Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3497

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
C-02-274445 - HA ZA 13-967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verplichting voor Dow, als houder van een ontheffing van een particulier net, om het systeemdienstentarief (STD) aan TenneT, beheerder van het landelijk hoogspanningsnet, af te dragen over een periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014.

De grondslag voor het innen en afdragen van het SDT is gelegen in artikel 15 van de Elektriciteitswet. Er is geen apart regime in het leven geroepen voor de verschillende typen ontheffingen. Hieruit volgt dat artikel 15 lid 4 en lid 5, zoals deze golden vanaf 20 juli 2012, ook van toepassing zijn op de houders van een "oude" ontheffing, en dus op de ontheffingen voor particuliere netten ex artikel 15 lid 2 onder a of c die vóór 20 juli 2012 zijn verleend, indien door de betreffende ontheffinghouders tijdig een verzoek voor een ontheffing aan een GDS is ingediend. Met het gebruik van de termen "innen" en "in rekening brengen" is niet beoogd een wettelijk relevant onderscheid te maken in activiteiten met betrekking tot het verkrijgen van het verschuldigde SDT. Dow is derhalve sinds 1 juli 2011 verplicht het SDT bij haar afnemers te innen en af te dragen aan TenneT, waarbij onder "innen" ook "in rekening brengen" valt. Een aanpassing van de Tarievencode en Meetcode is voor het tot uitvoer brengen van deze verplichting naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Dow valt qua activiteiten gelijk te stellen met een (regionaal) netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet. De bepalingen van de Tarievencode en de Meetcode die van toepassing zijn op de regionale netbeheerder kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook analoog worden toegepast. De innings- en afdrachtsplicht van Dow heeft tot gevolg dat zij de verbruiksgegevens van de afnemers op haar net aan Tennet dient te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/274445 / HA ZA 13-967

Vonnis van 18 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TENNET TSO B.V.,

gevestigd te Arnhem, gemeente Arnhem,

eiseres,

advocaten: mr. J.Th.A. de Keijzer, mr. A.A. Kleinhout en mr. M. Mussche te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOW NETWERK B.V.,

gevestigd te Hoek, gemeente Terneuzen,

gedaagde,

advocaten: mr. M.R. het Lam en mr. M.L. Pigmans te Den Haag.

Partijen zullen hierna TenneT en Dow worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 december 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord van 29 januari 2014;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 19 maart 2014 van de zijde van Dow;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis van 26 maart 2014;

  • -

    de conclusie van dupliek van 7 mei 2014;

  • -

    de akte uitlaten productie van 21 mei 2014 van de zijde van TenneT;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 27 augustus 2014 van de zijde van Dow;

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    de akte van eiswijziging van 14 oktober 2014.

2 De feiten

2.1.

TenneT is de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet in Nederland.

2.2.

Dow is eigenaar en beheerder van een particulier elektriciteitsnet. Zij heeft op grond van artikel 15 lid 1 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Elektriciteitswet) een ontheffing van het gebod gekregen dat degene aan wie een ander elektriciteitsnet dan het landelijk hoofdspanningsnet of een landsgrensoverschrijdend net toebehoort, voor het beheer daarvan een netbeheerder moet aanwijzen.

2.3.

Het net van Dow is aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet.

2.4.

TenneT levert diensten om de veiligheid en betrouwbaarheid van het hoogspanningsnet en de daarop aangesloten netten te garanderen. Dit zijn de zogenaamde “systeemdiensten”. De kosten die TenneT maakt voor deze systeemdiensten worden gedekt door het systeemdienstentarief (hierna: het SDT). Het SDT wordt jaarlijks door de Autoriteit Consument & Markt (hierna: de ACM) vastgesteld in een tarievenbesluit en is verschuldigd door iedereen die profiteert van de systeemdiensten.

2.5.

Op 1 juli 2011 is de Elektriciteitswet gewijzigd.

Artikel 15 lid 4 kwam als volgt te luiden:

“Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot de aansluiting op het net, de toegang tot het net, het uitvoeren van de taken als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of 16a en met betrekking tot de tarieven en voorwaarden die daarbij gehanteerd worden. Tevens int de ontheffinghouder het tarief voor systeemdiensten, bedoeld in artikel 30, eerste lid, bij de afnemers die op zijn net zijn aangesloten en draagt de te innen tarieven af aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.”

