Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1219

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Heeft een ambtenaar van de Belastingdienst telefonisch bepaalde informatie over rest-bpm verstrekt? Verklaringen van belanghebbende zijn geschikt als bewijsmiddel, aangezien er gelet op de consistentie en gedetailleerdheid geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan. De verklaringen hebben evenwel onvoldoende bewijskracht, in aanmerking genomen de andersluidende verklaringen van de ambtenaar. Nadeel van de bewijslast manifesteert zich.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/678
V-N 2015/21.18.1
FutD 2015-0822
NTFR 2015/1432 met annotatie van mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/1325

uitspraak van 26 februari 2015

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 20 januari 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beslissing op het verzoek om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 28 maart 2013 telefonisch contact gezocht en gekregen met [A] van de Belastingdienst (hierna: [A]). Belanghebbende heeft tijdens dit telefoongesprek vragen gesteld met - kort gezegd - de strekking of er nog zogenoemde rest-bpm aanwezig was op een auto die belanghebbende overwoog te kopen (hierna: de auto) met het doel deze als taxi te gaan gebruiken. [A] heeft belanghebbende op diezelfde dag teruggebeld (hierna: het tweede telefoongesprek).

2.2.

Belanghebbende heeft na het tweede telefoongesprek de auto gekocht.

2.3.

Enige tijd na 28 maart 2013 heeft belanghebbende telefonisch contact gehad met [B] van de Belastingdienst, nadat belanghebbende had ontdekt dat de auto eerder als taxi was gebruikt. Na dit gesprek heeft [A] belanghebbende gebeld (hierna: het derde telefoongesprek).

2.4.

Belanghebbende heeft door middel van indiening van het formulier ‘Verzoek bpm regeling taxi- en openbaar vervoer’, met dagtekening 9 april 2014, een verzoek om teruggaaf van een bedrag van € 3.275 aan bpm ingediend (hierna: het verzoek) op de grond dat de auto voor taxivervoer wordt gebruikt.

2.5.

Bij brief met dagtekening 23 mei 2013 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen (hierna: de beschikking) met de volgende motivering: “Ik laat u weten dat op dit moment geen BPM op de auto drukt, omdat deze in het kader van de teruggaafregeling BPM taxi reeds is teruggegeven.

2.6.

Bij brief met dagtekening 7 juni 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Het bezwaarschrift vermeldt onder meer het volgende: “Daarna heb direct contact opgenomen met [A] van Belastingdienst Tilburg om te laten controleren. [A] vertelde me dat deze auto geen taxi is geweest en BPM te vorderen is. Ik heb hem nadrukkelijk gevraagd of die auto taxi, militair, diplomaat, etc, auto is geweest, want voor deze doeleinden heb je ook recht op BPM terugvordering. Hij heeft nogmaals bekeken in het systeem en toen vertelde me dat ik deze auto kon kopen, er zit nog rond € 3000 BPM op. Toen heb ik deze auto gekocht puur omdat er nog BPM op zat, anders was deze auto niet rendabel geweest.”

2.7.

De uitspraak op bezwaar vermeldt onder meer het volgende: “Desgevraagd verklaart [A] dat hij geen concrete inlichtingen heeft verstrekt. Hij heeft in het gesprek verteld dat hij in de systemen kon zien dat er BPM was teruggegeven. Dit duidelijk onder voorbehoud en als algemene inlichting. Hij heeft tevens aangegeven dat, als u het exact wilt weten, u schriftelijk om informatie kunt vragen, dit om misverstanden te voorkomen. Hij vertelde u dat, als u de auto aan wilt schaffen, dat op eigen risico is.”

Geschil

2.8.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van bpm op de grond dat [A] belanghebbende in het tweede telefoongesprek heeft verteld dat ter zake van de auto eerder geen bpm-teruggaaf had plaatsgevonden.

Voor het geval belanghebbende recht heeft op teruggaaf van bpm, is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van € 3.275.

Zienswijze van partijen op de inhoud van het tweede telefoongesprek

2.9.

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift en ter zitting in de kern dezelfde zienswijze gegeven over de inhoud van het tweede telefoongesprek als wat hij in zijn bezwaarschrift heeft vermeld zoals hierboven in 2.6 weergegeven. Wel heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat, anders dan het bezwaarschrift vermeldt, [A] geen concrete bedragen heeft genoemd, maar alleen dat er geen fiscale afschrijving op de bpm had plaatsgevonden.

2.10.

