Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3477

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4168
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2895, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1340
ERF-Updates.nl 2015-0244
NTFR 2015/1826
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/4168

Uitspraak van 27 mei 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 15 april 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag erfbelasting wegens een verkrijging in het jaar 2013 (aanslagnummer [aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, A.C.J. van Zalinge, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond en handhaaft de aanslag erfbelasting zoals die is komen te luiden na de uitspraak op bezwaar van 15 april 2014;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 14,40;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Op [datum] 2013 is [erflaatster] (de moeder van belanghebbende, hierna: de erflaatster) overleden. Belanghebbende en zijn broer [de broer] (hierna: de broer) zijn ieder voor de helft gerechtigd in de nalatenschap van de erflaatster. Tot de nalatenschap behoort onder meer de eigen woning van de erflaatster, een appartement gelegen aan de [adres] te [plaats X] (hierna: het appartement). De woz-waarde van het appartement is voor het kalenderjaar 2013, per waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld op € 185.000 en is voor het kalenderjaar 2014, per waardepeildatum 1 januari 2013, vastgesteld op € 170.000.

2.2.

Op 4 december 2013 heeft belanghebbende voor zichzelf en namens zijn broer aangifte erfbelasting gedaan. Hierbij is een totale verkrijging aangegeven van € 134.340. Belanghebbende heeft hierbij aangegeven dat de waarde van het appartement € 160.000 bedroeg en dat de schuld die de erflaatster bij belanghebbende en zijn broer had wegens de wettelijke boedelverdeling die in 2006 heeft plaatsgevonden na het overlijden van haar echtgenoot, [echtgenoot] € 98.030 bedroeg.

2.3.

Bij brief van 15 januari 2014 heeft de inspecteur aangegeven voornemens te zijn de aanslag erfbelasting in afwijking van de aangifte op te leggen, in die zin dat hij voornemens was de waarde van het appartement, overeenkomstig de vastgestelde woz-waarde van het appartement voor het jaar 2013, op € 185.000 vast te stellen.

2.4.

In een brief van 20 januari 2014 heeft belanghebbende aangegeven het niet eens te zijn met de voorgenomen afwijking. In een brief van 24 januari 2014 heeft belanghebbende aangegeven dat de schuld van de erflaatster aan belanghebbende en zijn broer € 109.166 (twee maal € 54.583) bedroeg in plaats van de aangegeven € 98.030. Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht hiermee rekening te houden bij het opleggen van de aanslag erfbelasting.

2.5.

De inspecteur heeft met dagtekening 25 maart 2014 aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd naar een te betalen bedrag van € 6.013. Bij het bepalen van de totale verkrijging van € 79.670 is de inspecteur uitgegaan van een waarde van het appartement van € 185.000 (overeenkomstig de voor het jaar 2013 vastgesteld woz-waarde) en een schuld van de erflaatster aan belanghebbende en zijn broer van € 98.030. In hetzelfde geschrift is eveneens € 52 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.6.

Belanghebbende heeft hiertegen met dagtekening 3 april 2014 bezwaar gemaakt.

2.7.

Op 15 april 2014 heeft de inspecteur de aanslag bij brief van 15 april 2014 verminderd met een bedrag van € 1.307 tot € 4.706 en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd met een bedrag van € 12 tot € 40. Bovenaan de brief staat vermeld ‘Uitspraak op bezwaar’. In de brief is tevens een rechtsmiddelenverwijzing opgenomen. Bij de vermindering van de aanslag is de inspecteur onder meer uitgegaan van een totale verkrijging van € 66.602, een waarde van het appartement van € 170.000 (overeenkomstig de vastgestelde woz-waarde van het appartement voor het jaar 2014) en een schuld van de erflaatster aan belanghebbende en zijn broer van € 109.166. In de brief van 16 april 2014 heeft de inspecteur het volgende opgemerkt:

“Vóórdat u de verminderingsbeschikking heeft ontvangen maakt u bij brief van 3 april 2014 bezwaar tegen de aanslagen. De vermindering van 15 april 2014 is gedaan naar aanleiding van de aanvulling op de aangifte en daarom beschouw ik uw brief van 3 april 2014 als bezwaar en heb ik uw brief niet als beroepschrift aangemerkt en doorgezonden naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.”

2.8.

