantschuld [C]

0,00

-26.500,00

Bankrekening [rekeningnummer 1]

9.089,00

3.252,00

Bankrekening [rekeningnummer 2]

89,00

35.985,00

Visacard [visa]

0,00

1.145,00

Werkelijk vermogen (WEV)

273.580,63

486.374,63

Inkomensbestanddelen

Inkomsten [belanghebbende]

28.744,00

Huuropbrengsten [paardenstal 1]

3.000,00

Huuropbrengsten [paardenstal 2]

3.000,00

Huuropbrengsten [paardenstal 3]

3.000,00

Huuropbrengsten [adres 2]/[adres 4]

24.000,00

Huuropbrengsten [adres 3] [plaats F]

8.375,00

Belastingteruggaven en toeslagen

8.461,00

Onbelaste ontvangst op bankrekening [rekeningnummer 2]

7.985,91

Prijs loterij Brazilië

79.266,00

TEV

439.412,54

WEV

486.374,63

Bruto beschikbaar voor privé

-46.962,09

Benoemde uitgaven privé

587.155,85

Onbenoemd voor levensonderhoud

-634.117,94

Stelpost levensonderhoud

18.000,00

Negatieve kas

-652.117,94

Benoemde posten

Niet in geschil zijnde posten bankrekeningen

98.537,86

Niet in geschil zijnde posten contant

217.106,99

Huur units

5.000,00

Kosten Mercedes Benz [kenteken]

12.990,00

Kosten Mercedes Benz [kenteken]

62.500,00

Kosten Ferrari Spider [kenteken]

159.668,00

Bekeuringen [K] en eigen risico

2.237,00

Telefoonkosten [belanghebbende]

2.400,00

Telefoonkosten contant betaald [A] Vodafone

1.716,00

Autokosten, brandstof, onderhoud, verzekering ed stel

15.000,00

Vakantie en overige reizen Spanje Brazilië enz

10.000,00

587.155,85

2.6.

Op basis van, onder andere, deze vermogensvergelijking heeft de inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PH) en naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Met dagtekening 18 september 2013 is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag, met boete, opgelegd. Die naheffingsaanslag is gebaseerd op een belastbare omzet van € 681.940, welk bedrag is afgeleid uit een in een eerder stadium door de inspecteur opgestelde vermogensvergelijking (bijlage 11 bij het verweerschrift in de zaken van belanghebbende met de procedurenummers 13/3497 en 13/3498).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente terecht zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Heeft belanghebbende belaste prestaties voor de omzetbelasting verricht?

  2. Zo ja, is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

  3. Is de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

  4. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade?

  5. Heeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding?

Belanghebbende beantwoordt de eerste drie vragen ontkennend en de laatste twee bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt onder andere dat, indien het bezwaar is gericht tegen een naheffingsaanslag met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan, bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking wordt gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een soortgelijke bepaling is voor de beroepsfase neergelegd in artikel 27e, eerste lid, van de AWR. Hierin is bepaald dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende vanaf het vierde kwartaal van 2007 tot en met het eerste kwartaal van 2009 beschreven is voor de omzetbelasting en uitgenodigd werd om kwartaalaangifte voor de omzetbelasting te doen. Belanghebbende heeft, volgens de inspecteur, voor 2008 vier nihilaangiften ingediend. Belanghebbende heeft betwist dat er aangiften voor de omzetbelasting zijn uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft overgelegd, onder andere een uitdraai van de in- en uitschrijving van de eenmanszaak van belanghebbende uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en uitdraaien van verschillende OB-systemen van de belastingdienst, en ter zitting gesteld, aannemelijk gemaakt dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangiften en dat belanghebbende voor 2008 nihilaangiften heeft gedaan.

4.3.

Voor omkering van de bewijslast op grond van het niet doen van de vereiste aangiften dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de door belanghebbende voor 2008 ingediende nihilaangiften zowel absoluut als relatief gezien aanzienlijk te lage aangiften zijn.

4.4.

Gelet op het tot de gedingstukken behorende (delen van het) proces-verbaal van de FIOD-ECD inzake het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende, in het bijzonder op de daarin opgenomen verklaringen van belanghebbende (zie onder 2.3), acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in 2008 in Nederland heeft gehandeld in bepaalde goederen en dat hij daaruit belastbare omzet heeft genoten. Belanghebbende verklaart immers zelf dat hij heeft gehandeld in diverse goederen, dat hij de inkomsten had moeten opgeven aan de Belastingdienst en dat hij daarover 52% belasting had moeten betalen. De eigen verklaringen van belanghebbende worden ondersteund door verklaringen van anderen en door de in zijn woning aangetroffen horloges en geldbedragen. Gelet ook op het feit dat belanghebbende heeft verklaard al vanaf 2001 te handelen in auto’s en vanaf 2004 in horloges, boten, auto’s en dergelijke acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar moet worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting.

4.5.

