Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3662

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
02/666979-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geweldsincident(en) in discotheek Kerkplein te Breda d.d. 9 januari 2011. Vrijspraak t.a.v. openlijke geweldpleging. Veroordeling t.a.v. mishandeling. Artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/666979-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. B.A.S.E. Maandag, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

Op grond van artikel 369, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak op 21 oktober 2011 naar de meervoudige kamer van deze rechtbank verwezen.
De zaak is (inhoudelijk) door de meervoudige kamer behandeld op de zitting van 22 mei 2015, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Primair:

hij op of omstreeks 9 januari 2011 te Breda met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Torenstraat en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats (discotheek [naam]), in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal slaan en/of stompen en/of stoten in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer];

Subsidiair:

hij op of omstreeks 9 januari 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

Hoewel de geldigheid van de dagvaarding in deze zaak niet in geschil is, is op de zitting wel discussie ontstaan over de vraag op welk (gewelds)incident, welke confrontatie, de tekst van de tenlastelegging precies ziet, nu in het dossier meerdere (gewelds)incidenten voorkomen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat volgens hem de tekst van de tenlastelegging enkel op de zogenoemde ‘eerste confrontatie’ ziet en niet op de ‘tweede confrontatie’. Naar de mening van de raadsvrouw ziet de tenlastelegging, gelet op de brief d.d. 3 februari 2012 van de officier van justitie van destijds aan de raadsvrouw, louter op de ‘tweede confrontatie’. Zij heeft naar eigen zeggen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling geprobeerd hierover met de huidige officier van justitie in contact te komen, maar dit was tevergeefs. De verdediging is daarom, bij de voorbereiding van deze zaak, uitgegaan van de uitlating van de officier van justitie van destijds.

De rechtbank heeft op 22 mei 2015 - na hierover tijdens een onderbreking in raadkamer te hebben beraadslaagd - geoordeeld dat de tekst van de tenlastelegging enkel dient te worden gezien in het licht van de ‘tweede confrontatie’.

Zij is van oordeel dat de verdediging gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de (schriftelijke) uitlating van de officier van justitie van destijds, inhoudende dat de tenlastelegging enkel op de ‘tweede confrontatie’ ziet. Deze uitlating komt voor rekening van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat de huidige officier van justitie gebonden wordt geacht aan deze uitlating.

De rechtbank zal zich, bij de beoordeling of het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan ook beperken tot de zogenoemde ‘tweede confrontatie’, omdat het ten laste gelegde in redelijkheid, gelet op het bij de verdediging opgewekte vertrouwen, enkel in dat licht kan worden bezien.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat jegens aangever [slachtoffer] op 9 januari 2011 te Breda, ten tijde van de ‘tweede confrontatie’ in discotheek [naam], openlijk geweld is gepleegd dan wel dat hij is geslagen door verdachte of medeverdachte [medeverdachte]. De verklaringen in het dossier bevatten op dit punt te veel onduidelijkheden, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Op basis van de afgelegde verklaringen - en de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden die volgens haar in deze verklaringen zitten - kan niet met voldoende zekerheid worden gezegd dat verdachte degene was die [slachtoffer], ten tijde van de ‘tweede confrontatie’, sloeg. De raadsvrouw is van mening dat verdachte daarom integraal moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de nacht van 9 januari 2011 ging aangever [slachtoffer] met vrienden naar discotheek [naam] te Breda.1 Er ontstond op enig moment een schermutseling tussen [slachtoffer] en een ander, naar later bleek verdachte. [slachtoffer] verliet hierop de discotheek en keerde even later weer terug naar [naam]. Naar eigen zeggen is hij op dat moment gelijk op zoek gegaan naar de jongen waarmee hij eerder in [naam] een confrontatie had gehad.

[slachtoffer] zag de jongen staan en wilde hem direct een klap geven. [slachtoffer] maakte een slaande beweging naar de jongen, maar nog voordat hij de jongen raakte, kreeg hij zelf een harde klap op zijn gezicht, waarna hij op de grond viel.2

Verdachte heeft bevestigd dat er die nacht inderdaad meerdere confrontaties hebben plaatsgevonden in discotheek [naam]. Tijdens de zogenoemde tweede confrontatie kwam [slachtoffer] op hem aflopen. Omdat [slachtoffer] hem, verdachte, wilde slaan, sloeg hij terug. Hij deed dit naar eigen zeggen met zijn vuist. Het zou kunnen zijn dat hij [slachtoffer] daarbij in het gezicht raakte, aldus verdachte.3

