Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:2190

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 6456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan valt weg tegen het bedrag van de voorbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag dan ten onrechte opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/976
V-N 2015/29.25.22
FutD 2015-1098
NTFR 2015/1512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 13/6456

Uitspraak van 1 april 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 maart 2013 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.8502) opgelegd. In hetzelfde geschrift is bij beschikking een verzuimboete van € 1.520 opgelegd en is € 1.791 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bij brief met dagtekening 2 mei 2013 bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2013 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen per faxbericht van 28 november 2013 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbenden [bestuurder], de bestuurder van belanghebbende, vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [verweerder]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1.

Belanghebbende is op [datum] 2007 opgericht. Volgens de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van belanghebbende uit managementactiviteiten. Sinds [datum] 2007 is [bestuurder] enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende (hierna: de bestuurder).

2.2.

Belanghebbende heeft in het jaar 2008 uitsluitend nihilaangiften gedaan.

2.3.

Bij onder andere belanghebbende en haar zustervennootschap [A BV] (hierna: [A BV]) heeft vanaf 1 juli 2010 een boekenonderzoek plaatsgevonden.

2.4.

Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is aan de zustervennootschap [A BV] een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 opgelegd.

2.5.

In het tegen de onder 2.4. genoemde naheffingsaanslag gerichte bezwaar heeft [A BV] een inlenersovereenkomst bijgevoegd waaruit blijkt dat de bestuurder van [A BV] (die tevens de bestuurder is van belanghebbende) in 2008 door belanghebbende is ingeleend om op basis van een overeenkomst tussen belanghebbende en [B BV] (hierna: [B BV]) in 2008 managementwerkzaamheden voor [B BV] te verrichten.

2.6.

In het rapport inzake de jaarstukken 2008 van belanghebbende staat vermeld dat belanghebbende in 2008 € 80.000 aan omzet exclusief omzetbelasting heeft gerealiseerd. Het bedrag aan omzetbelasting van € 15.200 is bij de in geding zijnde naheffingsaanslag nageheven

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

Partijen hebben ter zitting aangegeven dat de zaak mogelijk zou worden ingetrokken. Nu de rechtbank daarvan niets meer heeft vernomen, doet zij uitspraak.

4.1.

Gelet op de jaarstukken 2008, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat belanghebbende in 2008 € 80.000 aan omzet heeft genoten. De daarover verschuldigde omzetbelasting heeft belanghebbende niet op aangifte voldaan.

4.2.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat alsnog rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat belanghebbende in 2008 € 80.000 plus € 15.200 aan omzetbelasting heeft betaald aan [A BV] voor het inlenen van de bestuurder. De € 15.200 omzetbelasting die belanghebbende heeft betaald, mag belanghebbende in 2008 in vooraftrek brengen.

4.3.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan wegvalt tegen het bedrag van de voorbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag dan ook ten onrechte opgelegd.

4.4.

Nu vaststaat dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, zijn tevens de boetebeschikking als ook de heffingsrentebeschikking ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

4.5.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Verzoek om schadevergoeding

4.6.

Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om vergoeding van de schade en kosten in het geval het beroep (deels) doel treft. De rechtbank heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb. Nu belanghebbende niet heeft aangegeven welke schade zij geleden zou hebben, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Aan belanghebbende wordt geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend, nu belanghebbende niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding voordat de inspecteur op het bezwaar had beslist.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 980;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. D.B. Bijl en mr. M.W.C. Soltysik rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.