Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9405

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
C/02/275595 FA RK 14-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening kinderalimentatie in de situatie dat van de drie kinderen van partijen, twee kinderen bij de vrouw verblijven en een kind bij de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/275595 FA RK 14-116

Beschikking betreffende hoofdverblijf, zorgregeling en levensonderhoud,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats eiser],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats gedaagde],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.M.M. Heesmans.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 6 januari 2014 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 25 maart 2014 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- de op 17 oktober 2014 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen;

- de op 17 oktober 2014 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen;

- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2012 met aangehecht echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2014 en de daarbij door de advocaat van de man overgelegde berekening.

2 Het verzoek

De man verzoekt, samengevat,

- wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige [naam minderjarige],

- wijziging van de zorgregeling ten aanzien van alle na te noemen minderjarigen,

- wijziging van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van alle na te noemen minderjarigen.

3 De beoordeling

3.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [periode huwelijk].

- Uit hun huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

1. [naam minderjarige] [achternaam], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum x],

2. [voornaam minderjarige] [achternaam], geboren te [woonplaats gedaagde] op [geboortedatum B],

3. [voornaam minderjarige B] [achternaam], geboren te [woonplaats gedaagde] op [geboortedatum C].

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over die minderjarigen.

- Bij voormelde beschikking met aangehecht echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan is, voor zover thans relevant, bepaald:

- dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;

- dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

bij de man verblijven in de even weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot zaterdag 8.00 uur en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen;

- dat de man € 208,= per maand per kind dient te betalen voor de kosten van

verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de man kan worden bepaald. Voorts zijn partijen het erover eens dat de door de man ten behoeve van [naam minderjarige] verschuldigde kinderbijdrage, zoals vastgesteld bij voormelde beschikking, op nihil kan worden gesteld met ingang van de datum van wijziging van zijn hoofdverblijf. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, waarbij de bijdrage voor [naam minderjarige] met ingang van 1 april 2014 op nihil zal worden gesteld, nu de rechtbank uit het gestelde ter zitting begrijpt dat [naam minderjarige] vanaf eind maart 2014 bij de man is gaan wonen.

3.3

De man verzoekt voorts de zorgregeling ten aanzien van de drie kinderen te wijzigen. De vrouw kan zich niet in de door de man verzochte regeling vinden.

Na bespreking van de verzoeken en de standpunten van partijen ter zitting, zijn zij het erover eens gebleken dat het in het belang van de kinderen is dat partijen aan hun onderlinge communicatie gaan werken, zodat zij gezamenlijk tot een goede zorgregeling voor de kinderen kunnen komen. Partijen hebben aangegeven graag deel te willen nemen aan het traject Ouderschap Blijft bij Juzt. De rechtbank volgt partijen hierin en zal hen verwijzen naar Juzt. Uitgangspunt bij genoemd traject is dat het traject uitkomst biedt bij het werken aan het herstel van de communicatie op ouderniveau, zodat afspraken over opvoeding en verzorging weer door ouders zelf gemaakt kunnen worden. De beslissing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling zal worden aangehouden in afwachting van het verloop van het traject bij Juzt.

3.4

Bij voormelde beschikking met aangehecht echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan is een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen bepaald ter hoogte van € 208,= per maand per kind.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal de door de man ten behoeve van de minderjarige [naam minderjarige] te betalen bijdrage met ingang van 1 april 2014 op nihil worden gesteld.

De man verzoekt voorts

- de bijdrage ten aanzien van alle kinderen met ingang van 15 juli 2013 nader vast te stellen op € 135,= per maand per kind, althans een zodanig lager bedrag dan de vastgestelde bijdrage als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

- de bijdrage ten behoeve van de minderjarigen [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B] met ingang van de datum van wijziging hoofdverblijf van [naam minderjarige] te bepalen op € 123,= per maand per kind, althans een zodanig lager bedrag dan de vastgestelde bijdrage als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.5

De man voert als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage aan dat de overeenkomst van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, althans dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.

De vrouw betwist dat sprake is van een grond voor wijziging van de kinderbijdrage.

3.6

Naar de rechtbank begrijpt, voert de man primair aan dat de overeenkomst ter zake de kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 5 BW). Voor toepassing van dit artikel dient sprake te zijn van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling niet, althans onvoldoende met redenen omkleed. Niet gebleken is dat partijen zich bij het maken van de afspraken niet hebben gericht op de wettelijke maatstaven en dat zij (onbewust) zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Aldus slaagt het beroep van de man op voormelde grond niet.

3.7

Subsidiair voert de man aan dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. In dit verband voert de man aan dat zijn inkomen sinds 2012 dusdanig is gedaald ten opzichte van de jaren daarvoor, dat er geen draagkracht is voor de overeengekomen kinderalimentatie.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de overgelegde stukken met betrekking tot het bedrijfsresultaat voldoende vast dat er substantiële wijzigingen hebben plaatsgevonden in het inkomen van de man. Aldus heeft zich een relevante wijziging van omstandigheden voorgedaan, die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt.