[medeverdachte], de broer van verdachte, heeft verklaard dat de jongen met het witte T-shirt, de rechtbank begrijpt dat hij hiermee aangever [slachtoffer] bedoelt, op verdachte afvloog en sloeg in de richting van verdachte. Hij zag dat verdachte hierop meteen terugsloeg.4

[getuige], een vriend van verdachte, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de jongen met het witte T-shirt naar verdachte wilde uithalen, maar dat verdachte eerder was. Hij zag dat verdachte met zijn vuist uithaalde. Verdachte raakte de jongen in het gezicht, waardoor de jongen naar achteren viel.5

De rechtbank acht, gelet op de voorgaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 januari 2011 te Breda [slachtoffer] heeft mishandeld door hem in het gezicht te stompen (subsidiaire feit), waardoor die [slachtoffer] pijn ondervond.

Hoewel uit het dossier volgt dat [slachtoffer], in de nacht van 9 januari 2011, letsel in zijn gezicht opliep, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden gezegd dat dit letsel is ontstaan door de vuistslag van verdachte, uitgedeeld bij de tweede confrontatie. Immers, er waren op meerdere momenten diverse confrontaties in en rondom discotheek [naam], waarbij over en weer geweld werd toegepast, zodat het letsel - in het gezicht van [slachtoffer] - evengoed op een ander moment kan zijn ontstaan. Wel acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] door de vuistslag van verdachte - uitgedeeld tijdens de tweede confrontatie - pijn heeft ondervonden, omdat het ging om een harde vuistslag in het gezicht.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, ten tijde van de tweede confrontatie en het uitdelen van de bewuste vuistslag, samen en in vereniging met een ander heeft gehandeld. Van enige vorm van samenwerking was op dat moment geen sprake, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde feit (openlijke geweldpleging), nu daarvoor is vereist dat verdachte in vereniging met een ander handelde, en eveneens zal hij daarom worden vrijgesproken van het onderdeel ‘medeplegen’ bij het subsidiair ten laste gelegde feit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Subsidiair:

hij op of omstreeks 9 januari 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft integrale vrijspraak bepleit en geen strafeis geformuleerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit en evenmin een standpunt ingenomen ten aanzien van een eventuele strafoplegging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een mishandeling. Hij heeft een ander, in de nacht van 9 januari 2011 in een uitgaansgelegenheid te Breda, een vuistslag in het gezicht gegeven.

Hoewel het hier gaat om een naar geweldsdelict, gepleegd in een openbare ruimte, neemt de rechtbank, bij de bepaling van een passende straf of maatregel, in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking.

De rechtbank hecht nadrukkelijk belang aan de omstandigheid dat verdachte in de nacht van 9 januari 2011, bij een onmiddellijk volgend geweldsincident in diezelfde uitgaansgelegenheid, ernstig letsel in zijn gezicht opliep, waarvan hij tot op de dag van vandaag de gevolgen ondervindt. Hij wordt hierdoor reeds jaren (dagelijks) aan deze nacht herinnerd. Hoewel zijn letsel niet (direct) aan aangever toegerekend kan worden, ligt het geweldsincident waarbij verdachte het betreffende letsel opliep, wel in het verlengde van de (eerdere) confrontatie tussen hem, verdachte, en aangever.

Tot slot constateert de rechtbank dat het tijdsverloop in deze zaak de grens van een redelijke termijn, van twee jaren, ruimschoots overschrijdt. Immers, het feit dat verdachte heeft gepleegd dateert van 9 januari 2011, terwijl de laatste getuigenverhoren in deze zaak in mei 2012 plaatsvonden. Vervolgens heeft het (ruim) drie jaren geduurd voordat de zaak inhoudelijk op zitting stond.

De termijnoverschrijding is in deze zaak zodanig ernstig dat de rechtbank, mede gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel is dat thans geen straf of maatregel aan verdachte meer dient te worden opgelegd. Zij zal daarom artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Scheffers en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schilt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 juni 2015.

1 Hierna wordt telkens, tenzij anders is vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal met nummer PL27YZ/11-000663 van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, brigade Brabant-Zuid, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 167, met bijlagen. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 12 januari 2011, p. 154-155.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 10 januari 2011, p. 143.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 22 mei 2015.

4 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 5 februari 2011, p. 166.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 23 januari 2011, p. 126.