Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1579

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
02/800309-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is schuldig aan het medeplegen van afpersing.

Bij verdachte is sprake van complexe en ernstige problematiek. Hij is inmiddels met een rechterlijke machtiging geplaatst.

Verdachte functioneert op zeer laag niveau en uit rapportages blijkt dat hij weinig inzicht heeft in oorzaak-gevolg.

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen pedagogisch of ander strafdoel is gediend met het opleggen van een straf.

Toepassing artikel 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800309-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

raadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2015, waarbij de officier van justitie, mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2014 te Breda,

op/aan de openbare weg en/of een voor het publieke toegankelijke plaats, te

weten het Valkenbergpark,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 55 euro, althans van enig

geldbedrag en/of een identiteitskaart, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met kracht op/tegen diens

oog/gezicht en/of hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of getrokken en/of

tegen/op de grond heeft/hebben gegooid en/of

- ( vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen, althans

eenmaal met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben

geslagen/gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer]

heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer] daarbij dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "staan

blijven" en/of "Geef geld!" en/of "Give money!", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit en baseert zich daarbij op de aangifte en de verklaringen van de mededaders [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer]1;

- de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2]2, [medeverdachte 1]3, [medeverdachte 3]4 en [medeverdachte 4]5[medeverdachte 4]

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 27 maart 2014 te Breda,

op/aan de openbare weg en/of een voor het publieke toegankelijke plaats, te

weten het Valkenbergpark,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 55 euro, althans van enig

geldbedrag en/of een identiteitskaart, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met kracht op/tegen diens

oog/gezicht en/of hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of getrokken en/of

tegen/op de grond heeft/hebben gegooid en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen, althans

eenmaal met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben

geslagen/gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer]

heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer] daarbij dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Staan

blijven" en/of "Geef geld!" en/of "Give money!", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen 72 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, gedurende welke verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Gecertificeerde Instelling (hierna: GI) Jeugdbescherming West.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een strafoplegging achterwege te laten. De raadsman verwijst daarbij naar het rapport van de psycholoog waaruit blijkt dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvat-baar is. Verdachte functioneert op een zeer laag niveau. Een strafoplegging heeft volgens de raadsman geen toegevoegde waarde meer. Het opleggen van toezicht of interventies heeft weinig zin nu er inmiddels een rechterlijke machtiging loopt. Het is voor verdachte van het grootste belang dat voor hem een stabiele situatie wordt gecreëerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een afpersing.

Samen met anderen heeft hij in het donker in het Valkenbergpark [slachtoffer] overvallen en vervolgens flink mishandeld met als doel hem geld afhandig te maken. Het spreekt voor zich dat dit een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. Uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat het slachtoffer lichamelijk weliswaar is hersteld, doch dat het slachtoffer nog steeds angstig is wanneer hij alleen in het donker loopt. Verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn daad voor het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit.