3.8

De rechtbank zal een eventuele wijziging van de bijdrage doen ingaan per 6 januari 2014, zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu de vrouw vanaf dat moment rekening kon houden met wijziging van de bijdrage. Dit brengt mee dat de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van de onderhoudsplichtigen in het navolgende zal worden onderzocht met ingang van 6 januari 2014. Daarbij zal een onderscheid worden gemaakt in twee perioden, te weten de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014, in welke periode alle drie de kinderen bij de vrouw verbleven, en de periode met ingang van 1 april 2014, vanaf welk moment [naam minderjarige] bij de man verblijft en [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B] bij de vrouw.

3.9

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.

3.10

Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen, is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat ter bepaling van dat gezinsinkomen met partijen uit van hun inkomens in 2012.

Partijen zijn het er blijkens het gestelde ter zitting over eens dat ter bepaling van het NBI van de man in 2012, conform de door de vrouw overgelegde berekening, wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van € 47.399,= bruto per jaar en dat in fiscale zin rekening wordt gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB-vrijstelling, de heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Voorts wordt een correctie toegepast ter zake de op aanslag zelf betaalde premie zorgverzekeringswet.

Partijen komen echter beiden op een ander bedrag aan NBI uit. De rechtbank stelt vast dat dit verschil wordt veroorzaakt door de wijze waarop de premie voor lijfrente en arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van in totaal € 5.330,= (bruto) per jaar in de berekening wordt betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank dient conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen een correctie te worden toegepast op het NBI ter zake de netto premie lijfrente en arbeidsongeschiktheidsverzekering, in die zin dat met de premie in fiscale zin rekening wordt gehouden en dat de verschuldigde premie vervolgens in mindering strekt op het NBI. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze uitgave voor inkomensvoorzieningen naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk is voor de man als zelfstandig ondernemer en dat deze premies niet bovenmatig zijn.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten bedroeg het NBI van de man in 2012 € 2.735,= netto per maand.

De vrouw had blijkens de overgelegde stukken in 2012 een loon volgens jaaropgave van

€ 18.550,= bruto. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten bedroeg het NBI van de vrouw in 2012, conform de door haar overgelegde berekening, € 1.455,= per maand.

Het gezinsinkomen van partijen wordt aldus vastgesteld op € 4.190,= netto per maand in 2012.

3.11

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert een tabelbedrag op van € 1.233,= per maand in 2012. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte (tabelbedrag) thans € 1.265,= per maand (ofwel afgerond € 422,= per maand per kind).

Hierop dient het kindgebonden budget waarvoor de verzorgende ouder thans in aanmerking komt in mindering te worden gebracht. Tot 1 april 2014 ontving de vrouw een kindgebonden budget van € 163,= per maand voor de drie kinderen, zodat het eigen aandeel van de onderhoudsplichtigen in de kosten van de minderjarigen over deze periode wordt vastgesteld op € 1.102,= per maand, ofwel afgerond € 367,= per maand per kind.

Vanaf 1 april 2014 ontvangt de vrouw een kindgebonden budget van € 129,= per maand voor de twee kinderen die in haar gezin verblijven. Dit brengt mee dat het eigen aandeel van de onderhoudsplichtigen in de kosten van deze twee kinderen ([voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B]) wordt vastgesteld op afgerond € 357,= per maand per kind. De rechtbank gaat ervan uit dat de man, gelet op zijn inkomen en gezinssituatie, niet in aanmerking komt voor kindgebonden budget ten behoeve van [naam minderjarige]. Het eigen aandeel van de onderhoudsplichtigen in de kosten van [naam minderjarige] wordt derhalve vastgesteld op € 422,= per maand.

3.12

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt bij inkomens vanaf € 1.500,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 860,=)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, wordt de draagkracht met dit bedrag verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

3.13

Tussen partijen staat vast dat voor de vaststelling van het NBI van de vrouw de door haar overgelegde berekening kan worden gevolgd. Aldus wordt het huidige NBI van de vrouw, uitgaande van een inkomen volgens jaaropgave van € 18.267,= bruto en in fiscale zin rekening houdend met de heffingskorting (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting, vastgesteld op € 1.305,= per maand.

Uitgaande van voormeld NBI is de draagkracht van de vrouw volgens de tabel € 90,= per maand.

3.14

Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

3.15

De man is tegelzetter en voert samen met een partner een v.o.f.. De man is gerechtigd tot de helft van het resultaat van deze v.o.f..

Partijen verschillen blijkens het gestelde ter zitting van mening over de vraag van welk (gemiddeld) resultaat moet worden uitgegaan voor de becijfering van het NBI van de man. De man wil uitgaan van het gemiddelde resultaat over de jaren 2012, 2013 en 2014, terwijl de vrouw het gemiddelde resultaat over de jaren 2011, 2012 en 2013 tot uitgangspunt neemt.

De rechtbank overweegt als volgt. Het totale resultaat van de v.o.f. was blijkens de overgelegde stukken in 2011 € 109.492,=, in 2012 € 64.374,= en in 2013 € 65.685,= bruto. De prognose over 2014 laat een totaal resultaat zien van € 68.180,= bruto.

