Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9522

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2014
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
2227200_E26102014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geschil over erfgrens. Conventie: sprake van bevrijdende verjaring m.b.t. opheffing onrechtmatige toestand. Reconventie: geen sprake van verkrijgende verjaring, bruikleenovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 2227200 CV EXPL 13-4231

vonnis d.d. 26 november 2014

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna ook genoemd: ‘de zus’,

gemachtigde: mr. R.W. de Pater, advocaat te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna ook genoemd: ‘de broer’,

gemachtigde: mr. S. van Hengel, advocaat te Etten-Leur.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het tussenvonnis in deze zaak van 3 september 2014;

  • -

    de akte aanvullend bewijs zijdens de zus, met producties;

  • -

    de akte tegenbewijs van de zijde van de broer, met een productie.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie

2.1

Bij voornoemd tussenvonnis is de zus toegelaten te bewijzen dat de percelen van partijen in 1999 in een ruilverkaveling betrokken zijn geweest en dat terzake een akte van toedeling in de openbare registers is ingeschreven.

2.2

De zus heeft bij akte aanvullend bewijs een kadastraal bericht overgelegd, waaruit haars inziens blijkt dat het perceel [perceel] op 18 juni 1999 is ontstaan. Zij stelt daartoe dat uit deze stukken en de eerder bij productie 10 overgelegde kadastrale stukken volgt dat er in het dienstjaar 1999 een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden en er nieuwe nummers zijn toegekend aan enkele percelen, waaronder [percelen] . Nu de erfgrens van perceel [betreffende perceel] in deze in discussie is, staat vast dat de percelen van partijen bij deze ruilverkaveling betrokken zijn geweest, aldus de zus.

2.3

De broer erkent dat uit een ruilverkaveling in 1999 de door de zus genoemde percelen zijn ontstaan, maar stelt dat dit niet bewijst dat zijn perceel, dat op de door de zus overgelegde kadastrale kaart is aangeduid als [perceel broer] , ook bij die ruilverkaveling is ontstaan. Uit de door de zus overgelegde stukken blijkt namelijk dat dit perceel niet op 18 juni 1999, maar op 5 september 1986 is ontstaan en voorts dat het recht van dit perceel niet is ontleend aan ruilverkavelingsakte [nummer akte 1] , waaruit de andere percelen zijn ontstaan, maar aan ruilverkavelingsakte [nummer akte 2] , aldus de broer.

2.4

De kantonrechter stelt, met de broer, vast dat uit de door de zus overgelegde stukken niet, althans niet genoegzaam, blijkt dat de percelen van partijen in 1999 in een ruilverkaveling betrokken zijn geweest en dat de akte van toedeling in de openbare registers is ingeschreven. Daartoe is redengevend dat bewijs terzake bedoelde inschrijving niet is bijgebracht – uit de overgelegde stukken blijkt van deze inschrijving als zodanig niet – terwijl juist de inschrijving tot originaire eigendomsverkrijging zou leiden. Voorts is niet (voldoende) komen vast te staan dat, indien in 1999 sprake is geweest van een ruilverkaveling en de akte van toedeling in de openbare registers is ingeschreven, de originaire eigendomsverkrijging voor beide percelen geldt. Niet in discussie is immers dat het perceel van de broer in 1999 niet van een nieuw nummer is voorzien, zodat het er op basis van de bewijsvoering voor moet worden gehouden dat zijn perceel niet bij deze ruilverkaveling is betrokken.

2.5

Gelet op het vorenstaande kan de zus niet worden gevolgd in haar betoog dat verjaring niet aan de orde is nu de verjaringstermijn in 1999, door de inschrijving van de akte van toedeling, opnieuw is gaan lopen.