En artikel 30 lid 2:

“Het tarief, bedoeld in het eerste lid (rechtbank: het SDT), wordt in rekening gebracht bij iedere afnemer die elektriciteit verbruikt en een aansluiting heeft op het landelijk hoogspanningsnet of een net dat direct of indirect in verbinding staat met dat net.”

2.6.

Op 20 juli 2012 is de Elektriciteitswet nogmaals gewijzigd.

Artikel 15 lid 4 en 5 werden toegevoegd. Deze luidden als volgt:

“4. Indien een ontheffing is verleend, zijn uitsluitend het vijfde en zesde lid van toepassing op de eigenaar van een gesloten distributiesysteem.”

“5. De eigenaar van een gesloten distributiesysteem beheert het gesloten distributiesysteem. De eigenaar van de ontheffing int het tarief voor systeemdiensten, bedoeld in artikel 30, eerste lid, bij de afnemers die op zijn net zijn aangesloten en draagt de te innen tarieven af aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.”

2.7.

Dow heeft over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014 het SDT over het totale elektriciteitsverbruik op haar net niet aan TenneT afgedragen.

2.8.

Door Dow is op 9 november 2012 bij de ACM een verzoek ingediend tot omzetting van haar ontheffing voor een particulier netwerk in een ontheffing voor een gesloten distributiesysteem. Op dit verzoek om omzetting is door de ACM nog niet beslist.

2.9.

Op 21 juli 2014 heeft Dow een aanvraag tot geschilbeslechting ingediend bij de ACM over de kwestie die in onderhavige zaak ter beoordeling voorligt.

3 Het geschil

3.1.

TenneT vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. Dow veroordeelt om de gegevens omtrent het maandelijkse elektriciteitsverbruik van de aangeslotenen op haar net over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014 aan TenneT te verstrekken, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Dow dit nalaat;

verklaart voor recht dat Dow vanaf 1 juli 2011 het systeemdienstentarief over het totale elektriciteitsverbruik op haar net dient af te dragen, althans te betalen, aan TenneT;

Dow veroordeelt tot betaling van € 4.371.716,06 aan achterstallige systeemdienstentarieven over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf het moment dat Dow in verzuim is, te weten 14 dagen na afloop van de maand waarover het systeemdienstentarief verschuldigd is, met dien verstande dat – nadat Dow de gegevens als bedoeld onder (a) aan TenneT heeft verstrekt – TenneT zal overgaan tot de vaststelling van de definitief door Dow over de onderhavige periode verschuldigde systeemdienstentarieven, waarna TenneT zal overgaan tot terugbetaling indien Dow teveel heeft betaald en tot naheffing indien Dow te weinig heeft betaald;

Dow veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

TenneT voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Dow en de op haar net aangesloten bedrijven profiteren van de systeemdiensten. Op grond van het per 20 juli 2012 geldende artikel 15 lid 5, en van 1 juli 2011 tot 20 juli 2012 geldende artikel 15 lid 4, van de Elektriciteitswet is Dow sinds 1 juli 2011 verplicht het SDT bij haar afnemers te innen en af te dragen aan TenneT. Dow heeft echter tot op heden nagelaten om het SDT aan TenneT te betalen. TenneT betwist dat houders van een ontheffing van een particulier net ex artikel 15 lid 2 onder a of c van de Elektriciteitswet die is verleend vóór 20 juli 2012 vanaf 20 juli 2012 niet verplicht zijn om het SDT bij de afnemers op haar net te innen en aan TenneT af te dragen.

“Innen” in de zin van artikel 15 lid 5, en voorheen artikel 15 lid 4, van de Elektriciteitswet omvat tevens “factureren”. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst TenneT onder meer naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 18 april 2014. Zij betwist dat op grond van artikel 30 van de Elektriciteitswet factureren uitsluitend een taak van de openbare netbeheerders is.

TenneT betwist dat de Tarievencode en de Meetcode eerst dienen te worden aangepast aan de Elektriciteitswet, voordat het SDT bij de afnemers van Dow in rekening kan worden gebracht. De verplichting tot afdracht van het SDT volgt rechtstreeks uit de Elektriciteitswet. Indien een incongruentie zou bestaan tussen de Elektriciteitswet en de Tarievencode, dient de Elektriciteitswet te prevaleren. De Elektriciteitswet is immers zowel lex superior als lex posterior ten opzichte van de Tarievencode. Er bestaat slechts één vastgesteld SDT dat wordt geïnd bij alle direct of indirect op het landelijk hoogspanningsnet aangesloten verbruikers. Het door Dow gestelde risico op discriminatie is dan ook niet reëel.

