Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1457

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; onjuist tijdvak naheffing

Belanghebbende heeft een bedrijfswoning laten bouwen en ter beschikking gesteld aan haar voormalige dga en daarmee een levering verricht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en letter h, van de Wet OB (tekst t/m 2006). De inspecteur heeft terzake OB nageheven over 2006, er van uitgaande dat de bedrijfswoning in 2006 in gebruik is genomen. De rechtbank acht aannemelijk dat de woning in 2005 in gebruik is genomen en vernietigt de naheffingsaanslag. Geen integrale proceskostenvergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/801
V-N 2015/22.19.10
FutD 2015-0957
NTFR 2015/1327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/2316

uitspraak van 9 maart 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 26 augustus 2009 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 99.423 (aanslagnummer: [aanslagnummer].F.01.6501). Tegelijkertijd is bij beschikking een boete van € 4.537 opgelegd en is bij beschikking de heffingsrente vastgesteld op € 12.704.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 maart 2014 de naheffingsaanslag en de gelijktijdig daarmee opgelegde beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 10 april 2014, ontvangen bij de rechtbank op 11 april 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014 te Breda.

Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting en van de daar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijkertijd met deze uitspraak wordt verzonden. De door belanghebbende overgelegde pleitnota behoort tot de gedingstukken. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende exploiteert een palingkwekerij aan de [adres] te [woonplaats]. In het jaar 2000 zijn de aandelen in belanghebbende overgedragen aan [A BV] te [plaats X]. De voormalige grootaandeelhouder in belanghebbende, [B] (hierna: [B]), is nadien aangebleven als bedrijfsleider. Bij de verkoop van zijn aandelenpakket in 2000 heeft [B] bedongen dat aan hem voor de duur van het dienstverband een bedrijfswoning om niet ter beschikking zou worden gesteld door belanghebbende. Deze bedrijfswoning zou gebouwd worden op het bedrijfsterrein van de palingkwekerij op het voornoemde adres te [woonplaats]. Vervolgens is eind 2004 de bouw van de bedrijfswoning, te weten een woonhuis met opslagruimte en carport (hierna: de bedrijfswoning), aangevangen. De bedrijfswoning is uiteindelijk gerealiseerd op het genoemde adres.

2.2.

Belanghebbende heeft in eerste instantie geen voorbelasting teruggevraagd van de aan haar ter zake van de bouw van de bedrijfswoning in rekening gebrachte omzetbelasting. In het jaar 2008 heeft belanghebbende alsnog bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane omzetbelasting over de periode 2004/2005. Naar aanleiding van deze bezwaren heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. In het boekenonderzoek is geconcludeerd dat er in 2006 sprake is geweest van een integratielevering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en letter h, van de Wet OB (integratielevering) omdat [B] toen de bedrijfswoning heeft betrokken. Conclusie van het onderzoek was dat belanghebbende alsnog recht had op aftrek van een bedrag van in totaal € 58.946 aan omzetbelasting die aan haar ter zake van de bouw van de bedrijfswoning in rekening was gebracht, en dat zij € 99.423 omzetbelasting verschuldigd was ter zake van de integratielevering.

2.3.

Aan belanghebbende is voorts een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig voldoen van omzetbelasting op aangifte (artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: de AWR). Met dagtekening 26 augustus 2009 zijn de onderhavige naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd overeenkomstig de bevindingen van het boekenonderzoek.

2.4.

Tot de stukken van het geding behoort een brief van [B], gedagtekend 19 maart 2014 en gericht aan [A BV], waarin hij het volgende heeft verklaard:

“(…)

Geachte [C] (beste [C]),

Hierbij willen we graag schriftelijk aan je bevestigen dat wij per eind oktober 2005 in het nieuwe huis zijn gaan wonen.”

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag over het juiste tijdvak is opgelegd. Voorts is in geschil of de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag alsmede de verzuimboete. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4
4. Beoordeling van het geschil

Vooraf: niet horen

4.1.

Vooraf merkt de rechtbank op dat belanghebbende in haar pleitnota heeft verklaard dat het niet horen door de inspecteur in de bezwaarfase geen zelfstandige grief is en dat zij wil dat de rechtbank beslist op het beroep.

Naheffingsaanslag; welk tijdvak?