Bij brief van 24 april 2014 heeft belanghebbende aangegeven het niet eens te zijn met de mate van de vermindering van de aanslag.

2.9.

Met dagtekening 16 juni 2014 heeft de inspecteur bij ‘uitspraak op bezwaar’ het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Bij de ‘uitspraak op bezwaar’ van 8 juli 2014 is de uitspraak op bezwaar cijfermatig toegelicht.

2.10.

In geschil is naar welke waarde het appartement voor de heffing van de erfbelasting in aanmerking moet worden genomen.

Formeel

2.11.

De rechtbank merkt op dat de brief van de inspecteur van 15 april 2014 dient te worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar, nu bovenaan de brief staat vermeld dat het om een uitspraak op bezwaar gaat en in de brief tevens een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2014 gegrond moeten verklaren, nu bij dit geschrift, weliswaar onder de benaming van een ‘verminderingsbeschikking’, de aanslag erfbelasting is verminderd. De inspecteur had vervolgens de brief van 24 april 2014, bij de belastingdienst binnengekomen op eveneens 24 april 2014, dienen door te sturen naar de rechtbank als beroepschrift. Het beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond. De rechtbank zal doen wat de inspecteur had behoren te doen en zal het bezwaar alsnog gegrond verklaren.

Inhoudelijk

2.12.1.

Artikel 1, eerste lid van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) vermeldt (voor zover hier van belang):

“Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

1°. erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde;

(…).”

2.12.2.

Artikel 21, eerste lid van de SW bepaalt:

“Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.”

2.12.3.

Artikel 21, vijfde lid van de SW bepaalt:

“Onroerende zaken die in gebruik zijn als woning, worden in aanmerking genomen naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt dan wel, ingeval de verkrijger daarvoor kiest, voor het op dat kalenderjaar volgende kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.”

2.13.

Belanghebbende heeft gesteld dat bij het vaststellen van de waarde van het appartement niet kan worden aangesloten bij de voor het jaar 2014 vastgestelde woz-waarde, maar dient te worden uitgegaan van € 155.275,57, zijnde hetgeen werkelijk bij verkoop van het appartement is verkregen. Belanghebbende heeft hiertoe gesteld dat het ingevolge artikel 25, vijfde lid van de SW uitgaan van de woz-waarde (1) in strijd is met de tekst van artikel 1, eerste lid van de SW, (2) in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en (3) onder verwijzing naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juli 2013, nr. BLKB 2013/791M betreffende de waardering van serviceflats bij overlijdens in 2012 en 2013, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De inspecteur is volgens belanghebbende, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 20 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:980, ook niet gebonden aan de woz-waarde. Belanghebbende doet tevens een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, en stelt zich daarbij op het standpunt dat het niet redelijk is dat wordt uitgegaan van de woz-waarde als de woz-waarde niet gelijk is aan hetgeen daadwerkelijk is verkregen.

2.14.

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, artikel 25, vijfde lid van de SW niet in strijd is met de bewoordingen van artikel 1, eerste lid van de SW. Immers, in artikel 1, eerste lid van de SW wordt enkel het object van de heffing bepaald, zijnde “de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde”. Artikel 25, vijfde lid van de SW bevat een methode voor het bepalen van de waarde van de verkregen onroerende zaken. Deze grief van belanghebbende faalt derhalve.

2.15.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:339, bepaald dat artikel 25, vijfde lid van de SW niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, zodat ook deze grief van belanghebbende faalt.

2.16.

Voor de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel stelt de rechtbank voorop dat van een te honoreren beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake is indien aannemelijk is geworden dat door de inspecteur jegens één of meer belanghebbenden of groepen van belanghebbenden zou zijn gehandeld met het oogmerk van begunstiging, of dat een beleid zou worden gevoerd dat tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen heeft geleid of dat in een meerderheid van de met dit geval vergelijkbare gevallen een juiste waardering achterwege zou zijn gebleven (de meerderheidsregel).

