Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:2087

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2015
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
AWB 14_3537
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:530, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minister Verschuurstraat 10 Rijsbergen. Planschade. Inbreiding met woningen in een bestaande woonkern valt onder het normaal maatschappelijk risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3537 WET

uitspraak van 20 maart 2015 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [naam eiser1] en [naam eiser2], te [woonplaats],
2. [naam eiser3] en [naam eiser4], te [woonplaats],
3. [naam eiser5], te [woonplaats],
4. [naam eiser6] en [naam eiser7], te [woonplaats],
5. [naam eiser8], te [woonplaats],
6. [naam eiser9] en [naam eiser10], te [woonplaats],
eisers,

gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam kantoor] , te [plaats2],

gemachtigde: mr. R. Stiekema

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 22 april 2014 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van hun afzonderlijke verzoeken om een tegemoetkoming in planschade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 februari 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.J. Nicia.[naam kantoor] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit.

[naam eiser1] en [naam eiser2] zijn eigenaar van de woning aan de [adres1].
[naam eiser3] en [naam eiser4] zijn eigenaar van de woning aan de [adres2].
[naam eiser5] is eigenaar van de woning aan de [adres3].
[naam eiser6] en [naam eiser7] zijn eigenaar van de woning aan de [adres4].
[naam eiser8] is eigenaar van de woning aan de [adres5].
[naam eiser9] en [naam eiser10] zijn eigenaar van de woning aan de [adres6].

Bij brieven van 10 juli 2012 of 11 juli 2012 hebben eisers ieder verzocht om een tegemoetkoming in geleden planschade. Eisers hebben hun verzoeken onderbouwd met adviezen van [naam makelaardij]. Zij noemen het bestemmingsplan “Centrum Rijsbergen, Minister Verschuurstraat 10, Rijsbergen” (het bestemmingsplan) als schadeveroorzakende planologische maatregel. Het bestemmingsplan is vastgesteld bij besluit van 24 september 2009 en onherroepelijk geworden op 10 februari 2010. Kort gezegd maakt het bestemmingsplan mogelijk dat in de tuin, behorend bij de woning aan de Minister Verschuurstraat 10 (de planlocatie), drie vrijstaande woningen gebouwd kunnen worden. De percelen waarop de woningen van eisers zijn gelegen, grenzen aan de planlocatie.

De gemeente Zundert en [naam kantoor] zijn overeengekomen dat [naam kantoor] het bedrag aan de gemeente vergoedt dat de gemeente ter vergoeding van geleden planschade als gevolg van het bestemmingsplan moet uitkeren.

Het college heeft [naam persoon1] gevraagd om advies uit te brengen naar aanleiding van de verzoeken van eisers. Op 25 september 2013 heeft [naam persoon1] advies uitgebracht. Kort gezegd komt [naam persoon1] tot de conclusie dat er weliswaar sprake is van schade, maar dat die niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de schade valt onder het normaal maatschappelijk risico. Daarbij wordt overwogen dat een hoger normaal maatschappelijk risico moet worden aangenomen dan de forfaitaire 2%.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2013 van het college (primaire besluiten) zijn de planschadeverzoeken van eisers, onder verwijzing naar het advies van [naam persoon1], afgewezen.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Eisers zijn, kort gezegd, van mening dat het normaal maatschappelijk risico niet hoger moet worden vastgesteld dan de forfaitaire 2%.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

2. In beroep hebben eisers, samengevat, aangevoerd dat niet alle schade onder het normaal maatschappelijk risico hoort te vallen.

Eisers voeren daartoe aan dat het college bij de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico uitgaat van een onjuist toetsingskader. Daarnaast had het college het normaal maatschappelijk risico gemotiveerd moeten vaststellen op een bepaald percentage en is een onjuiste of onduidelijke peildatum gehanteerd bij de bepaling van het normaal maatschappelijk risico.