Kinder- en jeugdpsycholoog Laurijssen-Timmers heeft verdachte onderzocht en op 17 juni 2014 een rapportage uitgebracht. Zij stelt vast dat verdachte een ruim twaalfjarige jongen is met een sterk belaste voorgeschiedenis, die sinds anderhalf jaar vanuit Curaçao naar Nederland is gekomen. Verdachte is afkomstig uit een sterk instabiele gezinssituatie waarbij zijn zwakbegaafde moeder te maken heeft met zowel een eigen belast verleden, als psychiatrische (borderline stoornis) problematiek. De biologische vader van verdachte is, toen verdachte ongeveer twee jaar oud was, vermoord. Het blijft onduidelijk of verdachte getuige is geweest van deze gebeurtenis. Het is de moeder daarna niet gelukt om in pedagogisch en affectief opzicht goed op verdachte af te stemmen. De gedragsdeskundige concludeert dat er sprake is van een hechtingsstoornis, een post traumatische stress stoornis, een stoornis in de impulsbeheersing, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een licht verstandelijke beperking. Hiermee samenhangend laat verdachte een zwakke impuls- en agressieregulatie zien en een zeer onrijpe emotionele, sociale en morele ontwikkeling. Voorts stelt zij vast dat de ontwikkeling van verdachte een zorgelijk verloop kent, waar naast intellectuele beperkingen een zeer langzame ontwikkeling in sociaal-emotioneel en relationeel opzicht zichtbaar wordt. Verdachte begrijpt de wereld om zich heen niet goed, heeft moeite om alles te integreren en weet alleen door naar buiten gericht gedrag zijn gevoelens te uiten. Adequate copingsvaardigheden om zijn emoties te reguleren en te uiten ontbreken en hij kan alleen zichzelf door externe sturing onder controle brengen. De gedragsdeskundige adviseert de rechtbank verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Zij geeft aan dat de complexe problematiek van verdachte ervoor zorgt dat er sprake is van een in emotioneel opzicht functionerende angstige tweejarige in plaats van een in fysiek opzicht jonge jongen. Deze enorme scheefgroei zorgt ervoor dat verdachte een zeer intensieve behandeling nodig heeft in een omgeving waar hij benaderd wordt op het niveau waarop hij functioneert en waar veel sturing, controle en begrenzing aanwezig zijn. Zij adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie met een behoorlijke proeftijd, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedraagt naar de aanwijzingen van de voogd/jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat de behandeling plaats dient te vinden binnen een drie leefsferen setting, gezien zijn jonge leeftijd liefst in een civiel kader.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft diverse rapportages over verdachte uitgebracht, laatstelijk op 28 januari 2015. De raad stelt vast dat er bij verdachte sprake is van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling. Er is sprake van een jongen met een sterk complexe voorgeschiedenis waarbij de hechting een onveilig verloop heeft gekend, waardoor sprake is van een gedesorganiseerde gehechtheid. Gevoelens van afwijzing, verlieservaringen, stress en spanning hebben in combinatie met zijn licht verstandelijke beperking en impulsregulatieproblematiek gezorgd voor een overlevingsstra-tegie met veel agressie en oppositioneel opstandig gedrag. Daar achter schuilt een heel klein angstig jongetje dat zichzelf niet staande weet te houden in een sterk prikkelgevoelige maatschappij. Verdachte heeft een zeer intensieve behandeling nodig in een omgeving waar hij wordt benaderd op het niveau waarop hij functioneert en waar veel sturing, controle en begrenzing aanwezig zijn. In het behandeltraject moet vooral gewerkt worden aan stabilisatie van zijn impulsen, een positieve zelfbeleving, de problematiek met betrekking tot zijn gevoelsleven die is ontstaan als gevolg van een onveilige hechting, scholing, eventuele trauma’s die nog niet verwerkt zijn, het accepteren van gezag en regels, het bevorderen van de morele ontwikkeling en het vormgeven aan de relatie met zijn familie. Vooralsnog kan deze behandeling worden vorm gegeven binnen een lvb-instelling met een psychiatrische expertise zoals bij Idris. Om dit alles in goede banen te leiden is, vanuit strafrechtelijk kader toezicht van de jeugdreclassering en, gezien zijn leeftijd, toezicht van zijn voogd nodig. De raad is van mening dat het niet in het pedagogisch belang van verdachte is om hem te straffen ook omdat als gevolg hiervan zijn plaatsing bij[instelling] in het geding komt. Een straf zal hij niet begrijpen, laat staan dat hij de relatie legt tot het delict. Het is belangrijk dat de plaatsing binnen het civielrechterlijk kader gewaarborgd blijft. De raad adviseert verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van een jaar onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich voor de duur van een jaar dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van de maatregel toezicht en begeleiding.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad het advies aangepast en gepleit voor een toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de problematiek van verdachte en het feit dat hij emotioneel gezien blijkt te functioneren op het niveau van een anderhalf tot tweejarige, is de raad van mening dat dit het meest passend is.

