Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9239

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
3067752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Middelburcht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 3067752 / 14-3271

vonnis van de kantonrechter d.d. 15 oktober 2014

in de zaak van

de vereniging

VERENIGING TOT VERLENING VAN DIENSTEN AAN DE BEWONERS VAN DE SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT” U.A.,

gevestigd te Middelburg,

rechtsopvolgster van de

COÖPERATIE TOT VERLENING VAN DIENSTEN AAN DE BEWONERS VAN DE SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT” U.A.,

handelend onder de naam

SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT”,

eisende partij,

verder te noemen: de vereniging,

gemachtigde: J.H. Vekemans,

t e g e n :

[gedaagde] ,

wonende te Middelburg,

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. E.R. Koster.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 6 mei 2014,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

de beoordeling van de zaak

1.1.

De serviceflat “De Middelburcht” is een gebouw aan de Henry Dunantlaan te Middelburg. Bij notariële akte van 24 november 1972 is het gesplitst in 114 appartementen en is tevens de Vereniging van Eigenaars als bedoeld in (thans) artikel 5: 124 BW (verder: de VvE) opgericht.

1.2.

[gedaagde] is eigenaar van een appartement in “De Middelburcht” en van rechtswege lid van de VvE.

1.3.

Gelijktijdig met en naast de VvE is opgericht de “Coöperatie tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat “De Middelburcht” U.A.” (verder: de coöperatie). [gedaagde] was lid van de coöperatie.

1.4.

Om fiscale redenen is op 31 december 2013 de coöperatie omgezet in een “gewone” vereniging, namelijk eiseres. Op 13 december 2013 schreef [gedaagde] aan de VvE en aan de coöperatie geen lid te worden van de vereniging.

1.5.

Aan [gedaagde] zijn over januari tot en met april 2014 bijdragen (servicekosten en voorschotten van stookkosten) in rekening gebracht die niet volledig zijn voldaan.

2. De vereniging vordert, samengevat weergegeven, de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

- € 993,66 met de overeengekomen rente van 0,5% per maand over € 904,-- vanaf 6 mei 2014,

- de maandelijkse bijdragen vanaf mei 2014 van thans € 226,-- per maand, vermeerderd met en eventuele wijziging van deze bijdrage en de daarover vervallen rente,

- de proceskosten.

Het bedrag van € 993,66 bestaat uit € 904,-- aan onbetaalde bijdragen over januari tot en met april 2014, € 82,04 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 7,62 aan rente tot 6 mei 2014.

3. [gedaagde] bestrijdt de vordering en de daarvoor aangevoerde gronden.

4.1.

Bij dagvaarding stelt de vereniging dat [gedaagde] als appartementseigenaar van rechtswege lid is van de vereniging en daardoor gehouden is tot betaling van de verschuldigde bijdragen.

4.2.

De kantonrechter verwerpt dit standpunt. De vereniging is niet een vereniging van eigenaars waarvan de appartementseigenaren van rechtswege lid zijn volgens artikel 2: 125 lid 2 BW. Ook bevat de akte van splitsing niet een regeling, krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die vereniging of coöperatie (artikel 5: 112 lid 3 BW). Daarvoor zijn onvoldoende de bepalingen in de akte van splitsing dat vervreemding van het appartementsrecht alleen mogelijk is aan personen die een schriftelijke verklaring kunnen overleggen van de coöperatie (de rechtsvoorganger van de vereniging dus) dat zij als lid van die vereniging zijn toegelaten en dat het gebruik van het appartementsrecht door een eigenaar slechts is toegestaan zolang hij lid is van de coöperatie (artikelen 3 lid 2 en 4). De statuten van de coöperatie (artikel 9) en van de vereniging (artikel 8) voorzien - gelet op artikel 2: 35 lid 1 juncto 2: 53a BW terecht - in de mogelijkheid van opzegging van het lidmaatschap door het lid waardoor het lidmaatschap eindigt.

5.1.

De vereniging voert bij dagvaarding ook aan dat krachtens de akte van splitsing [gedaagde] verplicht lid is van de vereniging.

5.2.

Dit standpunt miskent naar het oordeel van de kantonrechter dat een onopzegbare verplichting tot het aanhouden van het lidmaatschap van de vereniging strijdig is met het wettelijk stelsel waarvan artikel 2: 35 BW een weergave is (vergelijk gerechtshof Amsterdam 17 november 2005, NJ 2005, 571, waartegen het cassatieberoep is verworpen met toepassing van artikel 81 RO bij HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR: 2007:BA9708). De brief van 13 december 2013 van [gedaagde] aan de VvE en de coöperatie moet worden opgevat als onmiddellijke opzegging van het lidmaatschap op grond van artikel 2: 36 lid 4 BW. Als gevolg daarvan was [gedaagde] geen lid van de vereniging in de periode waarop de vordering betrekking heeft. Anders dan de vereniging stelt, volgt uit de afname van gas voor verwarming en uit het gebruik van voorzieningen niet dat [gedaagde] ondanks de opzegging het lidmaatschap erkent. Het gebruik van het appartement is niet goed mogelijk zonder afname van gas en gebruik van voorzieningen.

6.1.

Voor het eerst bij repliek beroept de vereniging zich erop dat de redelijkheid en billijkheid eist dat [gedaagde] de door de leden vastgestelde bijdrage maandelijks en tijdig betaalt.

6.2.

De kantonrechter volgt de vereniging hierin niet omdat de beginselen van redelijkheid en billijkheid op zich geen rechtsgrond vormen voor een verplichting tot betaling van een door (de leden van) de vereniging vastgestelde bijdrage. Van gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking, met aanvulling van rechtsgronden, kan in dit geval geen sprake zijn. De vereniging voert daartoe te weinig feitelijke gronden aan.

7. Uit het voorgaande volgt dat de vordering niet toewijsbaar is. De vereniging dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt de vereniging in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op € 200,-- wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.