Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1545

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
C/02/283333 / HA ZA 14-434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het verwijt dat voorlichting over te behalen ondernemingsresultaten onjuist is omdat zou zijn verzwegen dat met het filiaal geen gezond - volgens franchisenemer € 30.000,- - ondernemingsinkomen is te realiseren, is ongegrond. Allereerst geldt dat wanneer franchisenemer vindt dat slechts een ondernemersinkomen van € 30.000,- een gezond inkomen is, het haar uit de prognoses duidelijk moest zijn dat een dergelijk inkomen niet werd voorzien. In zoverre kan van dwaling geen sprake zijn. Daarnaast zijn zowel de behaalde bedrijfsresultaten als de privé opnames elk jaar meer dan € 30.000,-. Als de informatie vanuit franchisegever op deze punten al onjuist zou zijn, zijn de juiste, feitelijk gerealiseerde resultaten zodanig als franchisenemer vindt dat ze moesten zijn. Ook hierom kan in zoverre geen sprake zijn van dwaling.

Het verwijt dat de prognose van de loonkosten veel te laag is omdat een loonkostenpercentage van rond 20% in de door franchisegever zelf geëxploiteerde filialen aan de orde is en volgens het hoofdbedrijfschap detailhandel een loonkostenpercentage van 18 in de bovenkledingbranche gebruikelijk is, beoordeelt de rechtbank als volgt. De begroting van een onderneming ten behoeve van een franchisenemer wordt samengesteld uit diverse voorziene inkomsten en uitgaven. De opstelling daarvan resulteert in een voorzien resultaat. Op grond van de hoogte van dat voorziene resultaat beslist een franchisenemer of hij het risico van ondernemerschap aanvaardt. Wanneer het werkelijk gerealiseerde resultaat lager uitvalt dan werd voorzien is relevant of de begroting op onderdelen een verwijtbaar onjuiste prognose bevat. Wanneer het werkelijk gerealiseerde resultaat hoger uitvalt dan werd voorzien is dit in beginsel niet relevant. Niet aannemelijk is immers dat de franchisenemer geen overeenkomst zou zijn aangegaan als hij had geweten dat weliswaar op een punt begrote kosten hoger zouden uitvallen, maar tevens het bedrijfsresultaat hoger zou zijn dan werd begroot, zodanig dat daarmee de extra kosten meer dan zijn opgevangen. Deze situatie doet zich in het geval van franchisenemer voor. Dat franchisenemer bij een juiste voorstelling van zaken, het op alle onderdelen behaalde werkelijke resultaat, de overeenkomsten niet zou zijn aangegaan is niet aannemelijk. Dat zou anders kunnen zijn wanneer franchisenemer aan franchisegever zou hebben meegedeeld dat de (juistheid van de) prognose van de loonkosten voor haar van wezenlijk belang is. Dat is niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/283333 / HA ZA 14-434

Vonnis van 4 maart 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHOEBY FRANCHISE BV,

gevestigd te Rosmalen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHOEBY LEASING PARTNERS BV,

gevestigd te Rosmalen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAKE SIDE FRANCHISE BV,

gevestigd te Rosmalen,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. E.P.M. Smit,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. N.M. Slump.

Partijen zullen hierna ook Shoeby c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 oktober 2014 en de daarin vermelde stukken

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2014 en de daarin vermelde stukken

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties

  • -

    de conclusie, tevens akte wijziging van eis bij wijze van voorlopige voorziening van [gedaagde], met producties

  • -

    de akte uitlating wijziging van eis, tevens antwoordakte van Shoeby c.s., met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

in conventie

2.1.

Shoeby c.s. vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

ten aanzien van Shoeby Franchise:

a. aan Shoeby Franchise tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 117.253,17, althans tot betaling van een bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag, althans over de door Shoeby Franchise gevorderde hoofdsom ad € 115.324,92, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige dag welke de rechtbank juist acht, tot aan de dag van algehele voldoening;

b. aan Shoeby Franchise de kosten te vergoeden van het voormelde ten behoeve van Shoeby Franchise gelegde revindicatoir beslag en de kosten van het voormelde ten behoeve van Shoeby Franchise gelegde conservatoir derdenbeslag;

c. te verklaren voor recht dat de in het kader van het revindicatoire beslag weggevoerde

roerende zaken hebben te gelden als eigendommen van Shoeby Franchise, dat deze op goede gronden door Shoeby Franchise zijn weggevoerd en dat deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk kunnen worden behouden door Shoeby Franchise en derhalve ten faveure van Shoeby Franchise dienen te worden vrijgegeven door de betreffende gerechtelijk bewaarder;

