Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:987

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
02/812607-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Verdachte doodt haar zoontje.

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij niet strafbaar is wegens ontoerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van het feit.

Aan haar wordt TBS met voorwaarden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 812607/13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

gedetineerd in het PPC te Amsterdam

raadsvrouw mr. Snoeren, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

zij op of omstreeks 21 april 2013 te Roosendaal, gemeente Roosendaal en

Nispen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg,

- met een mes de keel van die [slachtoffer] doorgesneden, althans een of meer

messteken ter hoogte van de hals/keel van die [slachtoffer] toegebracht, en/of

- met een mes in de polsen van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken en/of

- een kussen op het (achter)hoofd van die [slachtoffer] gedrukt althans het

hoofd van die [slachtoffer] op een kussen heeft gedrukt/geduwd

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar zoontje [slachtoffer] heeft vermoord en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, het 112-gesprek dat verdachte voerde met de hulpdiensten en het sectierapport, met name de bevindingen onder 6 op pagina 47 van dat rapport.

De officier van justitie is van mening dat verdachte niet in een gemoedsopwelling heeft gehandeld, maar voorafgaande aan het daadwerkelijke feit een aaneenschakeling van handelingen heeft verricht en daarmee wilsbesluiten heeft genomen, waardoor er, hoe kort deze momenten ook waren, sprake is van voorbedachten rade. Verdachte heeft, aldus de officier van justitie, de tijd gehad om zich te beraden, zodat ze gelegenheid had om over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De officier van justitie is voorts van mening dat de door de deskundigen vastgestelde stoornis van verdachte die voorbedachten rade en het opzet niet in de weg staat. Door de aaneenschakeling van (bewuste) handelingen die verdachte verricht heeft kan er immers geen sprake zijn van een geval waarin verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Sterker nog, verdachte beschouwde het ombrengen van haar zoon als de enige en beste oplossing voor de situatie waarin zij dacht te verkeren. Uit de handelingen van verdachte, waaronder onder meer het zelf verwittigen van de politie, kan worden afgeleid, aldus de officier van justitie, dat zij inzicht had in de ernst van de situatie en het verboden karakter daarvan, zodat sprake is van opzet.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de moord dan wel de doodslag kan komen en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde moord

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte meerdere malen heeft aangegeven dat zij, voordat het feit plaats vond, nimmer over doding van haar zoontje heeft nagedacht en dat ook nergens uit is gebleken dat dat wel zo was.

Toen verdachte die bewuste nacht wakker was geworden verkeerde zij, aldus de verdediging, in extreme psychische nood en radeloosheid. Verdachte heeft het aardappelschilmesje gepakt. Het ging allemaal heel snel. Daarna heeft ze meteen zichzelf van het leven proberen te beroven en heeft ze haar bewustzijn verloren. Er kan dus, aldus de verdediging, gesteld worden dat er, naast de psychische toestand c.q. hevige gemoedsbeweging die het denken al onmogelijk maakte, voor verdachte geen mogelijkheid is geweest in het korte tijdsbestek om bij zinnen te komen en tot het besef te komen waar zij mee bezig was en om op dat moment ook voor zichzelf te bezien of ze haar handelingen kon staken. Dit wordt bevestigd door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum waar zij zeggen dat verdachte op dat moment geen gezonde afwegingen meer kon maken en volledig onder invloed van achtervolgingswanen stond. De manier waarop het is gebeurd duidt, aldus de verdediging, op het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, hetgeen geen voorbedachten rade oplevert.

Met betrekking tot de tenlastegelegde doodslag

Verdachte heeft aangegeven dat zij het nooit heeft gewild dat haar zoontje dood zou gaan. Uit niets is, aldus de verdediging, ook gebleken dat zij dat wel wilde. De bewuste nacht heeft verdachte gehandeld in een psychose.

Dit brengt met zich dat het haar ontbrak aan elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan, hetgeen, de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat.