Dow dient voorts de verbruikgegevens op haar net aan TenneT te verstrekken. Deze verplichting vloeit voort uit de afdrachtplicht en volgt uit het systeem van de Elektriciteitswet.

TenneT betwist dat de door haar gevorderde eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Zij betwist tevens dat de onderhavige procedure dient te worden aangehouden tot op de aanvraag tot geschilbeslechting van Dow door de ACM en het CBb onherroepelijk uitspraak is gedaan.

3.3.

Dow voert verweer strekkende tot afwijzing van de vordering van TenneT.

Dow voert daartoe – samengevat − het navolgende aan.

Dow verzet zich tegen de eiswijziging, nu deze laat in de procedure is ingediend en daarom in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Zij verzoekt de onderhavige procedure aan te houden tot op de aanvraag tot geschilbeslechting van Dow door de ACM en het CBb onherroepelijk uitspraak is gedaan, omdat hun oordeel leidend zal zijn in de onderhavige civiele procedure en het CBb een gespecialiseerde rechter op het gebied van de Elektriciteitswet is.

De grondslag voor de betaling van het SDT is niet gelegen in artikel 15 lid 5, voorheen artikel 15 lid 4, van de Elektriciteitswet, maar in artikel 30 lid 2 van de Elektriciteitswet. Artikel 30 lid 2 van de Elektriciteitswet bevat voor TenneT als netbeheerder een grondslag om het SDT bij de afnemers aangesloten op het particuliere net van Dow in rekening te brengen. Op grond van dit artikel kan het SDT niet bij een ontheffinghouder in rekening worden gebracht, nu deze geen elektriciteit verbruikt.

Vanaf 1 juli 2011 bestond voor een ontheffinghouder van een particulier net op grond van artikel 15 lid 4 van de Elektriciteitswet de verplichting tot inning en afdracht aan TenneT van het SDT. Deze verplichting is op 20 juli 2012 vervallen voor ontheffinghouders van een particulier net ex artikel 15 lid 2 onder a of c van de Elektriciteitswet, waaronder Dow. Per 20 juli 2012 geldt alleen voor ontheffinghouders van een gesloten distributiesysteem (hierna: GDS) op grond van artikel 15 lid 5 de verplichting tot inning en afdracht van het SDT. Op grond van het overgangsrecht behorende bij de wetswijziging van 20 juli 2012 blijven ontheffingen voor particuliere netten ex artikel 15 lid 2 onder a of c die vóór 20 juli 2012 zijn verleend geldig indien de ontheffinghouder vóór 20 november 2012 bij de ACM een verzoek om een ontheffing voor een GDS heeft ingediend. De ontheffing voor het particulier net blijft in dat geval geldig tot door de ACM onherroepelijk op het verzoek is beslist. Op deze ontheffingen zijn na 20 juli 2012 de bepalingen van de Elektriciteitswet niet meer van toepassing. Het gevolg is dat per 20 juli 2012 de verplichting voor deze ontheffinghouders van een particulier net tot inning en afdracht van het SDT aan Tennet is komen te vervallen.

Dow betwist dat “factureren” onder “innen” van het SDT valt. Er is volgens haar geen wettelijke verplichting tot het factureren van het SDT door Dow bij haar afnemers. Dit is op grond van artikel 30 van de Elektriciteitswet een taak van de openbare netbeheerders en sinds de wetswijziging van 1 juli 2012 ook van de ontheffinghouder van een GDS.

Artikel 30 van de Elektriciteitswet geeft niet aan hoe het volume (elektriciteitsverbruik) waarover het SDT in rekening moet worden gebracht moet worden bepaald en welk tarief hierop moet worden toegepast. Een nadere regeling daarvoor moet in de Tarievencode en de Meetcode worden neergelegd. De Tarievencode bevat voor het berekenen van het SDT twee methodes, afhankelijk van de normadressaat, te weten de regionale netbeheerder en de afnemers op openbare elektriciteitsnetten. Voornoemde codes zijn echter nog niet toegespitst op het berekenen van het SDT voor afnemers op een particulier net of op een GDS. Een nadere regeling in de codes is noodzakelijk, omdat alle afnemers, gelet op het discriminatieverbod, gelijk dienen te worden behandeld. Het SDT kan, nu een nadere regeling ontbreekt, niet bij de afnemers van Dow in rekening worden gebracht.