ten aanzien van Shoeby Leasing Partners:

aan Shoeby Leasing Partners tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 16.972,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag, althans over de hoofdsom ad € 16.037,48, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige dag welke de rechtbank juist acht, tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede betaling van de door [gedaagde] aan Shoeby Leasing Partners uit hoofde van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst verschuldigde maandelijkse huurtermijnen na de maand april 2014, vermeerderd met de wettelijke rente over deze huurtermijnen, te rekenen vanaf de dag van de opeisbaarheid van de betreffende huurtermijn tot aan de dag van algehele voldoening;

ten aanzien van Lake Side Franchise:

aan Lake Side Franchise tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.808,40, althans tot betaling van een bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag, althans over de gevorderde hoofdsom ad € 5.174,67, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige dag welke de rechtbank juist acht, tot aan de dag van algehele voldoening;

ten aanzien van Shoeby Franchise, Lake Side Franchise en Shoeby Leasing

Partners:

in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de proceskosten als [gedaagde] de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis heeft voldaan.

in reconventie

2.2.

[gedaagde] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Bij wijze van voorlopige voorziening Shoeby c.s. hoofdelijk te veroordelen aan [gedaagde] bij wijze van voorschot te voldoen de somma van € 400.000,= althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

2. Shoeby c.s. hoofdelijk te veroordelen aan [gedaagde] te betalen de somma van € 846.753,-, althans de somma van € 768.632-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2014, althans een in goede justitie te bepalen datum;

3. Shoeby c.s. hoofdelijk te veroordelen aan [gedaagde] te betalen de somma van € 10.000,- wegens (buiten)gerechtelijke kosten (heer [naam X]);

4. Te verklaren voor recht dat Shoeby c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [gedaagde] ten gevolge van voormelde gronden heeft geleden;

5. Shoeby c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het vergoeden van bovengenoemde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

6. Alles met veroordeling van Shoeby c.s. in reconventie in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie

De gedingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun samenhang gezamenlijk behandeld.

3.1.

De rechtbank stelt in deze zaak tussen partijen de volgende feiten vast.

3.1.1.

Shoeby Franchise is een groothandel in kleding en aanverwante artikelen en franchisegever van het concept “Shoeby/Jilly&Mitch”.

3.1.2.

[gedaagde] heeft op 16 oktober 2006 een franchiseovereenkomst met Shoeby Franchise gesloten met betrekking tot een filiaal in Sliedrecht. [gedaagde] heeft met dat filiaal in 2007 een bedrijfsresultaat gehaald van € 17.976,-. Daarbij was voor lonen en salarissen een percentage van 4,9 van de netto omzet begroot en een percentage van 3,9 gerealiseerd.

3.1.3.

Shoeby Franchise heeft een nieuwe vestiging in Zundert gerealiseerd. Daartoe is eerst een vestigingsplaatsonderzoek verricht. Eind 2007/begin 2008 hebben [gedaagde] en Shoeby Franchise gesprekken gehouden. Shoeby Franchise heeft daarbij aan [gedaagde] een exploitatie-, investerings-, financierings- en cash flowbegroting over de jaren 2008 tot en met 2012 verstrekt. Deze begroting vermeldt een basishuur van € 35.000,- per jaar met in de eerste twee jaren een korting van € 5.000,- per jaar. Als norm voor de toetsing van een borgstellingskrediet voor een eenmanszaak is € 30.000,- resultaat voor belasting vermeldt. Ook zijn afschrijvingen vermeld, voor de verbouwing gedurende acht jaren en voor de inventaris en overige zaken gedurende vijf jaren. Verder ziet de begroting er onder meer als volgt uit, met bedragen exclusief btw.

2008: Netto omzet € 385.750,-, inkoop € 216.020,-, personeel € 20.176,- 5,23%, resultaat voor belasting € 17.536,-.

2009: Netto omzet € 385.000,-, inkoop € 215.600,-, personeel € 23.255,- 6,04%, resultaat voor belasting € 21.590,-.

2010: Netto omzet € 396.550,-, inkoop € 222.068,-, personeel € 25.911,- 6,53%, resultaat voor belasting € 20.586,-.

2011: Netto omzet € 408.447,-, inkoop € 228.730,-, personeel € 29.808,- 7,30%, resultaat voor belasting € 22.389,-.

2012: Netto omzet € 420.700,-, inkoop € 235.592,-, personeel € 32.712,- 7,78%, resultaat voor belasting € 24.353,-.