Daarnaast brengt dit, aldus de verdediging, met zich mee dat verdachte nooit willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar zoontje door haar toedoen dood zou gaan, hetgeen ook het voorwaardelijk opzet uitsluit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 21 april 2013 kwam er bij de gemeenschappelijke meldkamer van de politie een telefoontje1 binnen van [verdachte], geboren op [geboortedatum] (verdachte), waarin zij er melding van maakte dat zij zich bevond in de[adres] te Roosendaal, dat zij een zelfmoordpoging had gedaan door haar keel door te snijden en dat zij ook bij haar zoontje de keel had doorgesneden. Meteen daarop zijn verbalisanten234 naar genoemd adres gegaan. Ze troffen daar in een kamer op de grond tussen beddengoed en handdoeken een vrouw en een kind aan. Van het kind, een jongetje, waren de keel en de polsen doorgesneden5. Een ambulancemedewerkster constateerde dat het kind al dood was. Op het beddengoed lag een aardappelschilmesje6. De vrouw had een telefoon in haar hand en ook haar keel was doorgesneden. Zij werd naar het ziekenhuis vervoerd. Het betrof verdachte7.

Bij de schouw8 van het jongetje werden aan beide polsen insnijdingen geconstateerd en twee insnijdingen in de hals. Volgens de lijkschouwer was het jongetje aan die verwondingen overleden door het massale bloedverlies. Bij het pathologie-onderzoek9 werden deze verwondingen eveneens geconstateerd. De patholoog heeft op grond van het onderzoek geconcludeerd dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig klievend geweld (snijden en deels perforerend geweld) op het lichaam.

De opa en oom van het slachtoffer hebben hem herkend als [slachtoffer]10. Hij was de zoon van verdachte11.

Verdachte heeft bij de politie12 het volgende verklaard:

Ik had me zoveel dingen in mijn hoofd gehaald dat ik dat veel erger vond dan gewoon dood gaan. Ik zag gewoon geen andere uitweg. Ik kan u zeggen dat we beiden onze pyjama hadden aangetrokken. [slachtoffer] heeft toen nog even TV gekeken. Toen moest hij naar bed en de tv is toen uitgegaan. Ik ben toen verder gegaan met wat woordspelletjes op een mobiel computertje. Ik ben vervolgens rond 23.00 uur gaan slapen. Op enig moment ben ik wakker geworden. Ik wilde op dat moment heel graag bij [slachtoffer] zijn. [slachtoffer] en ik zijn toen op de grond gaan liggen zodat ik dicht bij hem was. Ik was toen erg angstig en ik was bang dat [slachtoffer] dood zou gaan op een hele ernstige wijze. Bijvoorbeeld omdat andere mensen hem iets zouden aandoen en dat [slachtoffer] daardoor dood zou gaan. Ik bedacht me toen voor het eerst dat het beter zou zijn als ik [slachtoffer] zelf zou doden. Ik heb toen een fruitmesje gepakt dat in de kast lag en ik heb eerst in mijn handen gesneden om te zien of het mesje scherp was. Ik heb toen eerst de keel van [slachtoffer] doorgesneden. Ik moest dit een aantal keren doen. [slachtoffer] heeft niks gezegd, maar hij heeft zich wel een korte tijd proberen te verzetten. Ik heb geprobeerd het geluid dat hij maakte te verstillen door met een kussen op hem te leunen. Ik dacht: “Dan gaat het sneller.” Het kussen was om hem te helpen. Ik wilde niet dat hij echt onnodig zou lijden. Ik heb het kussen tegen zijn achterhoofd gedrukt. [slachtoffer] lag namelijk op zijn buik. Terwijl ik op het kussen leunde welke ik op het hoofd van [slachtoffer] drukte heb ik waarschijnlijk de polsen van [slachtoffer] doorgesneden. Ik weet niet welke polsen ik heb doorgesneden. Ik kan me dat niet meer herinneren. Nadat ik dit had gedaan heb ik meteen mijn eigen keel doorgesneden. Toen ben ik even buiten bewust zijn geweest of zo. Heel die tijd is mij onbekend. Ik was de dag ook kwijt. Toen ik weer bij mijn positieven kwam heb ik gedacht. “maar zo kan het niet” of iets dergelijks. Ik heb toen mijn mobiele telefoon gepakt en ik heb 112 gebeld. Aan de centralist heb ik vervolgens doorgegeven dat ik een poging zelfdoding had gedaan.

Ik heb toen ook door gegeven dat ik mijn zoontje wat had aangedaan. Ik heb gebeld naar 112 voor mijn zoontje. Ik dacht dat ik mijn zoontje nog kon redden.

Nadat ik 112 had gebeld kwam de ambulance heel snel. Ik hoorde toen ook mensen

zeggen “die is al stijf.” Ik dacht toen ‘oh God” hierna ben ik weggezakt. Op de IC kwam ik weer bij kennis.