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het heffingsmoment beslissend is het tijdstip dat [B] de woning in gebruik heeft genomen omdat de integratielevering op dat moment plaatsvond. De rechtbank acht dit standpunt van partijen juist. Tussen partijen is dan ook enkel in geschil op welk tijdstip [B] de woning in gebruik heeft genomen. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de integratielevering in 2006 heeft plaatsgevonden. Hij heeft er daartoe op gewezen dat de voormalige adviseur van belanghebbende zou hebben verklaard dat de bedrijfswoning ultimo 2005 gereed is gekomen, hetgeen zou impliceren dat de ingebruikname door [B] eerst in 2006 heeft plaatsgevonden. Voorts heeft belanghebbende in haar eigen aangiften loonheffing pas vanaf januari 2006 loon in natura aangegeven ter zake van het gebruik van de bedrijfswoning. In het licht van hetgeen belanghebbende hiertegenin heeft gebracht acht de rechtbank dit bewijs onvoldoende. Belanghebbende heeft een stuk overgelegd uit haar eigen administratie waarin een gespecificeerd overzicht is opgenomen van de aanwezige gronden en gebouwen (bijlage 7G bij het beroepschrift “Overzicht grond en gebouwen”) waarin staat dat de bedrijfswoning op 1 oktober 2010 in gebruik is genomen. Verder heeft belanghebbende gewezen op de in 2.3. vermelde brief van [B] die in lijn ligt met de in de administratie van belanghebbende genoemde datum. Weliswaar heeft [B] verklaard dat hij de woning eind oktober 2005 is gaan bewonen (en dus niet op 1 oktober), maar gelet op de geringe afwijking van een maand acht de rechtbank dit verklaarbaar. Het is immers aannemelijk dat de woning in oktober 2005 door [B] verder gebruiksklaar (behangen, schilderen, vloer leggen, inrichten, etc.) is gemaakt. De rechtbank leidt verder uit het controlerapport af dat belanghebbende tot en met september 2005 voorbelasting heeft teruggevraagd ter zake van de bouw van de bedrijfswoning. De rechtbank acht aannemelijk dat uiterlijk eind september 2005 de bouw van de bedrijfswoning gereed is gekomen.

4.4.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.2 heeft overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfswoning pas in 2006 in gebruik is genomen. Aannemelijk is dat dat is gebeurd in 2005. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag over het verkeerde tijdvak is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank berust de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van heffing niet op een duidelijke voor belanghebbende kenbare vergissing. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 1991, nr. 26 960, BNB 1991/209, moet dan de naheffingsaanslag worden vernietigd. Hetzelfde heeft te gelden voor de verzuimboete en heffingsrente die samenhangen met de naheffingsaanslag. Het beroep is gegrond.

5 Proceskosten

5.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Als uitgangspunt voor de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geldt dat de hoogte van de vergoeding wordt berekend met inachtneming van de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Artikel 2, derde lid, van het Besluit, biedt evenwel de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire normen. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire normen bestaat grond, indien de inspecteur het verwijt treft dat hij een beschikking heeft gegeven, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007/260) of indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, BNB 2011/103).

5.2.

Weliswaar heeft de inspecteur in de bezwaarfase niet correct gehandeld door het niet verstrekken van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, hetgeen de inspecteur ook ter zitting zelf heeft erkend. Dit betekent echter nog niet dat de inspecteur in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank laat hierin meewegen dat tijdens de discussie die was ontstaan tussen partijen met betrekking tot het verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken, de inspecteur door belanghebbende in gebreke was gesteld vanwege het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft toen, zoals hij ter zitting heeft verklaard, ervoor gekozen om zo snel mogelijk uitspraak te doen.

5.3.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd. Naar het oordeel van de rechtbank stond vooraf niet vast dat het standpunt van de inspecteur onhoudbaar was. De rechtbank wijst er in dat verband op dat er wel degelijk aanwijzingen waren voor de stelling van de inspecteur dat [B] de bedrijfswoning in 2006 in gebruik heeft genomen. Dat deze aanwijzingen door de rechtbank van onvoldoende gewicht zijn bevonden, maakt niet dat het standpunt van de inspecteur onhoudbaar was. Van bijzondere omstandigheden is dan ook geen sprake. De rechtbank zal een proceskostenvergoeding toekennen op grond van de forfaitaire normen van het Besluit.

5.4.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank dan vast op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag, alsmede de boete- en heffingsrentebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.224;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 maart 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr.drs. M.M. De Werd en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.