Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3418

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5448
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premieplicht Volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet. Vo 833/2004. Vertrouwensbeginsel. Belanghebbende woont in Nederland, ontvangt een Duitse rente in 2011 en ontvangt vanaf 1 december 2011 een AOW-uitkering. Voor de periode 1 januari 2011 tot en met 1 december 2011: geen premieheffing AWBZ en Zvw mogelijk want pensioenland Duitsland bevoegd tot premieheffing (artikel 25 jo artikel 30 Vo). In beginsel wel premieplicht voor de AOW en Anw want Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing (artikel 11, lid 3, onderdeel e, Vo), maar niettemin tot 1 december 2011 geen heffing in verband met het vertrouwen dat is gewekt door de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2010.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1395
V-N 2015/41.4 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1585
NTFR 2015/2061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers AWB 14/5448 en 14/5449

uitspraak van 27 mei 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 6 augustus 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) en aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), aanslagnummers [aanslagnummer].H.16.01 en W.16.01.4.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde

[gemachtigde], en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag Zvw tot nihil en gelast de aanslag ib/pvv te verminderen overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 2.17;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1262;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende, geboren op [datum] 1946, woont in Nederland en ontvangt in 2010 en in 2011 een Deutsche Rentenversicherung (hierna: Duitse rente), zijnde een pensioen uit Duitsland. Vanaf december 2011 ontvangt hij een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank. In 2011 bedraagt de hoogte van Duitse rente € 14.239 en de AOW-uitkering bedraagt € 290.

2.2.

De aanslag ib/pvv voor 2011 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en premie-inkomen van € 13.450. Voor de premieheffing volksverzekeringen is een tarief van 29,65% in plaats van 31,15% toegepast omdat, volgens de inspecteur, belanghebbende niet meer premieplichtig voor de AOW is vanaf 1 december 2011. De aanslag Zvw voor 2011 is opgelegd naar een grondslag van € 14.239, zijnde de Duitse inkomsten.

2.3.

Voor het jaar 2010 zijn aanvankelijk premies voor volksverzekeringen en voor de Zvw geheven van belanghebbende bij de aanslag ib/pvv en de aanslag Zvw voor dat jaar. Nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen de premieheffing, zijn de aanslag ib/pvv en de aanslag Zvw voor het jaar 2010 (ambtshalve) verminderd tot nihil. Deze beslissing is verder niet gemotiveerd.

Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat hij geen navraag heeft gedaan bij degene die de beslissing tot vermindering van de aanslagen had genomen; volgens de inspecteur is duidelijk sprake van een fout.

Geschil

2.4.

In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar premieplichtig is voor de AOW, Anw, AWBZ en de Zvw. Voorts is in geschil of belanghebbende een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.

Verzekeringsplicht/ premieplicht op grond van intern nationaal recht

2.5.

Ingevolge artikel 6 Wet Financiering Sociale Verzekeringen (hierna: WFSV) is diegene premieplichtig voor de volksverzekeringen (AOW, Anw en AWBZ) die verzekerd is in de zin van volksverzekeringen.

2.6.

Op grond van artikel 6 AOW is een ingezetene, iemand die in Nederland woont (artikel 2 AOW), sociaal verzekerd voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 6a AOW worden daarvan uitgesloten degenen op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. De Anw en AWBZ kennen vergelijkbare bepalingen.

2.7.

Ingevolge artikel 2 van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) is degene die op basis van de AWBZ verzekerd is, verplicht zich te verzekeren krachtens een zorgverzekering. Op grond van artikel 41 van de Zvw is een verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke premie verschuldigd.

2.8.

Nu belanghebbende ingezetene is van Nederland, volgt uit het voorgaande dat belanghebbende in beginsel verzekeringsplichtig en premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de Zvw. Dit is anders indien en voor zover de Europese Verordening 833/2004 (hierna: Vo) meebrengt dat een ander land bevoegd is om premies te heffen.

Toewijzing toepasselijke sociale wetgeving lidstaat op basis van de Vo

2.9.

In artikel 11, lid 3, onderdeel e, Vo is kort gezegd bepaald dat voor post-actieven (degenen die slechts nog een pensioenuitkering ontvangen) de socialezekerheidswetgeving van de woonplaats van toepassing is. Aangezien belanghebbende een post-actieve is en zijn woonplaats in Nederland is gelegen, betekent dit dat de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing is.

AOW en Anw: periode 1 januari 2011 tot 1 januari 2012

2.10.

Aangezien op grond van de Vo de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing is, is Nederland bevoegd om in het jaar 2011 premies AOW (tot 1 december 2011) en Anw te heffen.