Gezien vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar zoontje [slachtoffer] heeft gedood.

Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of er sprake is van moord dan wel doodslag.

4.3.1

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door haar genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Een stoornis die gedragskeuzes of de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig heeft beïnvloed dat het bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend, sluit niet uit dat er toch sprake kan zijn geweest van voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de primair tenlastegelegde voorbedachte raad en daarmee moord als volgt.

Op de zitting heeft verdachte verklaard13 dat de 20ste april voor haar een alleszins gewone dag was, waarin zij buiten heeft gespeeld met haar zoontje [slachtoffer]. Zij heeft die avond gekookt en heeft in verband met het mooie weer samen met hem buiten gegeten. Verder heeft zij op de voor haar gebruikelijke wijze de avond met [slachtoffer] doorgebracht. Rond 23.00 uur is zij ook gaan slapen. Die nacht is zij heel erg angstig wakker geworden. Zij heeft haar dekbed en kussen op de grond gelegd en haar zoontje op het dekbed gelegd. Zij heeft heel even dicht tegen hem aan gelegen. Zij heeft voorts verklaard, dat zij zeker weet dat het mes in de kast lag, dat zij haar zoontje, toen zij hem hoorde schreeuwen, een kussen tegen zijn hoofd heeft geduwd en dat zij zich verder niets meer kan herinneren totdat zij dacht: “Dit is helemaal fout, ik moet 112 bellen.”, maar dat ze zich nog wel kan herinneren wat zij bij de melding tegen de politie heeft gezegd. Verder heeft ze verklaard dat zij haar zoontje voor die melding bij de politie niet gezien heeft, omdat zij zichzelf niet op kon richten. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij, ondanks dat zij zich dat niet meer kan herinneren, moet zijn opgestaan om het mes uit de kast die ongeveer tweeëneenhalve meter van haar vandaan stond, te pakken en dat zij met dat mes haar zoontje gedood moet hebben. Voorts heeft zij verklaard dat zij alleen maar weet dat ze doodsbang was voor personen door wie ze achterna werd gezeten en die haar en haar zoontje seksueel kwaad zouden gaan doen en dat zij en haar zoontje vervolgens dood zouden worden gemaakt.

De rechtbank stelt vast, op grond van het dossier en de verklaringen van verdachte dat de dag voorafgaand aan de bewuste nacht van 20 op 21 april 2013 op een normale wijze verlopen is. Verdachte kreeg naar eigen zeggen pas een enorme angst op het moment dat zij die nacht wakker werd.

Dat er voorafgaand aan het moment van wakker worden reeds het voornemen bij verdachte zou bestaan om haar zoontje om te brengen kan, mede gelet op het voorgaande, niet worden vastgesteld. Wel leidt de rechtbank uit de handelingen die verdachte heeft verricht kort nadat zij wakker is geworden af dat zij voldoende, zij het wellicht kort, de tijd heeft gehad om zich te kunnen beraden of zij haar zoontje wel of niet zou doden, hetgeen de mogelijkheid open laat dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank heeft de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) ter zitting hierover uitvoerig bevraagd. De deskundigen verklaarden ten aanzien van de toestand waarin verdachte na het wakker worden verkeerde, onder meer dat verdachte volledig uit angst, als gevolg van de bij haar bestaande waan, heeft gehandeld en dat er van enige mogelijkheid voor verdachte om ten aanzien van haar handelen een rationele afweging te maken geen sprake kon zijn. De rechtbank heeft voornoemde deskundigen van het PBC bij de behandeling van de zaak ter zitting aanwezig laten zijn en heeft de deskundigen de handelingen die verdachte die nacht heeft verricht, waar naar het oordeel van de rechtbank enige logische volgorde en enige planning aan kan worden toegekend, voorgehouden.

De deskundigen hebben aangegeven dat zij op grond van hun onderzoek en hun deskundigheid van mening zijn dat deze reeks van handelen niet aan hun deskundige oordeel in de weg staan dat verdachte op dat moment leed aan een heftige waan en dat zij de gevolgen van haar handelen op dat moment niet kon overzien.

De rechtbank heeft geen feiten of omstandigheden kunnen vaststellen, welke dit oordeel van de deskundigen onjuist of niet van toepassing laat zijn. Nu de rechtbank er derhalve van uit moet gaan dat verdachte op dat moment in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij niet in staat was zich kalm te beraden op het wel of niet ombrengen van haar zoontje en rustig te overleggen, kan het bestanddeel voorbedachte raad derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen.

