Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:2064

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
AWB- 15_1392 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting | geen hennepplanten toch terecht handelshoeveelheid softdrugs aangenomen | minderjarige kinderen | geen bijzondere omstandigheden | verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/1392 WET VV

uitspraak van 30 maart 2015 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker1] en [naam verzoeker2], te Tilburg, verzoekers,

gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van de woning [adres1] voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 maart 2015. Verzoeker [naam verzoeker1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekers bewonen samen met hun vier minderjarige kinderen de woning [adres1]. Deze woning is eigendom van de broer van verzoeker.

Op 19 augustus 2014 is een hennepkwekerij in de woning aangetroffen. Bij brief van 21 augustus 2014 heeft de eigenaar van de woning een formele waarschuwing gekregen, waarin kenbaar is gemaakt dat de woning bij een volgende druggerelateerde constatering voor de duur van drie maanden zal worden gesloten Verzoekers waren op dat moment ook al bewoners van de woning.

Op 7 januari 2015 heeft de politie in de woning een niet in werking zijnde hennepkwekerij ontdekt. In één van de slaapkamers zijn verse plantenresten en 257 potten met daarin natte verse aarde en afgeknipte hennepstengels waarop de hars nog zichtbaar was, aangetroffen.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft de burgemeester de eigenaar van de woning geïnformeerd over zijn voornemen om de woning aan de [adres1] gedurende drie maanden te sluiten. Verzoekers hebben een afschrift van deze brief ontvangen waarin hen tevens werd medegedeeld dat zij tijdelijk andere woonruimte dienen te zoeken.

Er is noch door de eigenaar van de woning noch door verzoekers een zienswijze ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester gelast de woning aan de [adres1] te sluiten en afgesloten te houden met ingang van 31 maart 2015 voor een periode van drie maanden. De burgemeester heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de woning een hennepkwekerij met een handelshoeveelheid softdrugs is geruimd, zodat sprake is van een overtreding van artikel 3 van de Opiumwet en de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is tot woningsluiting over te gaan. Op grond van het beleid ter zake wordt een woning indien binnen twee jaar een tweede keer wordt geconstateerd dat een handelshoeveelheid softdrugs aanwezig zijn, voor de duur van drie maanden gesloten. De burgemeester acht een sluiting voor de duur van drie maanden in dit geval gerechtvaardigd en noodzakelijk.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 17 maart 2015 heeft de burgemeester laten weten bereid te zijn de in het bestreden besluit opgenomen begunstigingstermijn op te schorten tot drie dagen na de dag waarop de voorzieningenrechter uitspraak doet.

2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het onredelijk is om op zo’n korte termijn een gezin met minderjarige kinderen, dat geen alternatieve woonruimte heeft, op straat te zetten. Bovendien is er geen sprake van een overtreding, is de sluiting niet proportioneel, kent het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is de begunstigingstermijn te kort. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat de burgemeester een beslissing op bezwaar heeft genomen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet verstaan onder een overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

In artikel 3 van de Opiumwet is bepaald dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

  1. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

  2. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

  3. aanwezig te hebben;

  4. te vervaardigen.

Hennep is op lijst II, bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet geplaatst en gedefinieerd als elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet onttrokken is, met uitzondering van de zaden.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Met de op 13 juni 2014 in werking getreden beleidsregel “Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet in de B5 gemeenten” (Beleidsregels) heeft de burgemeester invulling gegeven aan de beleidsvrijheid die hem in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is toegekend.

In de Beleidsregels is onder meer bepaald dat indien in woningen drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) met een handelsvoorraad van >30 gram, zij een op schrift gestelde bestuurlijke waarschuwing ontvangen. Deze waarschuwing geldt voor een termijn van twee jaar. Bij een tweede overtreding van de Opiumwet in een woning binnen deze termijn vindt er een sluiting plaats van drie maanden.

Verder is opgenomen dat in beginsel overeenkomstig de beleidsregels wordt besloten. De burgemeester kan op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de maatregelen zoals deze zijn vastgesteld in het onderhavige beleid (artikel 4:84 Awb, de zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid).

5. Beoordeeld dient te worden of de burgemeester onder de gegeven omstandigheden bevoegd was om de woning aan de [adres1] te sluiten. Tussen partijen is niet in geschil dat in augustus 2014 een in werking zijnde hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Ook is niet in geschil dat verzoekers op de hoogte waren van de formele waarschuwing die de burgemeester naar aanleiding van die overtreding naar de eigenaar van de woning heeft gestuurd.

