Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:1

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1315
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2044, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen (afwaardering) regresvordering.

Belanghebbende heeft tegen volledige en finale kwijting een bedrag betaalt aan de curator ter aanwending voor de voldoening van crediteuren in de faillissementen van de vennootschappen waar belanghebbende (in)direct bestuurder van was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende het bedrag voldaan om zodoende niet persoonlijk aansprakelijk gesteld te worden voor de schulden van de gefailleerde vennootschappen. Dit maakt dat sprake is van privé-kosten, die niet voor aftrek in aanmerking komen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/192
V-N 2015/16.3.2
FutD 2015-0264
NTFR 2015/1537 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 14/1315

Uitspraak van 5 januari 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.680.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2014 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen op 3 maart 2014 een digitaal beroepschrift bij de rechtbank ingediend. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Oss, en namens de inspecteur, [verweerder]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat tegelijk met deze uitspraak in afschrift naar partijen is verzonden.

1.5.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd. Bij brief van 1 december 2014 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de mondelinge uitspraak wordt omgezet in een schriftelijke uitspraak.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende was bestuurder en enig aandeelhouder van [de holding] (hierna: de holding). De holding was bestuurder van [A BV] (hierna: [A BV]) en [B BV] (hierna: [B BV]).

2.2.

Op [datum] 2004 zijn [A BV], [B BV] en de holding door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch in staat van faillissement gesteld.

2.3.

Op 6 oktober 2009 is tussen de curator en belanghebbende een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij is overeengekomen dat belanghebbende tegen volledige en finale kwijting een bedrag van € 23.500 betaalt aan de curator ter aanwending voor de crediteuren in de faillissementen van onder andere voornoemde vennootschappen.

2.4.

Belanghebbende heeft over het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.180 en heeft daarbij € 23.500 aangemerkt als zijnde negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen.

2.5.

De inspecteur heeft het bedrag van € 23.500 niet als aftrekpost geaccepteerd en heeft met dagtekening 26 september 2012 de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 75.680.

2.6.

Het hiertegen gerichte bezwaar is in de uitspraak op bezwaar van 21 januari 2014 ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende het bedrag van € 23.500 als negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in aftrek kan brengen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.180. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat het bedrag van € 23.500 in aftrek gebracht kan worden als negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen, nu dit bedrag ziet op een afgewaardeerde regresvordering die belanghebbende op de holding had.

4.2.

In de vaststellingsovereenkomst die tussen belanghebbende en de curator is gesloten staat onder meer het volgende vermeld:

“c. De Curator meent op grond van onrechtmatig handelen en onbehoorlijke vervulling van taak een vordering op [belanghebbende] te hebben terzake van privé-gebruik van een zakelijke creditcard, hetgeen door [belanghebbende] gemotiveerd is betwist. Vervolgens heeft de Curator in concept een dagvaarding doen opstellen ter substantiëring van zijn vordering.

(…)

1. Ter aanwending voor de crediteuren in de faillissementen van [A BV], [B BV], [C] en [de holding], betaalt [belanghebbende] aan de Curator een bedrag van EUR € 23.500 (zegge: drieëntwintigduizend vijfhonderd euro). Dit bedrag is reeds door [belanghebbende] gestort op de derdengeldenrekening van zijn raadsman, [raadsman] te Amsterdam, en zal binnen vijf werkdagen vanuit die rekening worden voldaan zodra deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend.

2. Na juiste uitvoering van het bovenstaande verklaren partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde (i) van het geschil als omschreven in sub c van de considerans van deze overeenkomst en (ii) van enige aansprakelijkheid op welke grond dan ook uit hoofde van de faillissementen van [A BV], [B BV], [C] en [de holding], en verlenen zij elkaar over en weer volledige en finale kwijting.”.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat belanghebbende een bedrag van € 23.500 heeft voldaan om zodoende niet persoonlijk aansprakelijk gesteld te worden voor de schulden van de holding. Dit maakt dat de betaling van € 23.500, anders dan belanghebbende meent, privé-kosten zijn, welke niet voor aftrek in aanmerking komen. De grief van belanghebbende faalt derhalve.

4.4.

Belanghebbende heeft vervolgens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.

Belanghebbende heeft hiertoe allereerst gesteld dat het aan de curator betaalde bedrag verband houdt met kosten die door de vennootschap(pen) in aftrek zijn gebracht, hetgeen door de inspecteur zou zijn geaccepteerd. Daarbij heeft belanghebbende nog aangevoerd dat de curator de Belastingdienst om instemming heeft gevraagd alvorens hij de vaststellingsovereenkomst met belanghebbende is aangegaan. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat de zakelijkheid van de ten laste van de vennootschapsbelasting gebrachte kosten niet is onderzocht, dat een correctie in de vennootschapsbelasting bovendien geen nut zou hebben in verband met het faillissement van de vennootschap(pen) en dat het contact met de curator zag op de invordering. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden bij hem niet de indruk kunnen wekken van een standpuntbepaling van de inspecteur met betrekking tot de aftrekbaarheid van het door belanghebbende aan de curator betaalde bedrag.

4.5.

Belanghebbende heeft in het kader van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel voorts gesteld dat de inspecteur met betrekking tot de aanslag IB/PVV over het jaar 2007 een door belanghebbende in verband met een eerder faillissement betaald schikkingsbedrag in de bezwaarfase wel in aftrek had toegelaten. Belanghebbende heeft hiertoe de uitspraak op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2007 overgelegd. In die uitspraak op het bezwaar is vermeld:

“U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, nummer [aanslagnummer].H.76.

De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd met € 18.277.”.

Ter zitting heeft de inspecteur betwist dat belanghebbende aan de gang van zaken voor wat betreft 2007 het vertrouwen kon ontlenen dat ook in 2009 aftrek zou worden verleend.

4.6.

Nu, naar het oordeel van de rechtbank, uit de bewoordingen van bovenstaande uitspraak op bezwaar niet valt op te maken dat de inspecteur met betrekking tot de aftrekbaarheid van schikkingsbedragen een uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen kan belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, uit vorenstaande tekst van de uitspraak op bezwaar niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben ontleend dat de inspecteur ook in het onderhavige jaar het schikkingsbedrag in aftrek zou toestaan. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden geen andere gronden aangevoerd; sterker nog belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de kosten waarvoor hij in 2007 heeft geschikt, andere kosten betroffen dan die waarvoor hij in de onderhavige situatie heeft geschikt, hetgeen een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel eerder bemoeilijkt dan ondersteunt. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

4.7.

Belanghebbende heeft de inspecteur tevens verzocht om het verlies dat hij heeft geleden op zijn aandelen in de holding, in het onderhavige jaar als verlies uit aanmerkelijk belang aan te merken.

4.8.

Belanghebbende heeft geen gegevens overgelegd die zijn verzoek onderbouwen. Daarbij heeft de inspecteur ter zitting onweersproken gesteld dat de holding in 2010 is ontbonden. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden. Ook deze grief van belanghebbende faalt derhalve.

4.9.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 januari 2015 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. D. Hund en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.