De hoogte van het vastgestelde omzet heeft de inspecteur afgeleid uit de door hem opgestelde vermogensvergelijkingen (zie 2.5). Het standpunt van belanghebbende dat de verschillende vermogensvergelijkingen dusdanig onzorgvuldig tot stand zijn gekomen dat hieraan geen waarde kan worden gehecht, wordt door de rechtbank verworpen. De enkele omstandigheid dat een vermogensvergelijking aanpassing behoeft naar aanleiding van door belanghebbende verstrekte (nieuwe) informatie, kan niet leiden tot het oordeel dat aan die opstelling geen waarde kan worden gehecht. De rechtbank zal de laatste door de inspecteur opgestelde vermogensvergelijking (zie 2.5) als uitgangspunt nemen. Deze vermogensvergelijking komt uit op een bedrag aan onbenoemde uitgaven van € 652.117,94.

4.6.

Belanghebbende heeft de juistheid van deze vermogensvergelijking op onderdelen betwist (zie pleitnota). Voor de door belanghebbende niet betwiste onderdelen van de vermogensvergelijking zal de rechtbank uitgaan van de juistheid daarvan.

4.7.

Nu het bruto beschikbare bedrag voor privé reeds uitkomt op een negatief bedrag van € 46.962,09 en de door belanghebbende niet betwiste onderdelen opgeteld € 315.644,85 bedragen, komt de negatieve kas uit op een bedrag van ten minste € 362.606,94, waarvan de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende die uitgaven heeft gefinancierd door de met omzetbelasting belaste handel in diverse goederen (zie 4.4).

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende het bedrag van de uitgaven, voor zover dat uitstijgt boven zijn zichtbare inkomsten, heeft gefinancierd met inkomsten uit handel die niet richting de Belastingdienst zijn verantwoord, terwijl dat wel had gemoeten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee niet correct aan zijn aangifteverplichtingen voldaan. Dat verzuim acht de rechtbank van voldoende gewicht om daaraan de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te verbinden.

4.9.

Dit brengt mee dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Met het enkel weerspreken van enkele onderdelen van de vermogensvergelijking heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank tegenover de met stukken onderbouwde vermogensvergelijkingen van de inspecteur niet het bewijs geleverd dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de naheffingsaanslag niet naar willekeur is opgelegd, maar op een redelijke schatting berust.

4.10.

Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag is opgelegd naar een belastbare omzet van € 681.940. De inspecteur heeft later een nieuwe, verbeterde vermogensvergelijking met een negatieve kas van € 652.117,91 gemaakt (bijlage bij nadere stukken 20 mei 2014, zie 2.5). In zoverre behoeft belanghebbende het van hem verlangde bewijs niet (verder) te leveren en dient de naheffingsaanslag verminderd te worden tot een bedrag berekend naar een belastbare omzet van € 652.117, ofwel € 104.119 omzetbelasting.

De verschuldigde omzetbelasting is becijferd op basis van de vermogensvergelijkingen. Deze vermogensvergelijkingen zijn gebaseerd op de gegevens uit het strafdossier en financieel dossier opgemaakt door het onderzoeksteam en de administratieve bescheiden (onder andere bankafschriften en facturen van belanghebbende en de partner) en overige gegevens (verklaringen van belanghebbende en anderen) die door het onderzoeksteam zijn verkregen. Gelet hierop is de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 104.119 naar het oordeel van de rechtbank redelijk geschat.

Boete

4.11.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een vergrijpboete wegens (voorwaardelijk) opzet opgelegd van 50%, ofwel € 54.440.

4.12.

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 4.10 heeft overwogen, dient de vergrijpboete in ieder geval te worden verminderd tot een bedrag van € 52.059.

4.13.

De inspecteur heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende deze omzet willens en wetens heeft verzwegen, zodat de inspecteur is geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat het aan de opzet van belanghebbende is te wijten dat er te weinig belasting is geheven. De rechtbank baseert zich daarbij onder meer op de negatieve vermogensvergelijking, de eigen verklaringen van belanghebbende omtrent de handel die hij dreef en de belastbaarheid daarvan, en de strafrechtelijke veroordeling wegens witwassen.

4.14.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41 832, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2008:BC1962, overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat toepassing van omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding voor een matiging van de boete en acht de aan belanghebbende opgelegde boete een passende en geboden sanctie voor het vergrijp dat is begaan.

4.15.

Belanghebbende is van het voornemen tot het opleggen van de boete in kennis gesteld op 5 juni 2013. Nu de uitspraak van de rechtbank wordt gedaan binnen twee jaar na deze kennisgeving, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een berechting binnen een redelijke termijn.

Belastingrente

4.16.

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 4.10 heeft overwogen, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd. De beschikking belastingrente dient overeenkomstig te worden verminderd.

4.17.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke bezwaren tegen de beschikking belastingrente ingebracht. De rechtbank is niet gebleken dat de beschikking voor het overige onjuist zou zijn vastgesteld.

Immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.19.

Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur (26 juli 2013) en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank (15 juni 2015) zijn (afgerond) 1 jaar en 11 maanden (= 23 maanden) verstreken. De redelijke termijn is niet overschreden.

Conclusie

4.20.

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 4.10, 4.12 en 4.16 heeft overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt daarbij de zaken van belanghebbende met de procedurenummers 12/6720, 13/3497, 13/3498 en 13/5967 als samenhangend. De vergoeding is toegekend in de zaak met nummer 12/6720.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 104.119;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente overeenkomstig;

- vermindert de boete tot € 52.059;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 160 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2015 door mr. D. Hund, voorzitter, mr.drs. M.H. van Schaik en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.