Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1228

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
AWB 14_3549 & AWB 14_3550 & AWB 14_3551 & AWB 14_3552 & AWB 14_3497 & AWB 14_3499 & AWB 14_3501 & AWB 14_3502
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:2659, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een onderzoeksgebrek. De begrippen expertise en deskundigheid zijn onderling uitwisselbaar. Eisers dragen met hun werkzaamheden bij aan het totale opsporingsonderzoek en het eindproces-verbaal. Geen sprake van wezenlijk afwijkende werkzaamheden. Met de vastgestelde functiebeschrijving wordt een correcte en voldoende weergave gegeven van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 14/3549 AW, BRE 14/3550 AW, BRE 14/3551 AW, BRE 14/3552 AW, BRE 14/3497 AW, BRE 14/3499 AW, BRE 14/3501 AW, BRE 14/3502 AW

uitspraak van 27 februari 2015 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser1], te [woonplaats1],

[naam eiser2], te [woonplaats1],

[naam eiser3], te [woonplaats1],

[naam eiser4], te [woonplaats2],

gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort,

[naam eiser5], te [woonplaats3],

[naam eiser6], te [woonplaats4],

[naam eiser7], te [woonplaats5],

[naam eiser8], te[woonplaats6],

gemachtigde mr. K.I. Meijering,

tezamen genoemd eisers,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 28 april 2014 (bestreden besluiten) van de korpschef inzake de vaststelling van hun uitgangspositie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 februari 2015. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. van Dorst en J.J. Seuntiëns (teamchef).

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers werkten in de van belang zijnde periode in dienst van de politieregio Midden en West Brabant in de functie van Senior Thematische Recherche. Eiser [naam eiser2] werkte bij het Team Opsporing [woonplaats1], eisers [naam eiser3] en [naam eiser1] bij het Team Opsporing [plaats7], eisers [naam eiser7] en [naam eiser6] werkten bij het Team Opsporing [plaats8], eiser [naam eiser5] bij het Team Opsporing [woonplaats1] en eisers [naam eiser4] en [naam eiser8] bij de Unit Zware Criminaliteit.

Op 21 april 2011 heeft verweerder aan eisers een ‘voorgenomen besluit uitgangspositie’ doen toekomen. Daarin is opgenomen dat zij op 31 december 2009 de functie van Senior Thematische Recherche vervulden en dat hun uitgangspositie in de periode van

1 januari 2010 tot 31 maart 2011 niet is gewijzigd zodat ook op 31 maart 2011 de uitgangspositie is vastgesteld op de functie van Senior Thematische Recherche.

Eisers hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om functieonderhoud aan te vragen. Zij vinden dat de feitelijke werkzaamheden die zij verrichtten meer overeenkomen met die uit de functieomschrijving van Expert A.

Bij brieven van 15 september 2011 heeft de korpsbeheerder aan eisers meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag om functieonderhoud af te wijzen. Eisers hebben schriftelijk hun zienswijze gegeven op dit voornemen.

Bij besluiten van 23 oktober 2011 (primaire besluiten) heeft de korpsbeheerder de verzoeken om functieonderhoud afgewezen.

De bezwaarschriften die eisers tegen de primaire besluiten hebben ingediend zijn bij besluiten van 1 mei 2012 ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 1 mei 2012. Bij uitspraken van 16 april 2013 heeft deze rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard. Daarbij heeft deze rechtbank overwogen dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat hun werkzaamheden wezenlijk afwijken van de functie Senior Thematische Recherche.

Ter uitvoering van de uitspraak heeft de korpschef een concept functiebeschrijving voor Digitaal Rechercheur opgemaakt. Voorts heeft op 15 januari 2014 een bijeenkomst in het kader van verdiepingsvragen op de concept functiebeschrijving voor Digitaal Rechercheur plaatsgevonden waar onder meer eisers[naam eiser4], [naam eiser5] en [naam eiser7] aanwezig waren. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is een nieuwe functiebeschrijving gemaakt van de Digitaal Rechercheur.

Met de bestreden besluiten heeft de korpschef de bezwaren van eisers gegrond verklaard. Vastgesteld is dat sprake is van wezenlijk afwijkende werkzaamheden. Dit heeft geleid tot een nieuwe functiebeschrijving Digitaal Rechercheur, die op eisers van toepassing is verklaard. De nieuwe uitgangspositie van eisers is voorts vastgesteld op Digitaal Rechercheur. Daarbij is meegedeeld dat deze functie nog gewaardeerd moet worden.

2. Eisers [naam eiser5], [naam eiser6], [naam eiser7] en [naam eiser8] hebben, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat met de aangepaste functiebeschrijving geen recht wordt gedaan aan hun werkzaamheden. Eisers hebben geen uitvoerende taak in opsporingsonderzoeken. Eisers zijn niet betrokken bij het proces-verbaal. Zij hebben er geen enkele invloed op of hun bevindingen worden opgenomen in het zaakdossier of niet. De verbetervoorstellen die eisers doen, staan niet in relatie tot de uitvoering door tactische rechercheurs.

Eisers [naam eiser1], [naam eiser2], [naam eiser3] en [naam eiser4] hebben, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hun expertise en ondersteunende rol onvoldoende naar voren komt in de vastgestelde functiebeschrijving. Aanvullend hebben eisers gesteld dat zij inmiddels een voorgenomen waardering van de functie hebben gekregen die is gestoeld op de referentiefuncties uit de recherchereeks. De rechtbank had geoordeeld dat recherchetaken niet door eisers worden uitgevoerd. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben eisers een functiewaarderingsadvies en een informatieve brief over de reorganisatie overgelegd. Eisers [naam eiser5], [naam eiser6], [naam eiser7] en [naam eiser8] hebben zich aangesloten bij deze aanvullende gronden.

