Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9354

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
C/02/267293 FA RK 13-4177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzoek van de gemeente om in het kader van de Wet op de Lijkbezorging een verhaalsbijdrage vast te stellen. De gemeente spreekt twee kinderen aan om een deel van de kosten van crematie van hun vader te voldoen. Overeenkomstig artikel 22 Wet op de Lijkbezorging is de gemeente gerechtigd de kosten van crematie te verhalen op de nalatenschap en bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten die krachtens artikel 1:296 – 1:392 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. De gemeente kan de kosten van crematie verhalen op de twee kinderen van de overledene. Verwerping of beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap raken deze extra-verhaalsmogelijkheid niet. Verder betekent de verwijzing van artikel 22 Wet op de Lijkbezorging naar boek 1 niet dat naar maatstaven van behoefte en draagkracht moet worden bepaald of en zo ja wel bedrag verweerders aan de gemeente moeten betalen. Verweerders zijn ieder voor een gelijk deel verbonden aan de resterende hoofdsom. Niet aannemelijk dat zij voor ongelijke delen dan wel hoofdelijk verbonden zouden zijn aan de hoofdsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

Zaaknummer: C/02/267293 FA RK 13-4177

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d.

betreffende verhaal van kosten crematie

in de zaak van

de gemeente Tilburg,

hierna te noemen de gemeente,

tegen

[de man],

wonende te [woonadres],

aan de [adresgegevens],

hierna te noemen de man,

en

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. de Rijk.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 22 juli 2013 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- het op 11 november 2013 ontvangen verweerschrift van mr. L. de Rijk, met bijlagen;

- de op 17 januari 2014 ontvangen conclusie van repliek van de gemeente;

- de op 19 september 2014 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- de brieven van de griffier van deze rechtbank van 13 september 2013 en

17 oktober 2013 aan de heer [man x];

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 oktober 2014.

2 Het verzoek

De gemeente verzoekt op grond van artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging vaststelling van de door de man en de vrouw te betalen bijdrage in de gemaakte kosten van de crematie van wijlen de heer [man y] op € 2.881,76 en veroordeling van de man en de vrouw tot betaling van die bijdrage aan de gemeente, des de een betalende de ander bevrijdt.

3. De beoordeling

3.1.

De heer [man y] geboren te [woonplaats] op [geboortedatum 1] en overleden op [overlijdensdatum] in de gemeente [woonplaats] is te [woonplaats] gecremeerd op [datum 2].

3.2.

Bij verhaalsbesluit van 13 mei 2013 zijn mevrouw [de vrouw], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum 3] en de heer [de man], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum 2], als onderhoudsplichtige kinderen van de overledene, aansprakelijk gesteld voor de kosten van crematie, zijnde in totaal € 3.221,10.

3.3.

Bij besluit van 13 juni 2013 is voornoemd verhaalsbesluit gewijzigd in die zin dat verweerders aansprakelijk zijn gesteld voor een verlaagd verhaalsbedrag van € 1.440,88 per kind in verband met reeds ontvangen betalingen van de ING Bank NV ten bedrage van

€ 134,12 en de Sociale Verzekeringsbank ten bedrage van € 205,22, welke bedragen afkomstig zijn van de bankrekening van de overledene.

3.4.

Bij voormelde brief heeft de griffier de man mededeling gedaan van de termijn waarbinnen een verweerschrift kon worden ingediend. Binnen die termijn is echter geen verweerschrift ontvangen.

3.5.

Op 25 september 2014 is een brief ontvangen van de advocaat van de vrouw met bijlagen, zonder inachtneming van de in het toepasselijke procesreglement opgenomen termijn van tien dagen voorafgaand aan de zitting. De rechtbank houdt geen rekening met deze stukken, nu een dergelijke late indiening in strijd is met de goede procesorde. De stukken zullen derhalve retour worden gezonden aan de advocaat van de vrouw.

3.6.

De gemeente stelde zich ter zitting op het standpunt dat de resterende kosten van crematie van € 2.881,76 ingevolge het bepaalde in artikel 22 Wet op de lijkbezorging jo artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo artikel 62h Wet werk en bijstand voor een gelijk deel kunnen worden verhaald op de man en de vrouw.