Dow betwist dat zij verplicht is verbruikgegevens aan TenneT te verstrekken. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit de afdrachtplicht en ook niet uit de Elektriciteitswet. Daarbij dienen eerst de codes te worden aangepast. De eisen die aan comptabele meting en uitlezing van comptabele meetdata worden gesteld, zien nu alleen op openbare elektriciteitsnetten. Het gaat bovendien om vertrouwelijke gegevens van afnemers, die niet zomaar mogen worden verstrekt.

Dow betwist voorts de omvang van de vordering van TenneT en tevens de door TenneT gevorderde dwangsom.

4 De beoordeling

4.1.

Wijziging van eis

4.1.1.

TenneT heeft bij pleidooi haar eis vermeerderd, in die zin dat de periode waarover zij het SDT en de verbruikgegevens vordert is verlengd waardoor tevens de gevorderde hoofdsom hoger is geworden. Zij heeft daarnaast een dwangsom gevorderd voor iedere dag dat Dow de verbruikgegevens op haar net niet aan TenneT verstrekt.

4.1.2.

Het bezwaar van Dow tegen de wijziging van eis wordt ongegrond verklaard, omdat die wijziging niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De eisvermeerdering heeft geen verandering van de grondslag van de vordering tot gevolg, zodat Dow niet in haar verweer wordt bemoeilijkt. De inhoudelijke verweren van Dow tegen de eerst nu gevorderde dwangsom zullen door de rechtbank bij de inhoudelijke beoordeling worden betrokken. Ter zake van de vordering zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

4.2.

Geschilbeslechtingsprocedure

4.2.1.

Er bestaat geen wettelijke verplichting voor de rechtbank om de geschilbeslechtingsprocedure bij de ACM, en als er mogelijk in hoger beroep wordt gegaan van een besluit van het ACM, een procedure bij het CBb, voorrang te geven. Formeel is er dan ook geen bezwaar, indien de rechtbank als eerste instantie oordeelt over de onderhavige kwestie. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat de zaak als eerste bij de rechtbank is aangebracht en pas gedurende de procedure bij de rechtbank bij de ACM. De ACM spreekt daarnaast, in tegenstelling tot de rechtbank, geen veroordelend vonnis uit. In het kader van een efficiënte proceseconomie zal de rechtbank de onderhavige procedure dan ook niet aanhouden tot op de geschilaanvraag van Dow door de ACM onherroepelijk uitspraak is gedaan, maar de zaak inhoudelijk beoordelen.

4.3.

Grondslag

De rechtbank overweegt dat uit de Elektriciteitswet volgt dat de grondslag voor het innen en afdragen van het SDT, in tegenstelling tot wat Dow stelt, wel degelijk is gelegen in artikel 15 van de Elektriciteitswet. Artikel 30 is een nadere uitwerking van artikel 15 en beschrijft waarop het SDT betrekking heeft, wie het verschuldigd is en in welke eenheid het wordt uitgedrukt. Artikel 30 van de Elektriciteitswet roept derhalve geen zelfstandige grondslag in het leven voor het in rekening brengen van het SDT. De rechtbank gaat dan ook aan het verweer van Dow op dit punt voorbij. Op het “in rekening brengen” komt de rechtbank onder 4.5. van dit vonnis terug.

4.4.

Overgangsrecht

Gelet op de letterlijke tekst van artikel 15 lid 4 en 5, zoals deze gold op 20 juli 2012, wordt er geen verschil gemaakt tussen ontheffinghouders van een particulier net en ontheffinghouders van een GDS. De woordkeuze “een” ontheffing duidt er op dat het artikel ziet op enige ontheffing, ongeacht of deze is verstrekt vóór of na 20 juli 2012.

