Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3017

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
AWB 14_3267
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:803, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlening exploitatiesubsidie. Ingebruikgevingsovereenkomst inzake een buitensportaccommodatie. Bij deze overeenkomst

is het gebruik van de buitensportaccommodatie door eiseres geregeld en de in ruil daarvoor door eiseres te verrichten

tegenprestatie. Nu eiseres kennelijk een ongewijzigde voortzetting van een financiële tegenprestatie op basis van een

civielrechtelijke grondslag op het oog heeft en zij dat resultaat niet met het onderhavige beroep kan bereiken, is de conclusie

dat eiseres geen belang heeft bij het door haar ingestelde beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3267 BELEI

uitspraak van 30 april 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: P.A.W. de Koning,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 april 2014 van het college (bestreden besluit) inzake de verlening van een exploitatiesubsidie over het jaar 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 oktober 2014. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 14/3352. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor eiseres is tevens het woord gevoerd door [vertegenwoordiger eiseres1] , [vertegenwoordiger eiseres2] en [vertegenwoordiger eiseres3] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Tegelaar en [vertegenwoordiger verweerder] . Ter zitting is het onderzoek in de zaak gesloten.

In verband met nadien van het college, bij brieven van 17 en 21 oktober 2014, ontvangen nadere stukken, heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak heropend. Eiseres heeft bij brief van 25 november 2014 op de nadere stukken gereageerd. Hierop heeft het college gereageerd bij brief van 26 januari 2015. Partijen hebben vervolgens ingestemd met het achterwege laten van een nadere mondelinge behandeling. De rechtbank heeft partijen hierop bij brief van 24 maart 2015 bericht dat het onderzoek wederom is gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres maakt gebruik van een buitensportaccommodatie op het sportpark De Eikendijk te Kaatsheuvel. Op 20 december 2013 heeft het college eiseres in kennis gesteld van het collegebesluit van 17 december 2013 tot het ambtshalve toekennen van een exploitatiesubsidie (inclusief vergoeding voor brandverzekering) aan eiseres. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het exploitatiesubsidie in strijd met de wet is. Eiseres stelt kort gezegd dat er geen sprake is van een subsidiebesluit, maar dat het ter zake genomen besluit ziet op een tussen haar en de gemeente bestaande privaatrechtelijke rechtsverhouding, ter zake waarvan de bestuursrechter niet bevoegd is. Daarom is volgens haar ten onrechte de bezwaarprocedure opengesteld.

3. Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Daaraan voorafgaand moet op grond van artikel 7:1 van de Awb eerst bezwaar worden gemaakt.

De rechtbank is bevoegd om van het geschil kennis te nemen omdat het bestreden besluit op bezwaar is genomen en naar vaste rechtspraak een op bezwaar genomen besluit vatbaar is voor beroep.

4. Vervolgens ligt de vraag voor of het college in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een besluit waartegen bezwaar mogelijk was. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het college heeft blijkens zijn schrijven van 20 december 2013 met het collegebesluit van 17 december 2013 beoogd om aan eiseres een budgetsubsidie te verlenen ter exploitatie en verzekering van de buitensportaccommodatie, gebaseerd op de Algemene subsidieverordening 2010 van de gemeente Loon op Zand. Bedoelde verordening voorziet ook in de bevoegdheid van het college om een budgetsubsidie toe te kennen. Aldus is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar sprake van een op publiekrechtelijke grondslag gebaseerde rechtshandeling. De door eiseres opgeworpen vraag naar de rechtmatigheid van deze rechtshandeling doet daar niet aan af.

Dit betekent dat het collegebesluit van 17 december 2013 een besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

5. Eiseres heeft de rechtmatigheid van het subsidiebesluit in twijfel getrokken met een met een verwijzing naar de op 25 mei 1999 tussen eiseres en de gemeente Loon op Zand gesloten ingebruikgevingsovereenkomst inzake de buitensportaccommodatie. Bij bedoelde overeenkomst is het gebruik van de buitensportaccommodatie door eiseres geregeld en de in ruil daarvoor door eiseres te verrichten tegenprestatie. Voor zover eiseres in beroep heeft betoogd dat het college heeft gehandeld in strijd met deze overeenkomst, overweegt de rechtbank dat geschillen inzake de nakoming van een privaatrechtelijke overeenkomst niet aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd.

Eiseres heeft overigens gesteld dat er (sinds 25 mei 1999) geen subsidierelatie tussen eiseres en de gemeente bestaat en dat zij ook geen aanvraag om subsidie heeft ingediend. Voor zover eiseres hiermee de bevoegdheid van het college om in dit geval subsidie toe te kennen in twijfel trekt, kan eiseres daarmee echter slechts bereiken dat het aan haar gerichte besluit, waarin is vastgesteld dat eiseres aanspraak maakt op financiële middelen ten behoeve van de exploitatie van de buitensportaccommodatie, wordt vernietigd. Voor zover eiseres meent dat zij op grond van de in het verleden aan haar betaalde jaarlijkse vergoeding in de exploitatie- en renovatiekosten aanspraak maakt op een hogere financiële bijdrage van de gemeente, kan zij dat niet bereiken met de door haar geformuleerde beroepsgronden.

6. Nu eiseres kennelijk een ongewijzigde voortzetting van een financiële tegenprestatie op basis van een civielrechtelijke grondslag op het oog heeft en zij dat resultaat niet met het onderhavige beroep kan bereiken, is de conclusie dat eiseres geen belang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.