Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1990

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5745
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:4604, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navorderingsaanslagen en vergrijpboetes 2008, 2009 en 2010.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen met vergrijpboetes opgelegd. De rechtbank acht grond aanwezig voor omkering van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangifte door belanghebbende. De boetes worden gematigd vanwege belanghebbendes financiële omstandigheden. Het staat de inspecteur niet vrij om ter zitting een ander standpunt in te nemen dan hij uitdrukkelijk en gemotiveerd in het verweerschrift heeft ingenomen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1036
FutD 2015-1216
PFR-Updates.nl 2015-0159
NTFR 2015/1581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers AWB 14/5745, 14/5746 en 14/5747

uitspraak van 9 april 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd:

  • -

    met dagtekening 7 december 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.87), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.717 en een premie-inkomen van € 31.589, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 22.743. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 6.896 aan heffingsrente in rekening gebracht (zaaknummer 14/5745);

  • -

    met dagtekening 7 december 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.97), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.977, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 23.482. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 5.533 aan heffingsrente in rekening gebracht (zaaknummer 14/5746);

  • -

    met dagtekening 30 november 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.07), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.495, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.366. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 374 aan heffingsrente in rekening gebracht (zaaknummer 14/5747).

1.2.

De inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 11 en 26 augustus 2014:

  • -

    de navorderingsaanslag 2008 gehandhaafd en de boetebeschikking 2008 verminderd tot € 20.857;

  • -

    de navorderingsaanslag 2009 en boetebeschikking 2009 gehandhaafd;

  • -

    de navorderingsaanslag 2010 en boetebeschikking 2010 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 14 september 2014, ontvangen bij de rechtbank op 16 september 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Op 26 februari 2015 heeft een onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer plaatsgevonden te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, en namens de inspecteur [verweerder].

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is ingenieur (Ir.) en gespecialiseerd in het ontwikkelen van software. Belanghebbende was werkzaam bij [werkgever] en is rond het jaar 2001 in contact gekomen met [A] (hierna: [A]).

2.2.

Belanghebbende is de directeur/grootaandeelhouder van [B BV], opgericht op [datum] 2003 en gevestigd te [plaats X]. Belanghebbende was de directeur/ grootaandeelhouder van [C BV], opgericht op [datum] 2003 en ontbonden op [datum] 2009. Deze vennootschap was eveneens gevestigd te [plaats X]. Op 14 mei 2008 is een contract gesloten met [D BV] (hierna: [D BV]) voor het ontwikkelen van software, voor een totaalbedrag van € 390.000, exclusief BTW. Alle facturen aan [D BV] stonden op naam van [C BV] De bedragen van de uitgeschreven facturen zijn, behoudens de factuur van 27 mei 2008, overgemaakt naar het rekeningnummer van “[Stichting A]”. Het bedrag van de factuur van 27 mei 2008 is met valutadatum 30 mei 2008 op de rekening van belanghebbende bijgeschreven en vervolgens in twee termijnen overgemaakt naar het bankrekeningnummer van “[Stichting A].

2.3.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Hierbij is onder meer twee maal aftrek eigen woning aangegeven betreffende de eigen woning van belanghebbende gelegen te [adres] [plaats X]. Met dagtekening 18 november 2011 is de definitieve aanslag conform de aangifte vastgesteld.

2.4.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2009 en 2010 niet tijdig aangifte gedaan. Met dagtekening 8 februari 2012 en 27 juni 2012 zijn de definitieve aanslagen ambtshalve vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk

€ 40.000 en € 41.001. Belanghebbende heeft nadien de aangiften 2009 en 2010 ingediend, gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk nihil en

-/- € 19.305. De aangiften zijn door de inspecteur als bezwaarschriften aangemerkt.

2.5.

De inspecteur heeft vervolgens de definitieve aanslagen 2009 en 2010 met respectievelijk dagtekening 23 januari 2013 en 12 februari 2013 verminderd naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk nihil.

2.6.