De rechtbank merkt, ten overvloede, nog op dat zij ook andere mogelijke scenario’s onderzocht heeft bij de behandeling ter zitting.

Zo heeft de rechtbank het scenario onderzocht dat verdachte besloten had om uit het leven te stappen en haar zoontje daarin mee te nemen, omdat het leven haar op alle mogelijke wijze tegen zat, mede gelet op het hoge ambitieniveau van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank het scenario onderzocht of verdachte gelet op haar intelligentie en enige studie op het gebied van de psychologie, een waan voorgewend heeft en de deskundigen op dat punt misleid heeft, zoals verdachte kennelijk ook de controle, over de verhoren door de politie in handen kreeg, hetgeen af te leiden valt uit de verbatim uitgewerkte politieverhoren.

De rechtbank heeft voor deze scenario’s echter geen, althans onvoldoende, aanwijzingen gevonden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van moord.

4.3.2.

Doodslag

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge vaste rechtspraak het hebben van een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien het verdachte ten tijde van zijn/haar handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn/haar gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Hiervan zal naar vaste jurisprudentie slechts bij uitzondering sprake kunnen zijn.

Verdachte verkeerde, zoals door de rechtbank hiervoor vastgesteld, kennelijk in een toestand van extreme angst toen zij wakker was geworden en vanuit die toestand heeft zij bedacht dat het beter zou zijn dat zij haar zoontje zelf zou doden dan dat dit door anderen gedaan zou worden op een heel ernstige wijze. De handelingen die verdachte daarna heeft verricht waren qua uiterlijke verschijningsvorm ook geheel gericht op dat gevolg, namelijk de dood van haar zoontje. De rechtbank acht daarbij met name ook van belang dat verdachte zowel bij de politie als op de zitting verklaard heeft dat zij, toen zij haar zoontje hoorde schreeuwen, een kussen tegen zijn achterhoofd heeft geduwd, waarbij zij, zoals zij bij de politie verklaard heeft, dacht dat het dan sneller zou gaan. De rechtbank slaat daarbij eveneens acht op het feit dat verdachte zelf op enig moment 112 heeft gebeld, waarin zij heeft aangegeven wat er was voorgevallen. De rechtbank heeft de deskundigen van het PBC ook op dit punt bevraagd. De psycholoog van het PBC heeft toegelicht dat iemand die een waanstoornis heeft weliswaar in een andere wereld leeft, maar daarnaast toch ook op momenten normaal kan functioneren en wel degelijk enig besef heeft van goed en kwaad. De rechtbank is op grond van het vorenstaande en op grond van haar onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat verdachte enig besef had van de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van haar handelen. De uitzonderingssituatie dat het haar aan elk besef hieromtrent heeft ontbroken kan gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, niet worden aangenomen.

Nu verdachte enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan, al is dat wellicht ook maar minimaal geweest, acht de rechtbank het opzet van verdachte op de dood van haar zoontje en daarmee de doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

zij op of omstreeks 21 april 2013 te Roosendaal, gemeente Roosendaal en

Nispen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg,

- met een mes de keel van die [slachtoffer] doorgesneden, althans een of meer

messteken ter hoogte van de hals/keel van die [slachtoffer] toegebracht, en/of

- met een mes in de polsen van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken en/of

- een kussen op het (achter)hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/geduwd

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

De psycholoog Geurkink en de psychiater Kerssens van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapport betreffende verdachte aangegeven dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit floride psychotisch was en zeer angstig vanuit de psychose. Al in de aanloop van het tenlastegelegde kwamen verdachtes denken, voelen en handelen steeds meer onder invloed van de waan en op het moment dat zij het tenlastegelegde feit pleegde werd haar handelen volledig beïnvloed door psychotische denkbeelden. Zij voelde zich bedreigd en was ervan overtuigd dat er binnen korte tijd iets verschrikkelijks zou gebeuren met haar zoontje en haarzelf. Die heftige angst en wanhoop, ontstaan door de psychose, hebben uiteindelijk tot het tenlastegelegde feit geleid. De deskundigen zijn op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een paranoïde-psychotisch toestandsbeeld, waardoor haar het feit niet kan worden toegerekend en zij op dat moment als ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren en haar te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw van verdachte is eveneens van mening dat verdachte, bij een eventuele bewezenverklaring van hetgeen tenlaste is gelegd, ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en dat derhalve ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de deskundigen, en de daarop ter zitting gegeven toelichting. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Dit heeft tot gevolg dat verdachte niet strafbaar is, omdat het feit haar niet kan worden toegerekend en deze omstandigheid die strafbaarheid uitsluit.

