Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1308

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
AWB 14_3971
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijke regeling WVS-groep.

Uitleg artikel 56, derde lid, WIA. Uit de systematiek van de WIA volgt dat voor de beoordeling van artikel 56, derde lid, WIA uitgegaan dient te worden van passende arbeid. Een schatting op feitelijk verrichte arbeid kan eerst plaatsvinden indien vaststaat dat deze arbeid passend is Dat werkneemster de arbeid al ruim een jaar zonder noemenswaardig verzuim verricht en eiseres zelf vindt dat sprake is van passende arbeid, levert onvoldoende aanknopingspunten op om van de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige dat geen sprake is van passende arbeid af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3971 WIA

uitspraak van 27 februari 2015 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A.L.M. van Rookhuizen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam werkneemster] , te [woonplaats2] (werkneemster),

gemachtigde: mr. C. van der Steen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 mei 2014 (bestreden besluit) van het UWV inzake de toekenning van een loonaanvullingsuitkering (LAU) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan werkneemster.

Werkneemster heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van medische gegevens door eiseres. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in haar beslissing van 14 november 2014 bepaald dat kennisneming van de in die beslissing genoemde stukken is voorbehouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 januari 2015. Eiseres en derde partij zijn, met voorafgaand bericht niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Werkneemster is werkzaam geweest als P&O adviseur gedurende 36 uur per week. Voor dat werk is zij op 23 april 2010 uitgevallen vanwege psychische klachten. Werkneemster is bij eiseres gere-integreerd in destijds passende arbeid gedurende 24 uur per week. Deze arbeid is vervolgens uitgebreid naar 27 uur per week.

Bij besluit van 22 februari 2012 heeft het UWV aan werkneemster een loongerelateerde WGA uitkering (LGU) op grond van de WIA toegekend met ingang van 20 april 2012 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

Bij besluit van 25 november 2013 (primair besluit I) heeft het UWV aan werkneemster een loonaanvullingsuitkering (LAU) toegekend met ingang van 20 februari 2014.

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2014 (primair besluit II) heeft het UWV, onder intrekking van het primaire besluit I, aan werkneemster met ingang van 12 juni 2014 een loonaanvullingsuitkering (LAU) toegekend.

Het UWV heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar tegen het primaire besluit I gericht geacht tegen het primaire besluit II.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Namens eiseres wordt, kort samengevat, aangevoerd dat de uitkering van werkneemster na afloop van de LGU dient te eindigen omdat werkneemster sinds januari 2013 meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur verdient. Werkneemster werkt volgens eiseres in een passende functie nu zij al ruim een jaar werkzaam is zonder noemenswaardig verzuim en zelf ook vindt dat de functie passend is. Bovendien is voor het bepaalde in artikel 56, derde lid, van de WIA niet van belang of de functie naar de mening van het UWV passend is. Er behoeft op grond van artikel 56, derde lid, van de WIA enkel op basis van de feitelijke verdiensten te worden vastgesteld of werkneemster meer dan 65% van het maatmaninkomen verdient. De uitlooptermijn van één jaar is in januari 2013 met de aanvang van de werkzaamheden gestart, aldus eiseres.

3. In artikel 5, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

In artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de beoordeling of iemand volledig arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

In het derde lid staat vermeld dat onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Artikel 56 van de WIA luidt als volgt:

1. Het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat:

a. de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of

b. er op hem een uitsluitingsgrond (…) van toepassing is;

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dat de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.

3. In afwijking van het tweede lid, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

17 februari 2014, waarin de beperkingen en de belastbaarheid van werkneemster zijn neergelegd, niet wordt bestreden.

4.2.

In geschil is de uitleg en toepassing van artikel 56, derde lid, van de WIA.

Eiseres stelt dat het UWV de WIA-uitkering van werkneemster per 12 juni 2014 had moeten beëindigen. Eiseres stelt dat het UWV geen theoretische maar een praktische schatting had moeten uitvoeren, te weten een schatting op basis van de door werkneemster sinds januari 2013 feitelijk verrichte arbeid. Eiseres wijst daarbij op het bepaalde in artikel 56, derde lid, van de WIA op grond waarvan volgens haar voor een dergelijke schatting niet vereist is dat de feitelijk verrichte arbeid passend is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres gewezen op de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2012, ECLI:NL:

RBHAA:2012:BY5373.

Het UWV stelt zich daarentegen op het standpunt dat een schatting op feitelijk verrichte arbeid eerst kan plaatsvinden indien vaststaat dat deze arbeid passend is. Ter zitting heeft de gemachtigde van het UWV dit standpunt als volgt nader toegelicht.

“In artikel 56, derde lid, van de WIA wordt verwezen naar het begrip “gedeeltelijk arbeidsgeschikt”. De definitie van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid is neergelegd in artikel 5 van de WIA. Op grond van artikel 6 van de WIA moet ter vaststelling of sprake is van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid eerst een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvinden. In artikel 6, derde lid, van de WIA is bepaald dat onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Blijkens de toelichting op dit artikel is daaraan onder andere voldaan indien de belanghebbende de arbeid lichamelijk en geestelijk aankan”.

De rechtbank kan zich in deze toelichting van het UWV vinden. Of werkneemster niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, moet worden vastgesteld op grond van een medisch en arbeidskundig onderzoek.

4.3.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat werkneemster niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk. Hij heeft voorts geconcludeerd dat de belasting van de werkzaamheden die werkneemster in 27 uur per week bij eiseres verricht, haar belastbaarheid overschrijden omdat tot haar taak onder meer behoort het voeren van vertrouwde, indringende en vervelende gesprekken over bijvoorbeeld het functioneren van medewerkers en ontslagsituaties. De belastbaarheid van werkneemster wordt daarmee overschreden op de aspecten hanteren van emotionele problemen van anderen en conflicthantering. De bezwaararbeidsdeskundige heeft werkneemster wel geschikt geacht voor de functies van archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (Sbc-code[code1]), schadecorrespondent (Sbc-code [code2]) en productiemedewerker machinaal inpakken (Sbc-code [code3]).

De rechtbank ziet in hetgeen eiseres stelt, namelijk dat werkneemster de arbeid al ruim een jaar zonder noemenswaardig verzuim verricht en zelf vindt dat sprake is van passende arbeid, onvoldoende aanknopingspunten om van de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige af te wijken. Nu de opgestelde FML niet wordt bestreden, kan het medisch advies van de bedrijfsarts van eiseres evenmin aan die conclusie afdoen. De rechtbank is met het UWV van oordeel dat het beroep van eiseres op de voornoemde uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2012 niet slaagt omdat in die procedure niet in geschil was dat de verrichte arbeid passend was. Ten slotte onderschrijft de rechtbank het standpunt van het UWV dat bij de beoordeling terecht is uitgegaan van werkzaamheden gedurende 27 uur per week, nu werkneemster feitelijk (als gevolg van ouderschapsverlof) niet 36 uur maar 27 uur per week werkt.

5. Het UWV heeft op grond van het bovenstaande terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van een zogenoemde theoretische schatting vastgesteld op 46,83% en werkneemster per 12 juni 2014 in aanmerking gebracht voor een LAU.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.B. Both-Attema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

27 februari 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.