Als voorraad in inkoopwaarde zijn bedragen van € 36.271,- oplopend naar € 39.595,- voorzien.

Voor aflossing van de lening en afbouw rekening courant is in die jaren telkens een bedrag van € 28.783,- voorzien en voor privé-opnamen tussen de € 16.000,- en € 20.000,-.

In een bijlage zijn de kosten van de verbouwing van het filiaal gespecificeerd.

3.1.4.

[gedaagde] heeft met Shoeby Leasing Partners op 2 november 2007 een huurovereenkomst winkelruimte gesloten ingaande 1 januari 2008, voor de duur van vijf jaren. Als maandelijkse huurprijs is vermeld € 2.916,67 exclusief btw.

3.1.5.

Op 10 maart 2008 heeft [gedaagde] met Shoeby Franchise een franchiseovereenkomst gesloten met betrekking tot het filiaal in Zundert, voor de duur van vijf jaren.

3.1.6.

Shoeby Franchise heeft aan ABN AMRO bank cijfers verstrekt van de vestiging Sliedrecht en de prognosecijfers van de vestiging Zundert. Als huur- en huisvestingskosten voor de jaren 2008 tot en met 2012 zijn vermeld € 42.200,-, € 31.700,-, € 37.600,- € 41.000,- en € 41.900,-. Ook is vermeld dat er in de eerste twee jaren een huurbijdrage wordt geleverd van € 12.500,- per jaar en dat de basishuur die Shoeby betaalt € 25.386,- bedraagt, welk bedrag voor [gedaagde] met 1% wordt verhoogd. Shoeby Leasing Partners heeft de jaarhuurprijs voor [gedaagde] in de eerste twee jaren verminderd met € 5.000,- exclusief btw.

3.1.7.

[gedaagde] heeft met ABN Amro bank op 8 april 2008 een kredietovereenkomst gesloten met een totale omvang van € 258.600,-, waarvan twee borgstellingskredieten onderdeel uitmaken. Daarbij is een aflossingstermijn van zes jaren overeengekomen, ingaande 1 november 2008.

3.1.8.

Op 1 januari 2013 heeft [gedaagde] met Shoeby Franchise een nieuwe franchiseovereenkomst gesloten met betrekking tot het filiaal in Zundert, voor de duur van vijf jaren. De huurovereenkomst is eveneens verlengd.

3.1.9.

[gedaagde] heeft facturen van Shoeby Franchise voor geleverde goederen, verrichte diensten en rente tot een bedrag van in totaal € 115.324,92 onbetaald gelaten. Dat geldt ook voor facturen van Shoeby Leasing Partners voor huur tot een bedrag van in totaal € 16.037,48 en voor facturen van Lake Side Franchise voor geleverde goederen tot een bedrag van in totaal € 5.174,67.

3.1.10.

Vanaf oktober 2013 is de advocaat van Shoeby c.s. [gedaagde] gaan sommeren tot betaling over te gaan. Daarbij is [gedaagde] gewezen op mogelijke opschorting van leveranties van goederen. In februari 2014 is vanuit de boekhouder van [gedaagde] initiatief genomen een regeling te treffen. Vervolgens heeft [gedaagde] in februari 2014 ruim € 45.000,- van aan Shoeby c.s. betaalde bedragen gestorneerd. Tot afbetaling van de openstaande factuurbedragen is het nooit gekomen. [gedaagde] heeft nog meer storneringen verricht. Vervolgens heeft Shoeby Franchise de levering van goederen aan [gedaagde] stop gezet.

3.1.11.

Na verlof van de voorzieningenrechter, verzocht door Shoeby Franchise, heeft de deurwaarder op 21 maart 2014 beslag gelegd op de goederen in het filiaal in Zundert en deze in bewaring gegeven. Ook is beslag gelegd onder bankrekeningen van [gedaagde]. Op 17 maart 2014 hebben Shoeby c.s. om het faillissement van [gedaagde] verzocht. Dit verzoek is afgewezen.

3.1.12.

Vervolgens hebben onderhandelingen plaatsgehad tussen [gedaagde] en Shoeby Franchise over de overname door Shoeby Franchise van het filiaal in Zundert van [gedaagde]. Partijen hebben geen overeenstemming over de prijs bereikt.

3.1.13.

Bij brief van 1 april 2014 heeft de advocaat van [gedaagde] aan Shoeby c.s. meegedeeld dat [gedaagde] zich beroept op vernietiging van de met hen gesloten overeenkomsten op grond van dwaling/bedrog. Subsidiar is een beroep op wanprestatie/onrechtmatige daad gedaan. In beide gevallen is een beroep gedaan op verrekening van de vorderingen van [gedaagde] met de vorderingen van Shoeby c.s. en is een bedrag van € 768.632,- van Shoeby c.s. gevorderd.