De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals geadviseerd door genoemde deskundigen, gevorderd aan verdachte op te leggen een TBS met voorwaarden, waarbij zij de rechtbank heeft verzocht de voorwaarden op te leggen zoals voorgesteld door de reclassering en dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel te bevelen. De officier van justitie is, evenals de deskundigen, van mening dat deze maatregel voldoende waarborgen biedt om de kans op recidive tot een aanvaardbaar niveau te verminderen en dat door het opleggen van deze maatregel voldoende bescherming geboden wordt aan de samenleving.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat uit het rapport van het PBC blijkt dat het recidivegevaar moeilijk is in te schatten als gevolg van de voortdurende psychose, dat de behandelcoördinator van de penitentiaire inrichting waarin verdachte verblijft tegenover de reclassering heeft aangegeven dat zij geen psychotische kenmerken meer heeft gezien bij verdachte, dat verdachte heeft aangegeven dat zij zich wenst te laten steriliseren, zodat het opnieuw krijgen van een kind is uitgesloten en dat bij het ontbreken van wanen sinds verdachte Zypreza gebruikt er ook geen reëel gevaar meer voor de buitenwereld is. De verdediging is daarom van mening dat het gevaar voor de algemene veiligheid en die van personen en goederen, welke vereist zijn voor het opleggen van een TBS-maatregel, niet meer aanwezig zijn. Dan blijft, aldus de verdediging, het suïcidegevaar over, maar verdachte heeft aangegeven dat zij zich verplicht voelt aan haar zoontje om zich te laten behandelen en om te leven, zodat op dit moment ook dat gevaar niet aanwezig is. De verdediging heeft hieraan de conclusie verbonden dat, nu een TBS met dwangverpleging al niet aan de orde was, een TBS met voorwaarden ook niet opgelegd dient te worden. Opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar, hetgeen ook de voorkeur van verdachte is, ligt, aldus de verdediging, meer voor de hand.

Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat er toch een TBS-maatregel moet worden opgelegd, heeft de verdediging aangegeven dat verdachte bereid is aan alle voorwaarden die gesteld zijn door de reclassering te voldoen. Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bevestigd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft haar zoontje [slachtoffer] van nog pas 7 jaar op een gruwelijke wijze gedood, door met een mes zijn keel en polsen door te snijden en een kussen op zijn (achter)hoofd te drukken/duwen.

Het sterven van een jong kind is tegen de natuur en wordt als intens verdrietig ervaren. Het gewelddadig doden van een kind is een van de ergste misdrijven die voorstelbaar zijn. Het gewelddadig doden van een kind door de eigen moeder tart elk inlevingsvermogen. Het is, voor zover leed kwantificeerbaar is, het ergst denkbare handelen van een moeder of vader. Het gewelddadig doden van een kind brengt een schok in de samenleving teweeg. De dader van een dergelijk feit mag op weinig erbarmen rekenen en dient te worden bestraft.

In deze zaak komt de rechtbank aan het opleggen van een straf echter niet toe. Met de officier van justitie en het subsidiaire standpunt van de verdediging is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte geen straf moeten worden opgelegd, omdat haar vanwege haar waan geen verwijt kan, en dus ook niet mag, worden gemaakt. In een beschaafde samenleving moet een dader die geen verwijt kan worden gemaakt van zijn of haar handelen niet worden gestraft voor dit handelen, zonder dat door het uitblijven van een straf afbreuk wordt gedaan aan de ernst of gruwelijkheid van wat heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft haar eigen zoontje [slachtoffer], een lief en leuk jongetje van 7 jaar zoals de rechtbank uit het dossier is gebleken, op een gruwelijke wijze om het leven gebracht. Verdachte zal elk jaar, maand, dag, uur en minuut in haar verdere leven hiermee moeten zien om te gaan, in het besef dat zij dit ongewild heeft gedaan. Verdachte zal moeten leven met het intense gemis van haar zoon. Ook voor de directe kring om haar heen, zoals haar ouders en broer –de opa, oma en oom van [slachtoffer]- zal dit een levenslang gemis blijven.