2.17.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt toepassing van artikel 25, vijfde lid van de SW in het onderhavige geval niet tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het Besluit van 2 juli 2013, nr. BLKB 2013/791M blijkt dat een serviceflat een specifiek type woning is met extra voorzieningen die het woongenot voor de persoon beïnvloeden en die verplicht worden afgenomen. Volgens dit Besluit kan voor de waardering van een serviceflat uitgegaan worden van de waarde in het economische verkeer indien de waarde in het economische verkeer in belangrijke mate (30%) afwijkt van de woz-waarde van de serviceflat. Het onderhavige appartement is weliswaar, zoals belanghebbende terecht stelt, net zoals de serviceflats een woning, maar het is geen woning met extra voorzieningen die het woongenot voor de persoon beïnvloeden en die verplicht worden afgenomen. In dat opzicht is er dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van gelijke gevallen en de rechtbank ook niet is gebleken dat door de inspecteur jegens één of meer belanghebbenden of groepen van belanghebbenden zou zijn gehandeld met het oogmerk van begunstiging, leidt toepassing van artikel 25,vijfde lid van de SW in het onderhavige geval niet tot strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.18.

De rechtbank merkt voorts op dat artikel 25, vijfde lid van de SW een dwingendrechtelijke bepaling is, waar de inspecteur niet gerechtigd is van af te wijken. De verwijzing van belanghebbende naar onder meer de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 20 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:980, kan hem niet baten, nu het in die uitspraak ging om de inkomstenbelasting. In het onderhavige geval gaat het om de erfbelasting. In de SW is in artikel 25, vijfde lid opgenomen dat voor het bepalen van de waarde van onroerende zaken aansluiting wordt gezocht bij de vastgestelde woz-waarde. Deze stelling van belanghebbende faalt derhalve.

2.19.

Ook het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, kan niet slagen. Zoals de inspecteur ter zitting terecht heeft opgemerkt ging het in dat arrest over de waardering van een verhuurde woning, waarbij er sprake was van een opeenstapeling van forfaits. Hier is in het onderhavige geval geen sprake van.

2.20.

Ook de stelling van belanghebbende dat het onredelijk zou zijn om van de woz-waarde uit te gaan wanneer vaststaat dat hiervoor een ander bedrag werkelijk is verkregen kan niet slagen. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

2.21.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dubbel belast te zijn. Belanghebbende heeft hiertoe gesteld dat hij bij het overlijden van de vader over een deel van het appartement al erfbelasting heeft betaald. Doordat het appartement nu bij het overlijden van de moeder volledig in de maatstaf van heffing wordt betrokken is belanghebbende over een deel van het appartement dubbel belast. Belanghebbende heeft tevens de hoogte betwist van de aanslag Recht van Successie die hij heeft ontvangen bij het overlijden van de vader in 2006.

2.22.

De rechtbank stelt voorop dat de aanslag Recht van Successie ten aanzien van het overlijden van de vader in 2006 geen onderwerp van geschil is. In het onderhavige geval is immers de aanslag erfbelasting opgelegd na het overlijden van de moeder in geschil. Het standpunt van belanghebbende dat de aanslag Recht van Successie uit 2006 de basis vormt voor de aanslag erfbelasting en daarom kan worden betwist, kan niet slagen. Belanghebbende had destijds tegen de aanslag Recht van Successie bezwaar en beroep kunnen indienen. Nu hij dit heeft nagelaten staat deze aanslag onherroepelijk vast. De rechtbank merkt wel op dat de inspecteur ter zitting heeft aangegeven bereid te zijn na de zitting met belanghebbende in overleg te treden en wanneer uit het overleg zou blijken dat de aanslag Recht van Successie destijds te hoog is vastgesteld hij de aanslag Recht van Successie ambtshalve zou verminderen.

Mede in verband daarmee heeft de rechtbank in de na de zitting ontvangen stukken van belanghebbende (verzoek tot heropening onderzoek, brief van belanghebbende van 13 mei 2014 aan de inspecteur en verzoek tot publicatie uitspraak) geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Nu deze stukken na het sluiten van het onderzoek zijn ingediend zullen deze stukken gelijktijdig met deze uitspraak aan belanghebbende worden teruggezonden.

2.23.

Nu de rechtbank ook voor het overige niet is gebleken dat belanghebbende dubbel belast zou zijn, faalt ook deze grief van belanghebbende.

2.24.

Gelet op het bepaalde in 2.11 is het beroep gegrond verklaard.

2.25.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft immers in het beroepschrift verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten. Nu de gemachtigde van belanghebbende geen professionele gemachtigde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zal de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht de inspecteur veroordelen de reiskosten van belanghebbende te vergoeden tot een bedrag van € 14,40.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2015 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.