2.6

Gevolg van dit oordeel is dat alsnog wordt toegekomen aan de vraag of de door de broer gestelde verjaring aan de conventionele vorderingen van de zus in de weg staat. De zus heeft gesteld dat de broer geen bezitter maar houder is geworden, doordat in 1981 een bruikleenovereenkomst terzake de ingebruikname van de grond tot stand is gekomen, zodat van verkrijgende verjaring geen sprake kan zijn. Nadat dit betoog door de broer was betwist is de zus in de gelegenheid gesteld het bestaan van de bruikleenovereenkomst te bewijzen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door het als getuige (doen) horen van zichzelf en vijf anderen. De vraag of de zus in dit bewijs is geslaagd behoeft in dit verband evenwel geen beantwoording, nu de broer bij conclusie na enquête met recht heeft gesteld dat ook al is in 1981 een bruikleenovereenkomst tot stand gekomen en is de broer geen bezitter geworden, de vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard door het verloop van twintig jaar na de dag waartegen de bruikleenovereenkomst had kunnen worden opgezegd.

2.7

Daartoe is redengevend dat gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een bruikleenovereenkomst voor bepaalde tijd, zodat het er voor moet worden gehouden dat deze overeenkomst na de totstandkoming onmiddellijk opzegbaar was en tegen de daaropvolgende dag kon worden opgezegd. Aangezien in de Parlementaire Geschiedenis bij de artikelen 3:313 en 3:314 BW is gesteld dat bij de in het eerste lid van artikel 3:314 BW gebezigde terminologie – “De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden” – rekening is gehouden met de mogelijkheid dat een toestand eerst onrechtmatig wordt door opzegging van een recht op die toestand, bijvoorbeeld bruikleen, en dat de termijn in dat geval begint met de aanvang van de dag, volgend op die waartegen had kunnen worden opgezegd, moet in dit geval worden geoordeeld dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag volgend op die waartegen kon worden opgezegd, zijnde dag na de totstandkoming in 1981. De rechtsvordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand is dan ook verjaard in 2001. Hieruit volgt dat de vorderingen van de zus in conventie dienen te worden afgewezen.

2.8

De vaststelling dat de rechtsvordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand van de zus is verjaard, rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking dat de broer eigenaar van het aan zijn zijde van de muur liggende gedeelte van het perceel van de zus is geworden. Daarvoor is noodzakelijk dat zijn beroep op verkrijgende verjaring slaagt. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen.

2.9

De door de zus voorgebrachte getuigen hebben allen als getuige verklaard dat tussen de zus en de broer in 1981 een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen. Hoewel deze gebeurtenis zich lang geleden heeft voorgedaan, weten zij zich dit nog goed te herinneren, mede omdat het een onderwerp was dat vaak in de familiekring werd besproken en men elkaar er veelvuldig aan herinnerde. De getuigen verklaren op hoofdlijnen eensluidend over de plaats waar en het moment waarop de (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen en wie daarbij aanwezig zijn geweest, alsook wat zich daarbij verder nog heeft voorgedaan. Gelet daarop worden deze verklaringen en die van de zus, die in dit verband als partijgetuige heeft te gelden, maar wier verklaring voor het bewijs gebezigd kan worden nu ze voldoende steun vindt in de verklaringen van de andere getuigen, geloofwaardig geacht, zulks te meer, nu de broer heeft afgezien van contra-enquête, zodat de verklaringen van de getuigen in die zin niet zijn weersproken.

2.10

Nu ervan moet worden uitgegaan dat een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen, is de broer geen bezitter geworden en kan van verkrijgende verjaring geen sprake zijn. Aangezien de broer aldus geen eigenaar is geworden dienen de reconventionele vorderingen sub I en III te worden afgewezen.

2.11

Reconventionele vordering sub II is slechts in die zin toewijsbaar dat de zus niet gerechtigd is de muur, die onbetwist haar eigendom is, zodanig te (ver)plaatsen dat deze op het thans aan broers zijde van de muur liggende perceel wordt gesitueerd. Aan dit verbod zal een (gemaximeerde) dwangsom worden verbonden als na te melden.

2.12

In de familieverhouding van partijen wordt aanleiding gezien de kosten van dit geding zowel in conventie als in reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst het gevorderde af;

in reconventie

verbiedt de zus de muur zodanig te (ver)plaatsen dat deze op het thans aan broers zijde van de muur liggende perceel wordt gesitueerd;

bepaalt dat de zus aan de broer een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat zij in strijd handelt met vorenstaand verbod, tot een maximum van € 5.000,00;

wijst het meer of anders gevorderde af;

voorts in conventie en in reconventie

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.