Nu verdachte echter geen verwijt kan worden gemaakt van haar handelen en dus niet strafbaar is voor dit feit en zij ontslagen zal worden van alle rechtsvervolging is de vraag aan de orde of aan verdachte een maatregel moet worden opgelegd, zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging subsidiair is bepleit.

6.4

De oplegging van een maatregel

De psycholoog en de psychiater van het PBC hebben in hun rapport betreffende verdachte vermeld dat verdachte in elk geval vanaf februari 2013, maar waarschijnlijk al vanaf december 2012, paranoïde- en betrekkingswanen had en in een psychose is geraakt. Deze psychose lijkt, aldus de deskundigen, het meest te passen bij een waanstoornis, waarbij in het algemeen niet-bizarre wanen op de voorgrond staan en de thema’s betrekking hebben op achtervolging of bedrogen worden, zoals bij verdachte ook het geval was. Deze wanen lijken voorts geluxeerd door ernstige psychosociale stressoren, zoals problemen op de gebieden van werk, relaties en financiën. Deze psychose heeft te lang geduurd om te spreken van een kortdurende psychotische stoornis. Daarnaast lijkt er, aldus de deskundigen, sprake van een kwetsbare persoonlijkheid. Er zijn aanwijzingen voor narcistische en dwangmatige persoonlijkheidstrekken.

Gezien de ernst van de stoornis achten de deskundigen het recidiverisico op de (middel)lange termijn, wanneer er geen behandelingskader is en verdachte niet meewerkt, matig tot hoog. Daarnaast zijn het gebrek aan zelfinzicht, de negatieve opvattingen, impulsiviteit en het niet reageren op behandeling factoren die dit risico bepalen. Gesteld kan worden dat de kans op recidive van een agressief delict substantieel aanwezig is, maar dat de mate waarin dit optreedt sterk afhankelijk is van de mate waarin de psychose behandeld wordt. Voorts zijn er een aantal onzekere, destabiliserende factoren die het angst- en stressniveau weer kunnen aanwakkeren, zoals werkloosheid, geen woning, grote financiële problemen en het onder druk staan van het steunsysteem. Haar agressie zou zich kunnen richten tegen een eventueel toekomstig eigen kind, hoewel dit recidiverisico thans hypothetisch is, omdat zij geen eigen kind heeft. Daarnaast zou de agressie zich kunnen richten tegen de buitenwereld. Vanuit haar psychose voelt verdachte zich nog steeds bedreigd en zij interpreteert gebeurtenissen in de buitenwereld waanachtig. Het recidiverisico op die groep is aanzienlijk. Ook speelt het suïcidegevaar nog.

Gezien de heftigheid van het delict, de aard en de ernst van de stoornis en het aanzienlijk risico op herhaling hebben de deskundigen ingeschat dat de behandeling en resocialisatie zeker de termijn van een jaar te boven gaat, zodat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een jaar niet is geïndiceerd. Zij adviseren dan ook TBS met voorwaarden op te leggen, waarbij behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek, waar naast medicamenteuze behandeling ook aandacht is voor psychotherapeutische behandelingsmogelijkheden en psychosociale begeleiding, is aangewezen. Pas wanneer de psychose voldoende behandeld is, waardoor het recidiverisico is verminderd, kan, aldus de deskundigen, gedacht worden aan zeer geleidelijke terugkeer in de maatschappij met strikt toezicht en begeleiding. De deskundigen schatten in dat verdachte na de klinische behandeling in staat is zich te houden aan de voorwaarden, ook als langere poliklinische nazorg noodzakelijk is. TBS met dwangverpleging achten de deskundigen niet noodzakelijk omdat verdachte enig besef en inzicht heeft in haar disfunctioneren en zich bereid heeft verklaard mee te werken aan de behandeling. De deskundigen zijn van mening dat de maatschappij voldoende beschermd is tegen de kans op recidive bij het opleggen van TBS met voorwaarden aan verdachte.