3.1.14.

Op 11 augustus 2014 hebben Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners aan [gedaagde] bericht de exploitatie van het filiaal in Zundert zelf ter hand te willen nemen. [gedaagde] heeft dat afgewezen. Bij vonnis van 16 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om het filiaal binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te gedogen dat Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners het filiaal (laten) exploiteren. De vordering van [gedaagde] om Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners te veroordelen tot betaling van een voorschot in verband met de in deze zaak ingestelde vordering in reconventie is afgewezen.

De vorderingen van Shoeby c.s.:

3.2.

Shoeby c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming jegens hen van op [gedaagde] op grond van overeenkomst rustende betalingsverplichtingen.

3.3.

[gedaagde] heeft de hoogte van de bij de dagvaarding gevorderde bedragen niet weersproken. Shoeby c.s. hebben na de dagvaarding vermeld dat de bedragen zijn opgelopen, maar daaraan geen vermeerdering van eis verbonden. Dat brengt mee dat voor de beoordeling de vordering bij de dagvaarding tot uitgangspunt dient.

3.4.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij met Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners een overeenkomst heeft gesloten. Wel heeft zij betwist dat zij met Lake Side Franchise een overeenkomst heeft gesloten en goederen heeft besteld, zodat zij reeds daarom aan Lake Side Franchise niets is verschuldigd.

3.5.

Lake Side Franchise heeft in de dagvaarding slechts gesteld dat zij aan [gedaagde] goederen heeft geleverd en dat [gedaagde] de daarvoor aan haar gezonden facturen zonder protest heeft behouden. Noch in de dagvaarding, noch nadien is door Lake Side Franchise, ondanks de betwisting van [gedaagde] dat zij met Lake Side Franchise (cursivering rechtbank) een overeenkomst heeft gesloten en/of goederen heeft besteld, toegelicht op welke wijze er tussen [gedaagde] en Lake Side Franchise een rechtsverhouding is ontstaan die [gedaagde] tot betaling aan Lake Side Franchise verplichtte. Dat had zij wel moeten doen omdat zonder nadere toelichting niet duidelijk is op welke grond [gedaagde] aan Lake Side Franchise en - bijvoorbeeld - niet aan Shoeby Franchise betaling voor geleverde goederen is verschuldigd. Lake Side Franchise heeft de rechtbank dan ook geen deugdelijke feitelijke grondslag aangereikt ter zake van haar vordering. Deze behoort daarom te worden afgewezen.

3.6.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij facturen ter hoogte van de vorderingen van Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners onbetaald heeft gelaten. Indien de hierna te beoordelen (in reconventie) door [gedaagde] aangevoerde gronden en overige verweren niet slagen dan zijn de vorderingen van Shoeby Franchise (hoofdsom € 115.324,92) en Shoeby Leasing Partners (hoofdsom € 16.037,48) toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de dagvaarding. Wat betreft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten geldt alsdan dat de sommatiebrieven een toereikende grondslag bieden voor vergoeding en de hoogte in overeenstemming met de geldende tarieven is. De hoge betalingsachterstand samen met de hoge storneringen door [gedaagde] mochten Shoeby Franchise dan doen overgaan tot opschorting van leveranties en het leggen van beslag. In het bijzonder de hoge storneringen zijn, wanneer de gronden en verweren van [gedaagde] niet slagen, een ernstige tekortkoming van [gedaagde]. Tot slot is er alsdan aanleiding voor een proceskostenveroordeling, inclusief beslagkosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

De vorderingen en verweren van [gedaagde]:

3.7.

[gedaagde] beroept zich primair op (buitengerechtelijke) vernietiging van de franchiseovereenkomsten met Shoeby Franchise en van de huurovereenkomst met Shoeby Leasing Partners op grond van bedrog en dwaling. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op wanprestatie en onrechtmatige daad. Zij beroept zich jegens Shoeby c.s. op verrekening van haar vordering op Shoeby c.s. die voortvloeit uit de vernietiging van voormelde overeenkomsten, dan wel uit wanprestatie en onrechtmatige daad en vordert in reconventie het surplus van Shoeby c.s.