3.7.

De vrouw heeft daartegen het volgende aangevoerd. Allereerst stelt de vrouw dat zij de nalatenschap van haar vader op [datum 1] heeft verworpen. Daarnaast is zij van mening dat om te bepalen of de onderhoudsverplichting in de concrete situatie ook bestaat, haar draagkracht moet worden onderzocht. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van crematie te voldoen.

3.8.

De gemeente stelt dat zij op grond van artikel 22 Wet op de lijkbezorging de kosten kan verhalen op de bloed- en aanverwanten die tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. Deze kosten vallen niet in de nalatenschap. Het betreft een zelfstandig recht. Daarnaast speelt hierbij geen rol of er ook daadwerkelijk op grond van de bepalingen van boek 1 van het BW tot het betalen van levensonderhoud overgegaan zou moeten worden. Het al of niet aanwezig zijn van draagkracht is hier dan ook niet van belang, aldus de gemeente.

3.9.

De kosten van lijkbezorging, betreffende de erflater, behoren tot de ‘schulden van de nalatenschap’, zoals opgesomd in artikel 4:7, eerste lid, BW.

Ingevolge artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging kan de gemeente de kosten van de crematie verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 1:392-1:396 BW tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest.

De rechtbank overweegt dat artikel 22 mitsdien de verhaalsmogelijkheid van de gemeente verruimt, welke verruiming los staat van het erfrecht. Verwerping of beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap raken deze extra-verhaalsmogelijkheid niet. Dit betekent dat ondanks dat de vrouw de nalatenschap van haar vader heeft verworpen, de kosten van crematie op haar kunnen worden verhaald mitsdien zij ingevolge artikelen 1:392 tot en met 1:396 BW tot de kring der personen op wie de kosten van crematie verhaald kunnen worden behoort. Nu de overledene de vader is van de vrouw en de man zijn zij onderhoudsplichtig jegens hem en behoren zij tot de kring der personen op wie de kosten verhaald kunnen worden.

De verwijzing in artikel 22 betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat naar de maatstaven van behoefte en draagkracht van Boek 1 BW dient te worden bepaald of en zo ja, welk bedrag, verweerders in casu aan de gemeente moeten betalen. Hierbij is in aanmerking genomen dat in artikel 22 Wet op de lijkbezorging niet wordt verwezen naar de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht van artikel 1:397 BW en in aanmerking genomen dat die maatstaven van behoefte en draagkracht zich naar hun aard niet lenen voor toepassing bij beoordeling van verhaal van een eenmalig bedrag aan kosten van lijkbezorging.

Een en ander brengt met zich dat de gemeente de kosten van de crematie op verweerders kan verhalen en dat zij, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 6:6, eerste lid, van het BW ieder voor een gelijk deel van de – niet in geschil zijnde – resterende hoofdsom verbonden zijn, zijnde € 1.440,88 per kind. Niet aannemelijk is geworden dat zij voor ongelijke delen dan wel hoofdelijke verbonden zouden zijn.

Dit betekent dat de rechtbank als volgt zal beslissen.

3.10.

Gelet op het karakter van deze procedure zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

stelt het door mevrouw [de vrouw], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum 3] aan de gemeente [woonplaats] te betalen bedrag ter zake van gemaakte kosten van crematie ten behoeve van wijlen de heer [man y] vast op € 1.440,88, ter voldoening van de helft van de resterende kosten van crematie en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de gemeente van € 1.440,88 (duizend vierhonderdveertig euro en achtentachtig cent);

stelt het door de heer [de man], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum 2] aan de gemeente [woonplaats] te betalen bedrag ter zake van gemaakte kosten van crematie ten behoeve van wijlen de heer [man y] vast op € 1.440,88, ter voldoening van de helft van de resterende kosten van crematie en veroordeelt de man tot betaling aan de gemeente van € 1.440,88 (duizend vierhonderdveertig euro en achtentachtig cent);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Linden, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Nederveen, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.