Op 16 juni 2014 hebben de behandelaars van verdachte, werkzaam bij [instelling], GZ-psycholoog Huijbregts en orthopedagoog-generalis De Kubber, een concept rapportage uitgebracht over verdachte. Zij stellen hierin vast dat verdachte een jongen is met een lichte verstandelijke beperking, forse hechtingsproblematiek en een zeer getraumatiseerd verleden. Sociaal emotioneel wordt zijn ontwikkelingsniveau gezien op een half tot anderhalf jaar, wat passend is bij zijn hechtingsproblematiek en maakt dat hij zeer beïnvloedbaar is. De gedragsdeskundigen geven aan dat verdachte geen besef heeft van de betekenis en de gevolgen van zijn verklaring c.q. hetgeen hij zal antwoorden ten tijde van het verhoor. Gezien het fors traumatische verleden van verdachte, de grote kans op overvraging (mede gezien zijn sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau) dient het opnieuw opdoen van traumatische ervaringen voorkomen te worden. De gedragsdeskundigen zijn van mening dat verhoor van verdachte ter zake de aangifte niet zal leiden tot een realistische weergave van de feiten en een risico op hertraumatisering met zich zal brengen.

De vertegenwoordiger van Jeugdbescherming West (hierna: JBW), tevens voogd van verdachte, heeft ter zitting verklaard dat het heel moeilijk is om iets aan verdachte uit te leggen. Sinds januari is verdachte met een rechterlijke machtiging geplaatst bij [instelling]. Het contact met de moeder van verdachte die op Bonaire woont, verloopt moeizaam. Ook het contact met de oom van verdachte, het enige familielid dat in Nederland woont, is minimaal. Een terugkeer naar zijn moeder op Bonaire, zoals verdachte wenst, behoort niet tot de mogelijkheden. Hij lijkt nu op de juiste plek te zitten, waar hij zich het beste kan ontwikkelen. JBW sluit zich aan bij het advies van de raad om een strafoplegging achterwege te laten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van alle bovenstaande overwegingen en conclusies en zal deze in haar beoordeling betrekken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte een 13-jarige jongen is met een zeer belaste voorgeschiedenis. Uit de rapporten blijkt dat er sprake is van een complexe en ernstige problematiek. Verdachte is inmiddels met een rechterlijke machtiging geplaatst binnen [instelling] en lijkt daar op de juiste plek te zitten. De rechtbank is van oordeel dat dit beslist niet moet worden doorkruist. Uit de rapportages en de toelichting ter zitting komt een beeld naar voren van een jongen die op een erg laag niveau functioneert. Hij heeft weinig inzicht in oorzaak-gevolg relaties en zal een strafoplegging dan ook niet begrijpen. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van een straf of maatregel niet opportuun, omdat zij van oordeel is dat hiermee geen pedagogisch, maar ook geen enkel strafdoel is gediend. Noch vanuit het oogpunt van vergelding, noch vanuit het oogpunt van preventie heeft een straf naar haar oordeel in deze zaak toegevoegde waarde. De rechtbank zal daarom verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 701,71 in verband met materiële schade. Tijdens het verhoor op 20 januari 2015 bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] aangegeven dat hij bij het indienen van de vordering er vanuit is gegaan dat de immateriële schade in goede justitie door de rechtbank zou worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat er geen bedrag kan worden vastgesteld ter zake van immateriële schade nu dit op het schadeformulier niet is gevorderd. Daarnaast stelt de rechtbank met de verdediging vast dat de goederen die tijdens het incident zijn beschadigd, niet nieuw waren zodat vergoeding tegen de nieuwwaarde niet in de rede ligt. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en bepaalt in redelijkheid en billijkheid dat de schade tot een bedrag van € 450,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van materiële schade. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Aangezien verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 14 jaar nog niet had bereikt, wijst de rechtbank overeenkomstig artikel 361, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering voornoemde vordering toe ten laste van de GI Jeugdbescherming West en veroordeelt zij haar de schade te vergoeden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 77a, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de GI Jeugdbescherming West in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 450,=, ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt de GI Jeugdbescherming West in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Meeuwisse en mr. De Kroon, rechters, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2015.

De griffier en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 85/86.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 186 t/m 192.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 136 t/m 140.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 150/151.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 172 t/m 180.