Aan het beroep op bedrog en dwaling heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat Shoeby Franchise en - zo neemt de rechtbank aan - Shoeby Leasing Partners [gedaagde] hebben bewogen tot het betalen van investeringskosten voor het filiaal in Zundert, tot het sluiten van franchise- en huurovereenkomsten en tot het aangaan van koopovereenkomsten met betrekking tot door [gedaagde] aangeschafte voorraad. [gedaagde] verwijt hen valse gegevens over de huurlasten voor het filiaal aan ABN AMRO bank te hebben verstrekt om te bereiken dat [gedaagde] aan de eisen voor een borgstellingskrediet zou voldoen en de bank aan [gedaagde] een lening zou verstrekken. [gedaagde] is daar pas in 2014 achter gekomen. De prognose van de loonkosten is veel te laag, hetgeen blijkt uit een loonkostenpercentage van rond 20% in de door Shoeby Franchise zelf geëxploiteerde filialen. Volgens het hoofdbedrijfschap detailhandel is een loonkostenpercentage van 18 in de bovenkledingbranche gebruikelijk. De voorlichting over te behalen ondernemingsresultaten is daarmee onjuist, Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners hebben verzwegen dat met het filiaal in Zundert geen gezond - volgens [gedaagde] € 30.000,- - ondernemingsinkomen is te realiseren.

Aan het beroep op wanprestatie en onrechtmatige daad heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat Shoeby Franchise en - zo neemt de rechtbank aan - Shoeby Leasing Partners hun zorgplicht jegens [gedaagde] hebben geschonden door voormelde onjuiste gegevens te verstrekken. Ook verwijt [gedaagde] hen schending van hun plicht als franchisegever om advies en bijstand te verlenen, nu zij [gedaagde] hebben overbevoorraad en marges onder druk hebben gezet door kortingen op te leggen. Tot slot acht [gedaagde] het opleggen van een leveringsstop in strijd met de redelijkheid en billijkheid nu de betalingsachterstand al langer bestaat en een dergelijke achterstand bij andere franchisenemers wel wordt geaccepteerd.

3.8.

[gedaagde] vordert hoofdelijke veroordeling van Shoeby c.s. tot betaling van diverse bedragen. De grondslag daarvoor is volgens [gedaagde] daarin gelegen dat de Shoeby Franchise, Shoeby Leasing Partners en Lake Side Franchise het doen voorkomen alsof zij over en weer voor elkaar handelen en daarom met elkaar zijn te vereenzelvigen. De rechtbank deelt dat standpunt niet. In deze zaak blijkt uit de in het geding gebrachte overeenkomsten duidelijk welke vennootschap welke rechtshandelingen heeft verricht. De aanduiding van de contractspartijen in de kop van de overeenkomsten is helder en niet voor misverstand vatbaar. Daarin zijn dan ook geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat voor bijvoorbeeld Shoeby Franchise even goed Shoeby Leasing Partners kan worden verstaan. Dat in de tekst van de huurovereenkomst tussen Shoeby Leasing Partners en [gedaagde] wordt verwezen naar de “Shoeby Franchiseorganisatie” en dat is opgenomen dat de ene overeenkomst deel uit maakt van de andere is ontoereikend om onduidelijkheid te doen ontstaan over met welke contractspartij rechten en verplichtingen zijn overeengekomen. Een andere toelichting van [gedaagde] die daarvoor wel aanknopingspunten biedt ontbreekt.

3.9.

Het meest verstrekkende verweer van Shoeby c.s. is dat de vorderingen van [gedaagde] zijn verjaard. Zij voeren daartoe aan dat [gedaagde] al vanaf eind 2006 franchiseneemster van Shoeby Franchise is. Vanaf toen heeft zij zich gecommitteerd aan de franchiseformule van Shoeby Franchise en vanaf toen was zij al bekend met de wijze van begroting. De rechtbank verwerpt dit beroep. De vorderingen van [gedaagde] zijn gebaseerd op handelingen van Shoeby Franchise rondom en na de totstandkoming van overeenkomsten met betrekking tot het filiaal in Zundert. Deze zijn niet gelijk aan die met betrekking tot het per eind 2006 geëxploiteerde filiaal in Sliedrecht. [gedaagde] was dan ook niet al eind 2006 bekend met de feiten en omstandigheden die zij aan haar vorderingen in deze zaak ten grondslag heeft gelegd. Een andere feitelijke grondslag ligt niet aan het beroep op verjaring ten grondslag. Het beroep ontbeert daarom een deugdelijke feitelijke grondslag.

3.10.

De vraag of [gedaagde] al dan niet ontvankelijk is in haar vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening is pas relevant wanneer een van haar vorderingen ten gronde wordt toegewezen.

3.11.