Voorts zijn eisers van mening dat de woningen op de planlocatie niet aansluiten bij de plaatselijke situatie en structuur van de omgeving. Het realiseren van de woningen past volgens eisers ook niet binnen het woningbouwbeleid van de gemeente. Daarnaast is er evident sprake van een aantasting van de stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat ter plaatse. Ook heeft het college te weinig rekening gehouden met de aard en de omvang van de schade, die als hoog moet worden aangemerkt, en is de afstand tussen de te realiseren woningen en de woningen van eisers relatief klein.

3. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid en onder a, van de Wro wordt met een dergelijke oorzaak onder meer een bepaling van een bestemmingsplan bedoeld.

Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro bepaalt dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft.

Artikel 6.2, tweede lid, onder b, van de Wro bepaalt dat in ieder geval voor rekening van aanvrager blijft: schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak voor een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers planschade hebben geleden als gevolg van het bestemmingsplan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de geleden schade in zijn geheel valt onder het normaal maatschappelijk risico, zoals bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wro. Volgens het college dient een hoger normaal maatschappelijk risico te worden aangenomen dan het in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro neergelegde percentage van 2%. Eisers bestrijden dat.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is. Deze komt daarbij beoordelingsvrijheid toe, zodat de rechtbank dit alleen terughoudend mag toetsen. Het bestuursorgaan zal zijn vaststelling naar behoren moeten onderbouwen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4467).

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRS dat de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normaal maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel (zie ook hiervoor ECLI:NL:RVS:2014:4467).

4.1

Toetsingskader

Volgens eisers is het college bij de bepaling van het normaal maatschappelijk risico uitgegaan van een onjuist toetsingskader. In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, worden namelijk een aantal omstandigheden genoemd waarmee rekening gehouden moet worden. Uit de jurisprudentie van de AbRS volgt echter dat met alle van belang zijnde omstandigheden rekening gehouden moet worden. Daarnaast wordt volgens eisers een onjuiste maatstaf aangelegd door te spreken van buitenproportionele schade. Deze maatstaf volgt namelijk niet uit de jurisprudentie.

De rechtbank overweegt dat er inderdaad geen strak toetsingskader bestaat voor het bepalen van het normaal maatschappelijk risico. Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie volgt namelijk dat alle relevante omstandigheden daarbij van belang zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in deze zaak alle relevante omstandigheden betrokken in de motivering. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die het college heeft verzuimd te betrekken bij het bestreden besluit en door eisers zijn ook geen omstandigheden genoemd die wel bij de beoordeling betrokken hadden moeten worden. Deze grond slaagt dan ook niet.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vraag of er sprake is van buitenproportionele schade wel degelijk een van de omstandigheden is, die kan worden betrokken bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico. Deze maatstaf komt, zij het in andere bewoordingen, ook terug in de uitspraken van de AbRS. Daarin wordt namelijk gesproken van “onevenredige schade”, hetgeen op hetzelfde neerkomt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668). Ook deze grond slaagt dus niet.

4.2

Hoogte van het normaal maatschappelijk risico

Eisers hebben ook aangevoerd dat het college in het bestreden besluit expliciet had moeten vermelden op welk percentage het normaal maatschappelijk risico is vastgesteld. In dit geval schaart het college de schade van alle eisers, qua hoogte in percentage en in absolute zin uiteenlopend, onder het normaal maatschappelijk risico. Voor eisers is echter niet duidelijk hoe hoog dat normaal maatschappelijk risico nu (maximaal) is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de Wro noch de jurisprudentie volgt dat het college verplicht is om het normaal maatschappelijk risico op een bepaald percentage vast te stellen. Dit valt ook niet af te leiden uit de uitspraken van de AbRS, waar eisers in dit kader naar hebben verwezen. Het college heeft dan ook kunnen volstaan met het vaststellen van de hoogte van de planschade van eisers en het onderzoeken of die schade geheel of ten dele onder het normaal maatschappelijk risico valt. Er is geen belang mee gediend om vervolgens nog te onderzoeken of een hypothetisch hoger schadebedrag ook nog onder het normaal maatschappelijk risico valt. Het college dient immers slechts te beslissen op de concrete aanvragen van eisers. Dit geldt des te meer nu eisers geen gronden hebben aangevoerd tegen de hoogte van de planschade, zoals deze door het college is vastgesteld. Deze grond slaagt niet.