In hun brief van 11 december 2013 ter beantwoording van aanvullende vragen van de officier van justitie hebben de deskundigen nog nader toegelicht dat de behandeling van een waanstoornis complex en vaak hardnekkig is en daarom niet kan worden volstaan met plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een jaar, zodat alleen het opleggen van een TBS-maatregel over blijft. Daarnaast hebben zij toegelicht dat in verband met de omstandigheden dat verdachte niet eerder behandeld is, dat zij meewerkt aan haar behandeling, dat zij enig ziekte-inzicht heeft, dat zij niet vluchtgevaarlijk is, dat zij geen beheersrisico vormt en dat de behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden negen jaar kan duren, het opleggen van een TBS met voorwaarden voldoende waarborg biedt om de kans op recidive tot een aanvaardbaar niveau te verminderen.

Gelet op de inhoud van het rapport en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een TBS maatregel noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Gelet op hetgeen de deskundigen in hun rapport en in hun brief van 11 december 2013 daarover hebben vermeld met betrekking tot de waarborg die het opleggen van TBS met voorwaarden biedt, acht de rechtbank oplegging van dwangverpleging thans niet nodig. Het opleggen van een TBS met de hierna in de beslissing genoemde voorwaarden, lijkt de meest adequate maatregel.

Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

De rechtbank zal tevens bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de haar tenlastegelegde moord;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag;

- verklaart dat verdachte niet strafbaar is en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

- verdachte dient zich te houden aan de meldplicht;

- verdachte dient mee te werken aan een klinische opname en behandeling in de Woenselse Poort of een soortgelijke instelling op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling;

- na afloop van de klinische behandeling werkt verdachte mee aan het voorgeschreven ambulante c.q. intramurale nazorgtraject, ook als dat een kortdurende time-out plaatsing in het kader van forensisch psychiatrisch toezicht inhoudt;

- verdachte neemt de voorgeschreven medicatie in, zolang als haar behandelaars nodig achten;

- verdachte houdt zich gedurende de opname in de Woenselse Poort of een soortgelijke instelling aan de huisregels van de kliniek en de behandelafdeling;

- verdachte houdt zich aan het afgesproken vrijhedenbeleid dat door de kliniek en de reclassering met haar afgesproken wordt;

- verdachte houdt zich aan de verlofafspraken buiten de kliniek die in overleg met de kliniek en de reclassering gemaakt worden;

- verdachte stelt zich begeleidbaar en controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering om met alle personen en instellingen die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden, contact te kunnen opnemen en informatie te mogen uitwisselen;

- verdachte werkt mee aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding waarbij rekening gehouden wordt met haar draagkracht en -last;

- verdachte geeft openheid over haar sociale netwerk en relaties;

- verdachte werkt mee aan het vinden van geschikte huisvesting;

- het is verdachte gedurende de gehele looptijd van de TBS niet toegestaan zich buiten de landsgrenzen van Nederland te begeven;

- draagt de reclassering op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

- heft op het bevel voorlopige hechtenis, ingaande het moment dat verdachte klinisch wordt opgenomen in de Woenselse Poort of een soortgelijke instelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Atteveld, voorzitter, mr. Hinfelaar en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van Moonen-Scheepens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2013077673 van politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 173 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of van het eindproces-verbaal met dossiernummer BVH 2013077673 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 60 (hierna te noemen proces-verbaal 2) Het proces-verbaal van bevindingen, waarin de melding is weergegeven, pagina’s 48 tot en met 52 van proces-verbaal 1.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], pagina’s 31 en 32 van proces-verbaal 1.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], pagina’s 34 en 35 van proces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3], pagina’s 36 en 37 van proces-verbaal 1.

5 Twee foto’s (15 en 16), pagina 25 van proces-verbaal 2.

6 Twee foto’s (20 en 21), pagina’s 27 en 28 van proces-verbaal 2.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met als bijlage de ritbon, pagina 53 en 54 tot en met 56 (bijlage) van proces-verbaal 1

8 Het proces-verbaal schouw slachtoffer, pagina’s 33 en 34 van proces-verbaal 2.

9 Het rapport van het pathologie-onderzoek van het NFI, pagina’s 40 tot en met 52 van proces-verbaal 2.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van de confrontatie, pagina 61 van proces-verbaal 1.

11 Het overzicht PL bij geboorteaangifte van de [gemeente], pagina 122 van proces-verbaal 1.

12 Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 27 en 28 van proces-verbaal 1, en het woordelijk verhoorverslag van de politie, onderzoek Roos, Bureau Bergen op Zoom, verhoor d.d. 6 mei 2013, pagina’s 21 tot en met 32, opgenomen in de bij het dossier behorende rode ordner.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 februari 2014.