Uit de overgangsbepalingen (artikel V, Stb. 2012, 334, pagina 32, productie 9 bij de conclusie van antwoord) volgt slechts dat eigenaren van een ontheffing die op grond van artikel 15 was verleend vóór 20 juli 2012 binnen vier maanden na inwerkingtreding van de wetswijziging van 20 juli 2012 een verzoek tot een nieuwe ontheffing moesten indienen op basis van artikel 15 van de Elektriciteitswet, omdat anders de ‘oude’ ontheffing zou komen te vervallen binnen één jaar na inwerkingtreding van de nieuwe wet. In deze overgangsrechtbepalingen is niet bepaald dat op de houders van een ‘oude’ ontheffing de nieuwe wet niet van toepassing was. Er is geen apart regime in het leven geroepen voor de verschillende typen ontheffingen. Hieruit volgt dat artikel 15 lid 4 en lid 5, zoals deze golden vanaf 20 juli 2012, ook van toepassing zijn op de houders van een ‘oude’ ontheffing, en dus op de ontheffingen voor particuliere netten ex artikel 15 lid 2 onder a of c die vóór

20 juli 2012 zijn verleend, indien door de betreffende ontheffinghouders tijdig een verzoek voor een ontheffing van een GDS is ingediend. Dit is bij Dow het geval. Voor Dow is dus de verplichting tot inning en afdracht aan TenneT van het SDT ook na 20 juli 2012 blijven bestaan.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het in strijd zou zijn met de gedachte achter artikel 15 van de Elektriciteitswet, indien vanaf 20 juli 2012 alleen ‘nieuwe’ ontheffinghouders (ontheffinghouders van een GDS) SDT zouden moeten innen en afdragen. Alle afnemers die elektriciteit verbruiken en direct of indirect zijn aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet dienen SDT te voldoen.

De rechtbank stelt overigens vast dat ook de ACM in haar besluitvorming geen onderscheid maakt tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ ontheffingen, gezien haar besluit van 11 oktober 2012 (productie 10 bij de conclusie van repliek). Hierin verklaart de ACM artikel 15 na de wetswijziging van 20 juli 2012 expliciet van toepassing op de procedure tot intrekking van een ‘oude’ ontheffing.

4.5.

Innen en factureren

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van het CBb van 18 april 2014 volgt dat met het gebruik van de termen “innen” en “in rekening brengen” niet is beoogd een wettelijk relevant onderscheid te maken in activiteiten met betrekking tot het verkrijgen van het verschuldigde SDT. Het is dus, in tegenstelling tot wat Dow stelt, niet zo dat in rekening brengen zich onderscheidt van innen, doordat slechts met het in rekening brengen een betalingsverplichting ontstaat en dat de verantwoordelijkheid van Dow beperkt is tot het innen van het SDT en het in rekening brengen op grond van artikel 30 van de Elektriciteitswet de verantwoordelijkheid is van de openbare netbeheerders en sinds de wetswijziging van 20 juli 2012 ook van de ontheffinghouder van een GDS.

Op grond van artikel 15 lid 5, voorheen lid 4, van de Elektriciteitswet is Dow derhalve sinds 1 juli 2011 verplicht het SDT bij haar afnemers te innen en af te dragen aan TenneT, waarbij onder “innen” ook “in rekening brengen” valt. Het verweer van Dow op dit punt slaagt dus niet.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat uit de tekst van artikel 30 lid 2 en uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel ten aanzien van de situatie van 1 juli 2011 tot 20 juli 2012, niet blijkt dat de ontheffinghouder van een particulier net geen normadressaat in de zin van artikel 30 lid 2 van de Elektriciteitswet is. Dit kan ook niet uit de door Dow overgelegde jurisprudentie worden afgeleid, aangezien daarin andere artikelen en rechtsvragen centraal staan.

Na 20 juli 2012 is artikel 30 van de Elektriciteitswet van overeenkomstige toepassing verklaard op een ontheffinghouder van een GDS op grond van artikel 15 lid 6 van de Elektriciteitswet. Gelet op het overwogene in 4.4. is dit artikel tevens van toepassing op de houder van een ontheffing voor een particulier net ex artikel 15 lid 2 onder a of c die vóór 20 juli 2012 is verleend.

Per 1 januari 2014 is expliciet in artikel 15 lid 5 van de Elektriciteitswet opgenomen dat de ontheffinghouder van een GDS het SDT bij zijn afnemers “factureert”. Gelet op de Memorie van Toelichting bij deze wijziging (Conclusie van Repliek, pagina 9 en 10) is deze wijziging een explicatie van de bedoeling van de wetgever, namelijk dat de ontheffinghouder het SDT factureert én int.

4.6.

Tarievencode en Meetcode

4.6.1.