De inspecteur heeft in december 2012 en januari 2013 boekenonderzoeken ingesteld bij:

- belanghebbende, over de jaren 2008 tot en met 2011 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV;

- [C BV], over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en over de jaren 2008 tot en met 2009 naar het ondernemerschap en de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting;

- [B BV], over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting, en over de jaren 2008 tot en met 2010 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting.

2.7.

In het jaar 2008:

- is in totaal € 71.850 op de privé rekening van belanghebbende gestort;

- is in totaal € 11.000 aan voorschotten van [B BV] ontvangen;

- is een bedrag van € 500 van [Stichting A] ontvangen.

In het jaar 2009:

- is in totaal € 20.200 op de privé rekening van belanghebbende gestort;

- is in totaal € 82.500 ontvangen van [Stichting A] met omschrijving “lening”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “Management Fee 2007”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “Management Fee 2008”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “onkosten 2007”

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “onkosten 2008”

- is een bedrag van € 500 ontvangen van [B BV] met omschrijving “voorschot”.

In het jaar 2010:

- is € 3.000 ontvangen van [Stichting A] met omschrijving

“lening”;

- is € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “Management Fee 2009”;

- is € 3000 ontvangen van [B BV] met omschrijving “onkosten 2009”;

- is € 34.800 ontvangen van [B BV] met omschrijving “voorschot”.

2.8.

In het rapport van het boekenonderzoek bij belanghebbende, met dagtekening 30 juli 2013, zijn in verband hiermee de volgende passages opgenomen:

“Voor de stortingen van € 71.850 gaf belastingplichtige als verklaring dat hij dit geld heeft ontvangen van vrienden/bekenden. Belastingplichtige wenst de namen van deze vrienden/bekenden niet te noemen. Hij zou dit geld hebben ontvangen voor bewezen diensten in het verleden. De stortingen dienen als resultaat overige werkzaamheid te worden aangemerkt.

De ontvangsten van [B BV] dienen als loon zonder inhouding te worden aangemerkt. Belastingplichtige is directeur grootaandeelhouder van [B BV]

De ontvangsten van [Stichting A] dient als resultaat overige werkzaamheid te worden aangemerkt. Op het bankrekeningnummer van deze stichting wordt geld overgemaakt dat

betrekking heeft op facturen van [C BV] Van deze vennootschap was belastingplichtige

directeur grootaandeelhouder. [C BV] factureerde aan de opdrachtgever voor verrichte

werkzaamheden. De betalingen werden overgemaakt op het bankrekeningnummer van [Stichting A]

. De bedragen die vervolgens vanuit de stichting aan [belanghebbende]

werden betaald zijn gedaan wegens bewezen diensten aan [A] in het verleden. Volgens

belastingplichtige hoeven de ontvangen bedragen niet terugbetaald te worden.”

(…)

“Overzicht correcties

Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen

Naam: [belanghebbende]

Jaar 2010 2009 2008

Box 1

Loon en ziektewetuitkeringen 0 0 33.844

Correctie 40.800 12.500 11.000

Eigen woning -19.305 0 -14.053

Overige inkomsten 0 0 0

Correctie 3.000 102.700 72.350

Negatieve persoonsgebonden aftrek 0 -4.223 -9.960

Correctie 0 0 7.537

Gecorrigeerd totaal Box 1 inkomen uit werk en woning 24.495 110.977 100.718

Recapitulatie inkomsten per Box en persoonsgebonden aftrekposten

Box 1: Inkomen uit werk en woning, aangifte -19.305 -4.223 9.831

Totaalbedrag correctie(s) Box 1 43.800 115.200 90.887

Box 1: Inkomen uit werk en woning, na correcties 24.495 110.977 100.718”

2.9.

In het rapport is tevens aangekondigd dat over de jaren 2008 tot en met 2010 navorderingsaanslagen worden opgelegd, met een vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting.

2.10.