De man heeft toegelicht dat het resultaat is gedaald als het gevolg van het faillissement van een grote opdrachtgever in september 2012 en dat de v.o.f. er als gevolg van de economische crisis, die met name de bouwsector hard heeft getroffen, niet in slaagt om een resultaat te behalen op het niveau van vóór 2012. Ter zitting is echter gebleken, zoals door de vrouw is aangevoerd, dat de daling van het resultaat in 2012 ten opzichte van het resultaat in 2011 mede wordt veroorzaakt door een eenmalige grote afschrijving. Het resultaat in de overige jaren van 2011 tot en met 2014 bevat niet een dergelijke vertekening. De prognose voor 2014 laat een licht stijgende lijn zien in het resultaat. Gelet op alle genoemde omstandigheden, zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde over de jaren 2011 tot en met 2014, nu dit naar het oordeel van de rechtbank het meest getrouwe beeld geeft van de inkomsten uit onderneming. Dit leidt tot een gemiddeld totaal resultaat van de v.o.f. van

€ 76.932,= bruto per jaar, waarin het aandeel van de man de helft bedraagt, ofwel € 38.466,= bruto per jaar.

3.16

In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek), de MKB-vrijstelling, heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. De rechtbank houdt geen rekening met overige heffingskortingen, nu de man samenwoont en daar gelet op zijn inkomen en gezinssituatie niet voor in aanmerking komt. Voorts wordt een correctie toegepast ter zake de op aanslag zelf betaalde premie zorgverzekeringswet en de netto premie voor lijfrente en arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van in totaal € 5.330,= (bruto) per jaar (vide rechtsoverweging 3.10).

3.17

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op € 2.330,= per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 540,= per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 104,= per maand voor drie kinderen over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014 en daarna € 69,= per maand voor twee kinderen, derhalve in totaal € 644,= per maand over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014 en € 609,= per maand daarna.

3.18

Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege nu de totale draagkracht van partijen lager is dan het hiervoor becijferde totale eigen aandeel van partijen van € 1.102,= per maand over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014 en van in totaal € 1.136,= per maand daarna.

3.19

In de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014 verblijven de drie kinderen van partijen bij de vrouw. Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting aan de zijde van de man van 25%. Nu het eigen aandeel over deze periode in totaal € 1.102,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van in totaal € 276,= per maand. Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide onderhoudsplichtigen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014 als volgt wordt berekend: € 644,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 276,= [bedrag zorgkorting] - € 184,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 552,= per maand, ofwel € 184,= per maand per kind.

Aangezien die bijdrage overigens in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank die bijdrage vaststellen voor de drie minderjarigen over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014.

3.20

Met ingang van 1 april 2014 verblijft [naam minderjarige] bij de man. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen vanaf dat moment is becijferd op € 422,= per maand voor [naam minderjarige] en € 357,= per maand per kind voor [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B]. De draagkracht van de man over deze periode bedraagt in totaal € 609,= per maand. Naar het oordeel van de rechtbank dient de draagkracht van de man over de drie kinderen te worden verdeeld naar rato van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van ieder van die kinderen. Dit brengt mee dat van de totale draagkracht van de man een deel van 63% beschikbaar is voor de bij de vrouw verblijvende kinderen [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B], ofwel € 384,= per maand.

Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting aan de zijde van de man van 25% voor [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B]. Nu het eigen aandeel in de kosten van deze twee kinderen in deze periode in totaal € 714,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van in totaal € 179,= per maand. Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide onderhoudsplichtigen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage met ingang van 1 april 2014 als volgt wordt berekend: € 384,= [bedrag volledige draagkracht man voor [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B]] – (€ 179,= [bedrag zorgkorting] - € 137,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 342,= per maand, ofwel € 171,= per maand per kind.

Aangezien die bijdrage overigens in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank die bijdrage vaststellen voor [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige B] met ingang van 1 april 2014.

4 De beslissing

De rechtbank

wijzigt voormelde beschikking als volgt:

bepaalt dat de minderjarige [naam minderjarige] [achternaam], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum x], zijn hoofdverblijf heeft bij de man;

bepaalt dat de daarbij vastgestelde, door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige [naam minderjarige] nader wordt vastgesteld:

- op € 184,= (honderdvierentachtig euro) per maand over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014;

- op nihil met ingang van 1 april 2014;

bepaalt dat de daarbij vastgestelde, door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [voornaam minderjarige] [achternaam], geboren te [woonplaats gedaagde] op [geboortedatum B], en [voornaam minderjarige B] [achternaam], geboren te [woonplaats gedaagde] op [geboortedatum C], nader wordt vastgesteld:

- op € 184,= (honderdvierentachtig euro) per maand per kind over de periode van 6 januari 2014 tot 1 april 2014;

- op € 171,= (honderdeenenzeventig euro) per maand per kind met ingang van 1 april 2014;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst partijen naar Juzt voor een traject Ouderschap Blijft, gericht op het houden van intensieve oudergesprekken;

houdt aan de beslissing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling ten aanzien van alle voornoemde minderjarigen tot 26 mei 2015 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van Juzt over het verloop van de oudergesprekken;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.