Met betrekking tot het beroep op dwaling en bedrog geldt het volgende. Als van dwaling geen sprake is, is evenmin van bedrog - “de opzetvariant van dwaling” - sprake. Voor een geslaagd beroep op dwaling is in deze zaak, gelet op de verwijten van [gedaagde], vereist dat de dwaling te wijten is aan inlichtingen en/of verzwijgingen van Shoeby c.s., tenzij deze mochten aannemen dat de overeenkomsten ook zonder deze inlichtingen of verzwijgingen zouden worden gesloten en die overeenkomsten bij een juiste voorstelling van zaken niet zouden zijn gesloten. De dwaling mag geen uitsluitend toekomstige omstandigheid betreffen.

3.11.1.

De rechtbank stelt met Shoeby c.s. vast dat [gedaagde] in de periode 2008-2012 aanmerkelijk betere resultaten heeft behaald dan blijkens de onder de feiten weergegeven prognoses was ingeschat. In de door Shoeby Franchise ten aanzien van de door [gedaagde] gedreven onderneming opgestelde begroting ter zake de periode 2008-2012 is het

bedrijfsresultaat geprognosticeerd op een totaalbedrag van € 106.454,- terwijl het werkelijke bedrijfsresultaat in voornoemde periode in totaal € 236.550,- heeft bedragen. Het resultaat van [gedaagde] in 2008 was € 35.927,- (prognose € 17.536,-), in 2009 € 51.218, (prognose

€ 21.590,-), in 2010 € 64.284,- (prognose € 20.586,), in 2011 € 55.034,- (prognose € 22.389,-) en in 2012 € 30.087,- (prognose € 24.353,-) heeft bedragen. Het resultaat in 2013 bedroeg € 39.460,-.

[gedaagde] heeft in de periode 2008-2012 de navolgende privé-opnamen uit haar onderneming genoten: 2008 € 51.801,-, 2009 € 44.028,-, 2010 € 50.566,-, 2011 € 61.144,-, 2012 € 34.723,-, in totaal € 242.262,-, terwijl in de cashflowbegroting in totaal € 127.176,- aan opnamen was voorzien.

3.11.2.

Het verwijt dat voorlichting over te behalen ondernemingsresultaten onjuist is omdat Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners hebben verzwegen dat met het filiaal in Zundert geen gezond - volgens [gedaagde] € 30.000,- - ondernemingsinkomen is te realiseren, is ongegrond. Allereerst geldt dat wanneer [gedaagde] vindt dat slechts een ondernemersinkomen van € 30.000,- een gezond inkomen is, het haar uit de prognoses duidelijk moest zijn dat een dergelijk inkomen niet werd voorzien. In zoverre kan van dwaling geen sprake zijn. Daarnaast zijn zowel de behaalde bedrijfsresultaten als de privé opnames elk jaar meer dan € 30.000,-. Als de informatie vanuit Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners op deze punten al onjuist zou zijn, zijn de juiste, feitelijk gerealiseerde resultaten zodanig als [gedaagde] vindt dat ze moesten zijn. Ook hierom kan in zoverre geen sprake zijn van dwaling.

3.11.3.

Het verwijt dat de prognose van de loonkosten veel te laag is omdat een loonkostenpercentage van rond 20% in de door Shoeby Franchise zelf geëxploiteerde filialen aan de orde is en volgens het hoofdbedrijfschap detailhandel een loonkostenpercentage van 18 in de bovenkledingbranche gebruikelijk is, beoordeelt de rechtbank als volgt. De begroting van een onderneming ten behoeve van een franchisenemer wordt samengesteld uit diverse voorziene inkomsten en uitgaven. De opstelling daarvan resulteert in een voorzien resultaat. Op grond van de hoogte van dat voorziene resultaat beslist een franchisenemer of hij het risico van ondernemerschap aanvaardt. Wanneer het werkelijk gerealiseerde resultaat lager uitvalt dan werd voorzien is relevant of de begroting op onderdelen een verwijtbaar onjuiste prognose bevat. Wanneer het werkelijk gerealiseerde resultaat hoger uitvalt dan werd voorzien is dit in beginsel niet relevant. Niet aannemelijk is immers dat de franchisenemer geen overeenkomst zou zijn aangegaan als hij had geweten dat weliswaar op een punt begrote kosten hoger zouden uitvallen, maar tevens het bedrijfsresultaat hoger zou zijn dan werd begroot, zodanig dat daarmee de extra kosten meer dan zijn opgevangen. Deze situatie doet zich in het geval van [gedaagde] voor. Dat [gedaagde] bij een juiste voorstelling van zaken, het op alle onderdelen behaalde werkelijke resultaat, de overeenkomsten niet zou zijn aangegaan is niet aannemelijk. Dat zou anders kunnen zijn wanneer [gedaagde] aan Shoeby Franchise zou hebben meegedeeld dat de (juistheid van de) prognose van de loonkosten voor haar van wezenlijk belang is. Dat is niet aan de orde.