Tot de gedingstukken behoren brieven met dagtekeningen 11 augustus 2013 en 29 september 2013, gericht aan de inspecteur. In de brief van 11 augustus 2013 is onder meer vermeld dat [A] expliciet verklaart dat alle betalingen aan belanghebbende leningen waren. Dit staat ook in de ter zitting overgelegde afdruk van een email met dagtekening 3 november 2014. In de brief van 29 september 2013 is onder meer vermeld dat [A] verklaart dat hij en niet belanghebbende altijd de feitelijke leiding over [C BV] heeft gehad.

2.11.

Bij brief met dagtekening 14 november 2013 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen aangekondigd. Met dagtekening 30 november 2013 en

7 december 2013 zijn de navorderingsaanslagen opgelegd. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar ingesteld tegen de navorderingsaanslagen. Belanghebbende is op 4 maart 2014 door de inspecteur gehoord. De inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 11 en 28 augustus 2014 de navorderingsaanslagen 2008, 2009 en 2010 en de boetebeschikkingen 2009 en 2010 gehandhaafd. De boetebeschikking 2008 is verminderd tot € 20.857, omdat bij de berekening van de boetegrondslag geen rekening was gehouden met de heffingskorting van € 3.771.

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

1. Zijn de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

2. Zijn de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedragen opgelegd?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep inzake de boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010, met vermindering van de boetes tot € 500 per jaar, en tot ongegrondverklaring van het beroep inzake de navorderingsaanslagen 2008, 2009 en 2010.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de fiscale woonplaats van belanghebbende in de jaren 2008, 2009 en 2010 in Nederland lag. Voorts zijn tussen partijen niet in geschil de correcties betreffende de ontvangsten van [B BV] en de persoonsgebonden aftrek.

4.2.

Tussen partijen is tevens niet in geschil dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Betreffende het jaar 2008 is de rechtbank met de inspecteur van oordeel dat ter zake van het corrigeren van het feit dat tweemaal aftrek eigen woning is toegekend een nieuw feit ontbreekt. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur, zo bevestigde hij ter zitting, om die reden geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en gesteld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen zoals deze inkomens zijn vastgesteld bij de navorderingsaanslag, elk moeten worden verminderd met € 9.831. Ter zitting is de inspecteur op deze stelling teruggekomen door te stellen dat hij over het hoofd had gezien dat een primitieve aanslag uitgaande van eenmaal de aftrek eigen woning door toedoen van heffingskortingen, in een nihilaanslag had geresulteerd. De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 toch ongegrond moet worden verklaard omdat het hele nagevorderde bedrag aan IB/PVV door belanghebbende materieel is verschuldigd. De navordering van belasting en premies over een bedrag van € 9.831 is door de inspecteur in zijn verweerschrift expliciet prijsgegeven. Het staat de inspecteur dan niet meer vrij om ter zitting een andere standpunt in te nemen dan hij zo uitdrukkelijk en gemotiveerd in het verweerschrift heeft ingenomen. Het voorgaande leidt tot een vermindering van de navorderingsaanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.886 en een premie-inkomen van € 21.758.

De navorderingsaanslagen

4.3.

Artikel 25, derde lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, bij de uitspraak op bezwaar de belastingaanslag wordt gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is, de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast. Een soortgelijke bepaling is voor de beroepsfase neergelegd in artikel 27e van de AWR. Hierin is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De inspecteur heeft gesteld dat nu voor elk van de jaren 2008 tot en met 2010 de vereiste aangifte niet door belanghebbende is gedaan de bewijslast voor belanghebbende moet worden omgekeerd. Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien zowel absoluut als relatief sprake is van een aanzienlijk te lage aangifte of indien niet (tijdig) aangifte is gedaan.

4.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Niet in geschil is dat de aftrek eigen woning daarbij ten onrechte dubbel is geclaimd, dat in de aangifte voorts ten onrechte rekening is gehouden met een persoonsgebonden aftrek en dat de ontvangen voorschotten van [B BV] van € 11.000 ten onrechte niet als belastbaar inkomen in de aangifte zijn verantwoord. Gelet hierop is sprake van een zowel absoluut als relatief aanzienlijk te lage aangifte voor het jaar 2008, zodat belanghebbende over dat jaar niet de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan.