AWBZ en Zvw: periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011

2.11.

Titel III van de Vo bevat bijzondere aanwijsregels voor onder meer prestaties bij ziekte. Onder prestaties waarop deze titel III betrekking heeft, vallen de prestaties op grond van de AWBZ en de Zvw. Met betrekking tot pensioengerechtigden, zoals belanghebbende, geldt in de kern dat de lidstaat die de kosten voor verstrekkingen bij ziekte draagt, bevoegd is om premies of bijdragen te heffen (artikel 30 Vo). Dit brengt mee dat voor het antwoord op de vraag of Nederland premies voor AWBZ en Zvw van belanghebbende mag heffen, beslissend is of Nederland de kosten voor verstrekkingen bij ziekte dient te dragen op grond van de Vo.

2.12.

Nu belanghebbende in de periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011 enkel een pensioen uit Duitsland ontvangt, is artikel 25 Vo van toepassing. Dit artikel brengt mee dat de kosten voor verstrekkingen bij ziekte voor belanghebbende voor rekening van Duitsland komen. Dit betekent dat slechts Duitsland op grond van artikel 30 Vo bevoegd is tot heffing/inning van premies ter dekking van dergelijke verstrekkingen. Gelet hierop kan Nederland over deze periode geen premies AWBZ en Zvw heffen. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Periode 1 december 2011 tot 1 januari 2012 mbt premies AWBZ en Zvw

2.13.

Vanaf december 2011 ontvangt belanghebbende een AOW-uitkering uit Nederland en is artikel 23 Vo van toepassing. Dit artikel brengt mee dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen. Vanaf 1 december 2011 is Nederland daarom op basis van artikel 30 Vo bevoegd premies AWBZ en Zvw te heffen.

Ter zitting heeft de inspecteur evenwel verklaard dat om praktische redenen wordt afgezien van heffing van premies in december 2011 indien – zoals het geval is – de rechtbank tot het oordeel komt dat belanghebbende over de voorgaande periode geen premies verschuldigd is. De rechtbank heeft de inspecteur hierin gevolgd.

Vertrouwensbeginsel

2.14.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij gelet op de in 2.3 beschreven gang van zaken met betrekking tot het jaar 2010 erop mocht vertrouwen dat hij geen premies volksverzekeringen en premie Zvw verschuldigd is. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat de situatie in de periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011 identiek is aan die in het jaar 2010. De inspecteur voert evenwel aan dat zo er door de gang van zaken vertrouwen is gewekt, dit vertrouwen niet gehonoreerd dient te worden nu sprake is van een (evidente) fout die zozeer in strijd is met de juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op continuering van honorering van het vertrouwen in 2011 mocht rekenen.

2.15.

Gelet op het voorgaande is belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel alleen nog van belang voor de AOW (tot 1 december 2011) en Anw (het hele jaar).

2.16.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Voor het jaar 2010 is bij uitspraak op bezwaar het weloverwogen standpunt ingenomen – althans die indruk heeft belanghebbende redelijkerwijs mogen hebben – dat belanghebbende niet premieplichtig was voor de AOW, Anw, AWBZ en Zvw. Aangezien de feitelijke situatie tot 1 december 2011 ongewijzigd was, mocht belanghebbende ook voor de periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011 erop vertrouwen dat hij niet premieplichtig is. De rechtbank verwerpt het verweer dat de standpuntbepaling zozeer in strijd is met de juiste wetstoepassing dat belanghebbende de onjuistheid had kunnen en moeten beseffen. Aangezien de feitelijke situatie per 1 december 2011 wijzigde, mocht belanghebbende echter redelijkerwijs niet erop vertrouwen dat in de nieuwe situatie het standpunt ook nog gold. Het voorgaande heeft tot gevolg dat voor de periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011 belanghebbende evenmin premies AOW en Anw is verschuldigd. Wel is premie Anw verschuldigd over de maand december 2011.

Conclusie

2.17.

Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond verklaard, zijn de uitspraken op bezwaar vernietigd, is de aanslag Zvw verminderd tot nihil en dient voor de vermindering van de aanslag ib/pvv in aanmerking te worden genomen dat er geen premies AWBZ verschuldigd zijn in 2011 en voor de periode 1 januari 2011 tot 1 december 2011 geen premies AOW en Anw. Per saldo kan in 2011 voor de volksverzekeringen derhalve alleen premie Anw over de maand december 2011 worden geheven.

2.18.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij verdient opmerking dat de rechtbank de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwt. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). De overige kosten zien op de door belanghebbende gemaakte reiskosten en bedragen op de voet van voormeld Besluit afgerond € 38 (67,2 km *2 * € 0,28).

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2015 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.