3.11.4.

Ten aanzien van het verwijt tot slot dat Shoeby c.s. valse gegevens over de huurlasten voor het filiaal aan ABN AMRO bank hebben verstrekt om te bereiken dat [gedaagde] aan de eisen voor een borgstellingskrediet zou voldoen en de bank aan [gedaagde] een lening zou verstrekken, alwaar [gedaagde] pas in 2014 achter is gekomen, geldt het volgende. Het gaat hier niet om totstandkomingsgebreken die aan de kredietovereenkomst tussen [gedaagde] en de bank zouden kleven. Het gaat erom dat aannemelijk wordt dat [gedaagde] de overeenkomsten met Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners niet zou hebben gesloten als zij zou hebben geweten dat die partijen de bank hadden misleid (als dat waar is) door te lage huurkosten te vermelden om zo [gedaagde] aan de eisen voor een borgstellingskrediet te laten voldoen. Allereerst geldt dat [gedaagde] de overeenkomsten met Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners al had gesloten voordat de kredietovereenkomst met de bank is gesloten. Dat pleit tegen het aannemen van een verband tussen de wijze van totstandkoming van de kredietovereenkomst en de overeenkomsten met Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners. Reeds daarom snijdt dit verwijt geen hout. Daarbij komt het volgende. Een franchisenemer neemt bij zijn beslissing kredietovereenkomsten te sluiten die nodig zijn om een franchiseovereenkomst te kunnen sluiten tot uitgangspunt of hij aan zijn betalingsverplichtingen jegens de kredietverstrekker kan voldoen. In een geval als hier aan de orde vaart de kredietnemer daarbij - naast mondelinge of schriftelijke informatie van de bank waarvan volgens [gedaagde] geen sprake is geweest - op de prognoses van met de onderneming te behalen resultaten. De volgens [gedaagde] aan haar bekende prognoses zijn die welke onder de feiten zijn weergegeven. Op grond daarvan moet [gedaagde] de keuze hebben gemaakt met de bank een kredietovereenkomst aan te gaan. Andere gegevens had [gedaagde] immers toen, zo stelt zij, niet ter beschikking. Dat vanuit [gedaagde] bezien (en niet vanuit de bank bezien) aan de bank verstrekte informatie over de hoogte van de huur, meer dan de prognoses over het resultaat, de beslissing tot het aangaan van een kredietovereenkomst nodig om de franchiseovereenkomst aan te kunnen gaan, ten grondslag heeft gelegen is bij gebreke van een goede motivering van [gedaagde] niet aannemelijk geworden.

3.11.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep op dwaling niet slaagt. Het beroep op bedrog slaagt dan ook niet.

3.12.

Het beroep op wanprestatie en onrechtmatige daad is op dezelfde feitelijke grondslag gebaseerd.

3.12.1.

Het verwijt dat Shoeby c.s. hun zorgplicht hebben geschonden beoordeelt de rechtbank als volgt. Of sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens/prognoses voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomsten met Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners kan in het midden blijven. Voor zover op een onderdeel, de personeelskosten, een onjuiste prognose zou zijn gegeven, geldt dat evenzeer voor het te realiseren bedrijfsresultaat. [gedaagde] heeft een veel hoger bedrijfsresultaat behaald dat de hogere gerealiseerde personeelskosten meer dan compenseert. Van schade als gevolg van een mogelijk onjuiste prognose is dan geen sprake.

3.12.2.