De rechtbank stelt voorop dat de verplichting tot facturering, inning en afdracht van het SDT, gelet op het overwogene in 4.3, 4.4 en 4.5, rechtstreeks volgt uit de Elektriciteitswet. Een aanpassing van de Tarievencode en Meetcode is voor het tot uitvoer brengen van deze verplichting naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Zij overweegt daartoe dat, hoewel Dow op grond van artikel 15 lid 1 van de Elektriciteitswet een ontheffing van het gebod heeft gekregen dat degene aan wie een ander elektriciteitsnet dan het landelijk hoofdspanningsnet of een landsgrensoverschrijdend net toebehoort voor het beheer daarvan een netbeheerder moet aanwijzen, zij qua activiteiten, en meer specifiek het innen, factureren en afdragen van het SDT, gelijk valt te stellen met een (regionaal) netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet, die daar ook verantwoordelijk voor is. Zij beheert als ontheffinghouder van het particuliere net, dan wel als ontheffinghouder van het GDS, het bijbehorende net. De bepalingen van de Tarievencode en de Meetcode die van toepassing zijn op de regionale netbeheerder kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook analoog worden toegepast op de ontheffinghouder van een particulier net of GDS.

Nu er door de ACM in haar Tarievenbesluit slechts één SDT wordt vastgesteld dat wordt geïnd bij alle direct of indirect op het landelijk hoogspanningsnet aangesloten verbruikers, is er geen sprake van discriminatie tussen deze verbruikers. Het verweer van Dow op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.6.2.

Het hiervoor overwogene leidt dan ook tot de conclusie dat Dow over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014 het SDT over het totale elektriciteitsverbruik op haar net aan TenneT dient af te dragen en dat het onder b. gevorderde toewijsbaar is. Onder “afdragen” wordt verstaan dat Dow daadwerkelijk het verschuldigde SDT aan TenneT betaalt, ook indien de afnemers op haar net niet of niet volledig aan haar hebben betaald. Het factureren en innen van het SDT komt, net als bij de regionale netbeheerder, voor rekening en risico van Dow.

4.7.

Hoofdsom

TenneT vordert in totaal een bedrag van € 4.371.716,06 aan voorschotbedragen voor het SDT over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014. De omvang van deze hoofdsom is door Dow betwist. Voornoemd bedrag is op basis van schattingen tot stand gekomen. In productie 6 bij de dagvaarding zitten facturen van TenneT die zien op het verbruik op het net van Dow in de periode van juli 2011 tot en met oktober 2013. De rechtbank kan op basis van deze facturen niet herleiden hoe de schattingen van TenneT over het verbruik op het net van Dow, en daarmee de voorschotbedragen, tot stand zijn gekomen. Zij zal TenneT daarom in de gelegenheid stellen zich bij akte over de berekening van de voorschotbedragen uit te laten. Dit geldt ook voor de voorschotbedragen over de periode november 2013 tot en met december 2014, waarmee TenneT haar eis heeft vermeerderd. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.8.

Verbruikgegevens

De innings- en afdrachtplicht van Dow heeft tot gevolg dat zij de verbruikgegevens van de afnemers op haar net aan TenneT dient te verstrekken ter verantwoording van het SDT en ten behoeve van een door TenneT op te maken nacalculatie. TenneT dient ten behoeve van deze nacalculatie te kunnen nagaan of de afdrachtplicht conform het daadwerkelijke verbruik is vervuld en dient een eindafrekening op basis van het werkelijke volume te kunnen opmaken. De gegevens van de betreffende afnemers mogen, en moeten zelfs, daartoe aan TenneT worden verstrekt.

De Tarievencode en de Meetcode hoeven daarvoor, zoals reeds overwogen in 4.6, niet eerst te worden aangepast. Op grond van de innings- en afdrachtplicht van Dow is het haar verantwoordelijkheid om het verbruik van de afnemers op haar net te meten. Ter zitting is namens Dow verklaard dat zij bedrijfsmetingen uitvoert. Zij beschikt dus over verbruikgegevens van de afnemers op haar net. Aan de verweren van Dow op dit punt wordt dan ook voorbij gegaan.

De vordering van TenneT onder a. is derhalve voor wat betreft het verstrekken door Dow van de maandelijkse verbruikgegevens van de aangeslotenen op haar net over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014 toewijsbaar.

4.9.

In afwachting van de door TenneT te nemen akte zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 maart 2015 voor het nemen van een akte door TenneT over hetgeen is vermeld onder 4.7, waarna Dow op de rol van

15 april 2015 een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek, mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en mr. E.J. Zuijdweg en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.