Het verweerschrift vermeldt onder meer het volgende als zienswijze van [A] op de inhoud van het tweede telefoongesprek: “(…) hij heeft geantwoord dat hij hierover geen telefonische informatie verstrekt. Dat belanghebbende zijn verzoek herhaalde waarop de inspecteur de auto opzocht in het HSB-systeem en zag dat er een “A” achter het kenteken stond. Dat hij dit vervolgens tegen belanghebbende gezegd heeft en heeft uitgelegd dat dit betekende dat de BPM geheel of gedeeltelijk was afgeschreven. Dat hij hieraan heeft toegevoegd dat deze informatie onder voorbehoud en als algemene inlichting werd verstrekt.”

Tijdens de zitting heeft [A] in de kern dezelfde zienswijze gegeven over de inhoud van het tweede telefoongesprek als wat in de uitspraak op bezwaar (zie. 2.8) en in het verweerschrift is vermeld. Verder heeft [A] ter zitting verklaard dat in het HSB-systeem wel kan worden gezien of op bpm van een auto is afgeschreven, maar dat via dit systeem de bpm-bedragen niet zichtbaar zijn. Die bedragen zijn te zien via een ander systeem, waartoe [A] evenwel geen toegang heeft, aldus [A].

Juridisch kader

2.11.

Het standpunt van belanghebbende dat hij recht heeft op teruggaaf van bpm gelet op de verklaringen van [A] tijdens het tweede telefoongesprek, houdt in juridische termen een beroep op het vertrouwensbeginsel in. Aangezien belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, rust op hem de stelplicht – en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de inspecteur – de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat bij belanghebbende in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt door [A]. De bewijslast houdt hier in dat belanghebbende de door hem gestelde inhoud van het tweede telefoongesprek aannemelijk dient te maken.

Beoordeling

2.12.

Belanghebbende heeft zijn standpunt dat vertrouwen is gewekt voldoende onderbouwd met zijn stellingen over de inhoud van het tweede telefoongesprek. Daartegenover heeft de inspecteur die stellingen voldoende gemotiveerd betwist met de verklaringen van [A]. Dit betekent dat belanghebbende de door hem gestelde inhoud van het telefoongesprek aannemelijk dient te maken.

2.13.

Het enige bewijsmiddel dat belanghebbende heeft ingebracht, betreft zijn eigen (schriftelijke en mondelinge) verklaringen. Weliswaar heeft belanghebbende in zijn beroepschrift aangevoerd dat hij zijn verhaal kan onderbouwen door twee collega’s die aanwezig waren in de auto tijdens het telefoongesprek met [A], maar belanghebbende heeft deze collega’s niet meegenomen naar de zitting om deze te doen horen als getuigen.

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van belanghebbende geschikt zijn als bewijsmiddel. De rechtbank ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen indien deze op zichzelf (dat wil zeggen los van de verklaringen van [A]) worden bezien. De verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en onderling consistent. De verklaringen zijn ook consistent met de gedragingen van belanghebbende, in het bijzonder dat hij na het tweede telefoongesprek de auto gekocht heeft.

2.15.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat alleen de verklaringen van belanghebbende onvoldoende bewijskracht hebben om te kunnen oordelen dat aannemelijk is gemaakt dat [A], zonder voorbehoud te hebben gemaakt, hem heeft geïnformeerd dat er nog rest-bpm aanwezig was op de auto.

Bij dit bewijsoordeel is van belang dat tegenover de verklaringen van belanghebbende de verklaringen van [A] staan, en dat er evenmin reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [A]. Ook deze verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en consistent.

Het gaat hier dus in de kern om de ene verklaring tegenover de andere, terwijl er onvoldoende aanknopingspunten zijn die maken dat de ene verklaring evident meer aannemelijk is dan de andere. Hier manifesteert zich het nadeel voor belanghebbende dat hij de bewijslast heeft.

2.16.

De stellingen en verklaringen van belanghebbende over de inhoud van het derde telefoongesprek kunnen niet tot een andere bewijsoordeel leiden, aangezien de inspecteur deze stellingen gemotiveerd heeft betwist. Het geschil over de inhoud van het derde telefoongesprek komt in de kern overeen met het geschil over de inhoud van het tweede telefoongesprek. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.17.

Conclusie is dat aangezien belanghebbende de door hem gestelde inhoud van het tweede telefoongesprek niet aannemelijk heeft gemaakt, het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds daarom faalt. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van bpm.

2.18.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.19.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2015 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.