Verzoekers voeren aan dat op het moment van de inval op 7 januari 2015 geen handelshoeveelheid softdrugs in de woning is aangetroffen waardoor geen bevoegdheid tot woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de burgemeester is ontstaan.

5.1

De voorzieningenrechter overweegt dat uit het Hennepinformatie bericht van de politie Zeeland-West-Brabant blijkt dat de politie op 7 januari 2015 op de locatie [adres1] een hennepkwekerij heeft aangetroffen zonder planten en deze heeft ontmanteld. Wel heeft de politie 257 potten met natte verse aarde en afgeknipte hennepstengels waarop de hars nog zichtbaar was, gevonden.

Uit de op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte rapportage van toezichthouder [naam toezichthouder] van de gemeente Tilburg blijkt dat één van de slaapkamers in de woning als kwekerij was ingericht. In deze ruimte zijn naast de eerder genoemde kweekpotten ook verse plantenresten aangetroffen en een knipschaar met plantenresten. De foto’s behorende bij de rapportage bevestigen dit.

5.2

De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoeker ter zitting heeft aangevoerd dat hij op maandag 5 januari 2015 de op dat moment in zijn woning aanwezige ongeveer 7 weken oude planten heeft opgeruimd en naar de stort heeft gebracht. De planten waren op dat moment nog niet volgroeid en dus ongeschikt voor de verkoop, aldus verzoeker.

Verzoeker heeft verder toegelicht dat hij, omdat de zeven weken oude planten al flinke wortels hadden, de planten heeft geknipt in plaats van ze met wortel en al weg te gooien. Het weggooien met pot en al was volgens verzoeker geen mogelijkheid omdat afval bij de stort gescheiden moet worden aangeleverd. Als reden voor het opruimen van de planten heeft hij aangegeven dat de grond hem te heet onder de voeten werd. In de week voorafgaand aan zijn opruimactie hing er een helikopter boven de woning en werden warmtemetingen in de straat verricht. Ter zitting is vast komen te staan dat verzoeker tot het moment waarop hij de planten heeft opgeruimd, te weten 5 januari 2015, de intentie heeft gehad om de planten te kweken voor de verkoop.

5.3

De voorzieningenrechter acht het verhaal van verzoeker over het opruimen van de planten niet aannemelijk. Hierbij speelt een rol dat het de logica te buiten gaat dat verzoeker – als het zo zou zijn dat hij de kwekerij wilde opruimen – zich niet van de planten inclusief pot en de overige materialen behorende bij een hennepkwekerij heeft ontdaan, maar de keuze zou hebben gemaakt om de planten te knippen en slechts die geknipte delen af te voeren. In de woning waren de kweekpotten en een hoeveelheid (nieuwe) potgrond nog aanwezig en ook waren geen stappen gezet in de ontmanteling van de kweekruimte.

Wat daar verder van zij, ook niet volgroeide planten vallen onder de definitie van hennep zoals opgenomen in bijlage II van de Opiumwet. Mede gelet op de verklaring van verzoeker ter zitting staat vast dat tot 5 januari 2015 in de woning 257 hennepplanten aanwezig waren.

5.4

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich, gelet op het bovenstaande, terecht op het standpunt gesteld dat in de woning een hennepkwekerij gevestigd was. De omvang van de kwekerij was – ook gelet op de foto’s – dermate groot dat de aangetroffen hoeveelheid potten in combinatie met het verhaal van verzoeker aannemelijk maken dat kort voor de doorzoeking van de woning een ruime handelshoeveelheid hennep aanwezig was.

De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de hennepplanten voor handel waren bestemd. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer in de uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2562) is voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen niet vereist dat daadwerkelijk harddrugs dan wel softdrugs zijn verhandeld, maar volgt uit het woord “daartoe” in deze bepaling dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van het erf en de zich daarop bevindende woning.