Ten aanzien van het verwijt dat Shoeby c.s. de plicht als franchisegever hebben geschonden om advies en bijstand te verlenen, nu zij [gedaagde] hebben overbevoorraad en marges onder druk hebben gezet door kortingen op te leggen, geldt het volgende. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op correspondentie die zij aan Shoeby c.s. heeft gericht en waarin zij er op wijst dat zij teveel voorraad krijgt opgedrongen die zij niet nodig heeft en met opgelegde acties wordt geconfronteerd die haar marges teveel onder druk zetten. Verder is dit verwijt nauwelijks toegelicht, met name niet dat [gedaagde] als gevolg daarvan daadwerkelijk schade heeft geleden vanwege onverkochte voorraad. In de conclusie na comparitie voert [gedaagde] aan dat de startvoorraad in 2008 is begroot op € 36.271,- terwijl de factuur voor de eerste levering € 67.991,21 bedroeg. Shoeby c.s. hebben daartegen aangevoerd dat de acties, waar [gedaagde] op grond van de franchiseovereenkomst aan mee moet doen, onderdeel van de vaste strategie van Shoeby Franchise zijn, dat zij streeft naar een gemiddelde marge van 44% en dat die door het filiaal in Zundert ook steeds is gehaald. Van overbevoorrading is geen sprake nu de voorraad per einde jaar steeds tussen de 8,6% en 10,8%, gemiddeld 9,7%, van de werkelijke jaaromzet bedroeg, terwijl de gemiddelde geprognosticeerde voorraad per einde jaar 9,4% bedroeg. [gedaagde] had een betere motivering moeten geven dan enkel te wijzen op voormeld door haar aan Shoeby c.s. meegedeelde standpunt om niettegenstaande de toelichting van Shoeby c.s. te kunnen spreken van een tekortkoming van Shoeby c.s. op het punt van de zorgplicht.

3.12.3.

Het opleggen van een leveringsstop is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid nu geen van de gronden en verweren van [gedaagde] succesvol zijn en [gedaagde] na aanmaning van Shoeby c.s. niet tot het treffen en nakomen van een betalingsregeling is overgegaan, maar integendeel, zonder grond, aanzienlijke bedragen is gaan storneren.

3.13.

Uit al het vorenstaande volgt dat de vorderingen van Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners worden toegewezen, dat de vordering van Lake Side Franchise wordt afgewezen en dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. Lake Side Franchise wordt in de proceskosten van [gedaagde] veroordeeld, begroot naar de hoogte van de vordering van Lake Side Franchise. Op het griffierecht van [gedaagde] heeft de afwijzing van deze vordering geen invloed. [gedaagde] wordt in de proceskosten van Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners in conventie veroordeeld. [gedaagde] wordt in de proceskosten van Shoeby c.s. in reconventie veroordeeld. Vanwege de samenhang wordt de helft van het aantal in aanmerking te nemen punten voor proceshandelingen genomen. Voor de beslagkosten voor revindicatoir en conservatoir beslag geldt dat het salaris advocaat forfaitair wordt berekend naar tweemaal een punt van het toepasselijke tarief. Verder komen de explootkosten voor vergoeding in aanmerking zoals die uit de overgelegde stukken blijken met dien verstande dat de explootkosten van conservatoire beslaglegging van € 6.910,46 buiten beschouwing worden gelaten omdat zonder nadere toelichting van Shoeby c.s., die geheel ontbreekt, niet kan worden beoordeeld of dit redelijke kosten zijn.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan Shoeby Franchise tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 117.253,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag vanaf 4 april 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan Shoeby Franchise de kosten te vergoeden van het voormelde ten behoeve van Shoeby Franchise gelegde revindicatoir beslag en de kosten van het voormelde ten behoeve van Shoeby Franchise gelegde conservatoir derdenbeslag, begroot op € 2.842,- aan salaris en € 991,39 aan verschotten;

verklaart voor recht dat de in het kader van het revindicatoire beslag weggevoerde

roerende zaken hebben te gelden als eigendommen van Shoeby Franchise, dat deze op goede gronden door Shoeby Franchise zijn weggevoerd en dat deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk kunnen worden behouden door Shoeby Franchise en derhalve ten faveure van Shoeby Franchise dienen te worden vrijgegeven door de betreffende gerechtelijk bewaarder;

veroordeelt [gedaagde] om aan Shoeby Leasing Partners tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 16.972,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag vanaf 4 april 2014 tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede betaling van de door [gedaagde] aan Shoeby Leasing Partners uit hoofde van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst verschuldigde maandelijkse huurtermijnen na de maand april 2014, vermeerderd met de wettelijke rente over deze huurtermijnen, te rekenen vanaf de dag van de opeisbaarheid van de betreffende huurtermijn tot aan de dag van algehele voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Shoeby Franchise en Shoeby Leasing Partners, begroot op € 7.459,02, waarin begrepen € 3.552,50 aan salaris advocaat, vermeerderd met nakosten tot heden begroot op € 131,- te vermeerderen met € 68,- indien [gedaagde] binnen 14 dagen na aanschrijving niet aan deze veroordeling heeft voldaan en betekening nodig is, al deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Lake Side Franchise in de proceskosten van [gedaagde], begroot op € 3.552,50 aan salaris advocaat;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Shoeby Leasing Partners, begroot op € 1.776,25 aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2015.