4.5.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2009 en 2010 de aan hem uitgereikte aangiften niet bij de inspecteur ingediend binnen de daartoe gestelde termijn. De inspecteur heeft hieraan terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dat belanghebbende in de bezwaarfase alsnog ingevulde aangiften voor die jaren heeft ingeleverd, leidt niet tot een ander oordeel; deze aangiften zijn niet aan te merken als de vereiste aangifte in voormelde zin (vergelijk onder meer Hoge Raad 12 maart 1997, nr. 31 703, ECLI:NL:HR:1997:AA2126).

4.6.

Gelet op hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen rust op belanghebbende de last te bewijzen dat de navorderingsaanslagen onjuist zijn. Belanghebbende heeft gesteld dat de stortingen op zijn privé rekening schenkingen en de verkoopopbrengst van zijn auto betreffen, en dat de van de stichting ontvangen bedragen leningen zijn, daartoe wijzende op de onder 2.10 vermelde brieven. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de onjuistheid van de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslagen daarmee niet overtuigend heeft aangetoond.

4.7.

Ook bij omkering en verzwaring van de bewijslast moeten de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur is uitgegaan van de feitelijk door belanghebbende ontvangen bedragen en heeft deze in redelijkheid kunnen aanmerken als belastbare inkomsten van belanghebbende. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende in de onderhavige jaren directeur/enig aandeelhouder van [C BV] was en hij, zoals hij ter zitting heeft verklaard, af en toe een uurtje voor [C BV] werkte door een vergadering bij te wonen en slideshows te presenteren. Dat is voldoende. Ter voorlichting van belanghebbende merkt de rechtbank nog op dat voor de belastbaarheid van zijn ontvangsten niet vereist is dat [D BV] betalingen heeft verricht voor door belanghebbende verrichte arbeid. Ter zake van de stelling van belanghebbende dat hij de ontvangsten van [Stichting A] heeft verkregen uit hoofde van een door [A] aan hem verstrekte lening is naar het oordeel van de rechtbank voldoende twijfel gewekt, zodat de inspecteur daaraan in redelijkheid voorbij mag gaan.

4.8.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep voor wat betreft de navorderingsaanslag 2008 gegrond en voor de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 ongegrond te worden verklaard.

Heffingsrente

4.9.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, ECLI:NL:HR:2009:BJ7907). Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de heffingsrente over de jaren 2009 en 2010 tot een juist bedrag aan belanghebbende in rekening is gebracht. De heffingsrente over het jaar 2008 dient overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag 2008 te worden verminderd.

Boetes

4.10.

De inspecteur heeft met toepassing van artikel 67e van de AWR vergrijpboetes opgelegd van 50% van de bedragen van de navorderingsaanslagen. In artikel 67e, eerste lid, van de AWR is bepaald dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

4.11.

Nu sprake is van verzwegen inkomsten en de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangegeven om daarover geen belasting te betalen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van (voorwaardelijk) opzet. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat vanwege belanghebbendes financiële omstandigheden de boetes verminderd dienen te worden tot € 500 per navorderingsaanslag. De rechtbank zal overeenkomstig dit standpunt de boetes verlagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes tot een bedrag lager dan € 500 elk te matigen.

Slotoverweging

4.12.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep tegen de navorderingsaanslag 2008, de beschikking heffingsrente 2008 en de boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond, en het beroep tegen de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 en de beschikkingen heffingsrente 2009 en 2010 ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 26 (retour per openbaar vervoer, tweede klas). Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag 2008, beschikking heffingsrente 2008 en boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de

navorderingsaanslag 2008, beschikking heffingsrente 2008 en boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010;

- vermindert de navorderingsaanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.886 en een premie-inkomen van € 21.758 en vermindert de beschikking heffingsrente 2008 dienovereenkomstig;

- verlaagt de boetebeschikkingen ter zake van de jaren 2008, 2009 en 2010 tot elk

€ 500:

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 26;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2015 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.