5.5

Verzoekers hebben onder verwijzing naar de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:6159) gesteld dat de bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet ontbreekt, als niet op het moment van de constatering door de politie van een overtreding, daadwerkelijk (meer dan een handelshoeveelheid) hennep aanwezig is. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het karakter van een herstelsanctie - zoals opgenomen in artikel 13b van de Opiumwet - meebrengt dat een bevoegdheid tot sluiting bestaat indien aannemelijk is dat een overtreding wordt of (recent) is begaan. Dat een overtreding is beëindigd (kort) vóór het moment dat het besluit tot sluiting van een woning is genomen, maakt nog niet dat geen bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet meer bestaat. Een herstelsanctie strekt immers niet enkel tot het geheel of gedeeltelijk beëindigen van een overtreding, maar ook tot het voorkomen van herhaling van de overtreding, dan wel tot het wegnemen van de gevolgen van de overtreding. Een andere uitleg van artikel 13b van de Opiumwet zou meebrengen dat met het in beslagnemen van in een woning aanwezige drugs door de politie, onmiddellijk de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan zou vervallen.

Zoals de burgemeester overigens ter zitting terecht heeft gesteld, zijn in de woning weliswaar geen planten aangetroffen maar wel plantenresten en stengels waarop de hars nog zichtbaar was. Op het moment van de inval door de politie was dus wel degelijk een hoeveelheid hennep aanwezig.

5.6

Gelet hierop was de burgemeester bevoegd om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting van de woning te gelasten.

6. Verzoekers hebben aangevoerd dat indien de burgemeester bevoegd geacht wordt, sprake is van onredelijke beleidsregels. In de Beleidsregels is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van minderjarige bewoners bij woningsluiting.

De voorzieningenrechter overweegt dat de wetgever met het opnemen van de mogelijkheid tot woningsluiting in artikel 13b van de Opiumwet, een bewuste keuze heeft gemaakt. De mogelijkheid tot woningsluiting brengt met zich dat alle bewoners van de woning, dus ook minderjarige kinderen, gedurende een bepaalde periode niet meer ter plekke kunnen verblijven. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat ook bij de vaststelling van de Beleidsregels de belangen van minderjarige kinderen zijn betrokken. In de beleidsregels is opgenomen dat pas bij herhaalde overtreding van de Opiumwet tot woningsluiting wordt overgegaan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van een onredelijk beleid dan ook geen sprake. Daarbij neemt zij mee dat waar het gaat om de zorgplicht de burgemeester een actieve houding heeft aangenomen. Dit blijkt uit de vooraankondiging waarin verzoekers er op worden gewezen dat zij zich kunnen melden bij [naam adviesgroep]. Ter zitting is aangegeven dat als [naam adviesgroep] geen mogelijkheden heeft, de burgemeester beschikt over noodopties die zullen worden ingezet.

7. Verzoekers hebben tot slot aangevoerd dat gezien de samenstelling van hun gezin met minderjarige kinderen en het niet kunnen vinden van alternatieve tijdelijke woonruimte, de burgemeester in hun geval van de Beleidsregels had moeten afwijken en niet tot woningsluiting moet overgaan.

7.1

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de totstandkoming van de Beleidsregels reeds rekening is gehouden met het feit dat dit kan betekenen dat een woning waarin minderjarige kinderen verblijven wordt gesloten. Dit is dan ook geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigt.

7.2

Als tweede bijzondere omstandigheid hebben verzoekers aangevoerd dat zij niet bij familie terecht kunnen, de daklozenopvang van [naam adviesgroep] geen geschikt onderkomen voor hun kinderen is en de begunstigingstermijn te kort is voor het vinden van alternatieve woonruimte. De rechtbank overweegt dat ter zitting duidelijk is geworden dat verzoekers pas in een laat stadium actie hebben ondernomen om vervangende woonruimte te vinden, terwijl de burgemeester al op de dag van de inval heeft gewezen op de noodzaak hiertoe. De burgemeester heeft in een vroeg stadium gewezen op [naam adviesgroep]. Indien verzoekers dit ongeschikt achten, is het aan hen om een alternatief te zoeken.

Daar komt bij dat verzoeker ter zitting heeft aangegeven de verwachting te hebben binnen drie maanden de aankoop van een koopwoning te kunnen afronden. Dit impliceert enige financiële draagkracht. In dit licht moet de voorzieningenrechter concluderen dat verzoekers – anders dan wat zij ter zitting over hun inkomen en vermogen hebben gesteld zou doen vermoeden – kennelijk over voldoende financiële middelen beschikken om op korte termijn zelf alternatieve woonruimte te vinden.

De burgemeester heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aangenomen.

8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.