4.3

Peildatum

Voorts hebben eisers aangevoerd dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt van welke peildatum is uitgegaan voor de bepaling van het normaal maatschappelijk risico. Daarbij gaat het volgens eisers met name om de afweging van de omstandigheid vanaf welk moment de planologische maatregel in de lijn der verwachtingen ligt. Eisers zijn van mening dat in dat kader ook de datum waarop eisers de woningen in eigendom hebben verkregen, van belang is.

Met het college is de rechtbank van oordeel dat bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico niet gesproken kan worden van een peildatum. In het kader van planschade is de enige relevante peildatum de datum van inwerkingtreding van de planologische maatregel die volgens het verzoek de schade heeft veroorzaakt, in dit geval het nieuwe bestemmingsplan. Voor het beantwoorden van de vraag of deze planologische maatregel in de lijn der verwachtingen lag, dient een ruime periode voorafgaand aan die datum bezien te worden. Anders dan eisers menen is de datum van verkrijging van de woning in dit verband niet van belang. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet onvoldoende gemotiveerd. Ook deze grond slaagt niet.

4.4

Is het bestemmingsplan een normale maatschappelijk ontwikkeling?

Nu het college is uitgegaan van een juist toetsingskader en de jurisprudentie met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico juist heeft uitgelegd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de planschade van eisers volledig onder het normaal maatschappelijk risico valt.

De rechtbank overweegt dat in de omgeving van de planlocatie soortgelijke vrijstaande woningen staan als worden mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan. De gerealiseerde vrijstaande woningen op de planlocatie zijn weliswaar hoger dan de reeds bestaande woningen, maar deze woningen mogen, gelet op het voor die woningen van toepassing zijnde bestemmingsplan, ook hoger worden gebouwd. Anders dan eisers hebben aangevoerd, is datgene wat op grond van bestemmingsplannen mogelijk is, leidend voor beantwoording van de vraag wat past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. Alleen in het kader van de bepaling van de omvang van de schade dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie op de percelen van eisers. Op dit punt slaagt het beroep van eisers dan ook niet.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan past in het beleid van de gemeente. In 2003 is namelijk de bewuste keus gemaakt om deel te nemen aan de provinciale pilot ‘Bouwen binnen strakke contouren’. Kort gezegd was het de gemeente in het kader van deze pilot toegestaan om binnen het stedelijk gebied te bouwen op daarvoor geschikte locaties, zogenaamde inbreidingslocaties. De planlocatie is toen als een van deze inbreidingslocaties aangewezen. Anders dan eisers stellen, is na afloop van de pilot in 2008 ten aanzien van de planlocatie niet met dit beleid gebroken. Ook uit bijlage 3 van de Woonvisie 2010-2014 van de gemeente Zundert volgt dat nog altijd werd beoogd de planlocatie als inbreidingslocatie te bebouwen. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Meer in het algemeen overweegt de rechtbank dat inbreiding, zoals hier mogelijk is gemaakt met het bestemmingsplan, in beginsel kan worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS is inbreiding van woningen in een bestaande woonkern een normale maatschappelijke ontwikkeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2274).

Wat betreft de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de woningen van eisers, overweegt de rechtbank dat die afstand wellicht niet groot is, maar voor een inbreidingslocatie als deze ook niet ongebruikelijk, zodat daaraan geen doorslaggevende waarde toekomt bij de vraag of sprake is van een normaal maatschappelijk risico.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de planschade van eisers, met percentages tussen de 4% en 5% en absolute bedragen tot € 23.000,- niet zodanig onevenredig is, dat reeds daarom niet in redelijkheid kon worden geconcludeerd dat deze planschade onder het normaal maatschappelijk risico valt.

Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de door eisers geleden planschade in zijn geheel onder het normaal maatschappelijk risico te scharen.

Hetgeen verder door eisers is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft dan ook geen bespreking.

5. Gelet op al het voorgaande, is het beroep van eisers ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzitter, en mr. M. Breeman en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.