3. In artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) is bepaald dat de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag kan indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag. Met de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp) is hieraan uitvoering gegeven.

In artikel 2, tweede lid, van de Trfp is bepaald dat in de aanvraag tot functieonderhoud bedoeld in artikel 6, negende lid, van het Bbp, de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de referteperiode feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving.

In artikel 5, eerste lid, van de Trfp is bepaald dat indien een aanvraag tot functieonderhoud wordt toegekend, het bevoegd gezag zorg draagt voor een aangepaste of nieuwe functiebeschrijving.

4. In geschil is of de functiebeschrijving van digitaal rechercheur een correcte en voldoende weergave vormt van de desbetreffende werkzaamheden van eisers.

Bij de beoordeling van het geschil moet rekening worden gehouden met het gegeven dat het hier om een functiebeschrijving van een organieke functie gaat. Een organieke functiebeschrijving houdt in dat niet alle werkzaamheden uitputtend dienen te worden beschreven en dat niet elke deeltaak in de functiebeschrijving opgenomen hoeft te worden. De kern van de taken die een medewerker verricht moet wel terug te vinden zijn in de functiebeschrijving.

Verder is niet doorslaggevend of bepaalde werkzaamheden (tevens) kunnen worden gerangschikt onder een andere organieke functie maar of zij wezenlijk afwijken van de eigen beschreven functie. Het is goed mogelijk dat functies elkaar in zeker mate overlappen, waarbij het tevens kan voorkomen dat bepaalde werkzaamheden op gelijke wijze voorkomen in de beschrijving van meer dan één organieke functie, ook al verschillen deze functies in zwaarte (zo ook Centrale Raad van Beroep (CRvB), 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:1940).

5. Ter zitting hebben eisers [naam eiser4], [naam eiser1] en [naam eiser5] gesteld dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest indien er na de bespreking van 15 januari 2014 nogmaals een bespreking had plaatsgevonden met eisers om de door de korpschef aangepaste functiebeschrijving te bespreken. De thans in beroep aangevoerde punten hadden dan nog kunnen worden besproken, hetgeen ten goede was gekomen aan het wederzijdse begrip binnen de arbeidsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter geen sprake van een dusdanig onderzoeksgebrek dat het bestreden besluit om die reden geen stand kan houden. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

6. De overige beroepsgronden van eisers zijn inhoudelijk van aard en zien op drie aspecten van de opgestelde functiebeschrijving; het ontbreken van de term expertise en de verwijzingen naar de uitvoering en het proces-verbaal.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat in de functiebeschrijving daar waar de korpschef ‘deskundigheid’ heeft opgenomen, eisers de term ‘expertise’ vermeld willen zien. Ter zitting is namens de korpschef gesteld dat onder deskundigheid en expertise hetzelfde wordt verstaan en dat eisers als deskundigen op hun gebied worden gezien. Ook Meijering heeft ter zitting gesteld dat er geen verschil is tussen beide begrippen, maar dat het wel opvallend is dat de korpschef het woord expert steeds vervangen heeft door deskundige.

De rechtbank is van oordeel dat de begrippen ‘expertise’ en ‘deskundigheid’ in de onderhavige functiebeschrijving onderling uitwisselbaar zijn en dezelfde betekenis hebben. Hoewel het de rechtbank ontgaat waarom de korpschef, gelet op het belang dat eisers daaraan hechten, heeft gekozen voor de term deskundigheid, maakt dit enkele feit niet dat de functiebeschrijving geen juiste weergave van de werkzaamheden geeft.

6.2

De rechtbank stelt verder vast dat met de verwijzingen in de functiebeschrijving naar de uitvoering en het proces-verbaal bedoeld wordt het totale opsporingsonderzoek en het eindproces-verbaal dat wordt opgesteld.

Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat eisers zelf geen volledig opsporingsonderzoek leiden, maar dat zij binnen het opsporingsonderzoek, desgevraagd, een klein deel van het onderzoek voor hun rekening nemen. Na afronding van hun werkzaamheden maken zij een proces-verbaal van hun bevindingen op, welk proces-verbaal onderdeel wordt of kan worden van het gehele opsporingsonderzoek en het eindproces-verbaal. Na het verrichten van deze deeltaak maken eisers geen deel meer uit van het opsporingsonderzoek. Dit laat echter onverlet dat eisers met hun werkzaamheden een bijdrage leveren aan het totale opsporingsonderzoek en het eindproces-verbaal. Doel van het deelonderzoek dat eisers verrichten, is immers om tot een goede uitvoering van het politiewerk te komen en daarmee ook tot een goed proces-verbaal.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de korpschef terecht geen aanleiding heeft gevonden de functiebeschrijving van Digitaal Rechercheur nader aan te passen nu geen sprake is van wezenlijke afwijkingen.

6.3

Dat de functie op basis van de functiebeschrijving anders wordt gewaardeerd dan door eisers gewenst, is een aspect dat hier niet aan de orde kan komen. Eisers zullen, als zij het niet eens zijn met de functiewaardering, daartegen rechtsmiddelen moeten instellen.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen de beroepen ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen, en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.