Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9202

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
C/02/288851 / HA RK 14-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking in procedure 2853504 / 14-1586 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Middelburg

procedurenummer C/02/288851 / HA RK 14-208

Beslissing van 3 december 2014

inzake het wrakingsverzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam][naam]

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

advocaat mr. R.S. Namjesky,

tegen

1. MR. M.J.M. KLARENBEEK, in zijn hoedanigheid van kantonrechter bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in de procedure waarin verzoeker als gedaagde partij is betrokken onder zaak-/rolnummer 2853504 / 14-1586,

Partijen zullen hierna worden aangeduid als MGVM en mr. Klarenbeek.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 1 oktober 2014 gewezen tussenvonnis in de zaak tussen [eiser 1] en[eiser 2] als eisende partij (verder:[eisers]) tegen [verzoekster] als gedaagde partij, met zaak-/rolnummer 2853504 / 14-1586;

  • -

    het wrakingsverzoek zijdens [verzoekster] van 8 oktober 2014;

  • -

    het verweerschrift zijdens mr. Klarenbeek van 14 oktober 2014;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 20 november 2014, waarbij is verschenen de heer [medewerker verzoeker], accountmanager bij [verzoekster], bijgestaan door mr. R.S. Namjesky, en de heer [eiser 1] en mevrouw[eiser 2], bijgestaan door mr. L. de Maa. Mr. Klarenbeek is niet in persoon verschenen.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Klarenbeek in zijn hoedanigheid van kantonrechter bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in de onder punt 1. genoemde procedure.

Mr. Klarenbeek, hierna tevens aangeduid als de kantonrechter, berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 De feiten

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:

a. [eisers] hebben als eisende partij [verzoekster] als gedaagde partij in rechte betrokken in de onder punt 1. genoemde procedure;

b. Voornoemd geschil handelt - verkort weergegeven - over de vermeende aansprakelijkheid van [verzoekster] voor gebreken aan de door [eisers] gehuurde woning en de daarmee gepaard gegane (reparatie)kosten en/of aanverwante vorderingen. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij niet de verhuurder is van de betreffende woning en dat zij daarom ook niet aansprakelijk is. Volgens [verzoekster] heeft zij slechts het beheer van onder andere de betreffende woning overgenomen van de toenmalige beheerder, zijnde [voormalig beheerder].

c. Op 1 oktober 2014 heeft mr. Klarenbeek in zijn hoedanigheid van kantonrechter een tussenvonnis gewezen in voornoemde de zaak. Voorafgaand aan het wijzen van dit vonnis heeft geen zitting plaatsgevonden waarbij de kantonrechter persoonlijk contact heeft gehad met partijen uit voornoemde procedure.

d. In het tussenvonnis van 1 oktober 2014 is - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:

“(…)

5.1.

Anderzijds is het wel mogelijk dat slechts het beheer van de woning is overgedragen aan [verzoekster]. Art. 8 van het huurcontract maakt dat mogelijk en de inhoud van de brief van [verzoekster] d.d. 21 december 2009 wijst daarop. [verzoekster] zou dat als professioneel vastgoed kantoor gemakkelijk schriftelijk moeten kunnen aantonen.

5.2.

[verzoekster] heeft echter ontkend dat haar opvolging van [voormalig beheerder] als beheerder is gebaseerd op een contractsovername. [verzoekster] heeft daarbij opgemerkt dat [voormalig beheerder] niet meer in staat was en dat de woordkeuze in haar brief d.d. 21 december 2009 wellicht wat ongelukkig is geweest.

5.3.

Maar dat gaat zo maar niet. De brief van [verzoekster] d.d. 21 december 2009 houdt in: “Hierbij delen wij u mee, dat [verzoekster] te Breda per 1 januari 2010 de volledige beheerportefeuille overneemt van [voormalig beheerder] te Middelburg.” Nu [verzoekster] niet heeft uitgelegd wat er dan wel zou zijn gebeurd, wordt [verzoekster] gehouden aan haar mededeling dat zij per 1 januari 2010 de volledige portefeuille overneemt van [voormalig beheerder]. Op basis van hetgeen [verzoekster] terloops heeft opgemerkt kan voorts niet worden aanvaard dat het ene vastgoedkantoor een volledige vastgoedportefeuille overneemt van het andere vastgoedkantoor zonder dat daar een schriftelijke overeenkomst aan ten grondslag ligt.

5.4.

[verzoekster] heeft de door [eisers] gestelde contractsovername op een ongeloofwaardige wijze ontkend. Dat levert grond voor het vermoeden dat [verzoekster] wil voorkomen dat kennis wordt genomen van het contract tussen haar en [voormalig beheerder]. Zoals reeds overwogen, zou [verzoekster] als professioneel vastgoedkantoor gemakkelijk schriftelijk moeten kunnen aantonen dat zij niet meer dan beheer heeft overgenomen. Wellicht wil [verzoekster] verbergen dat uit het contract blijkt dat zij de verhuur van de woning heeft overgenomen. In de brief van [verzoekster] d.d. 21 december 2009 is vermeld dat zij namens vele grote opdrachtgevers zorg draagt voor de verhuur en het beheer van de aan haar toevertrouwde beheerportefeuille.

6. Gelet op het voorgaande zal [verzoekster] worden opgedragen het contract in het geding te brengen op basis waarvan zij de volledige portefeuille heeft overgenomen van [voormalig beheerder]. Wanneer [verzoekster] daaraan gevolg geeft, mag [eiser 2] reageren.

de beslissing

De kantonrechter:

draagt [verzoekster] op het contract in het geding te brengen op basis waarvan zij de volledige

portefeuille heeft overgenomen van [voormalig beheerder]:

(…).”

4 De gronden voor het wrakingsverzoek

4.1.

[verzoekster] baseert haar wrakingsverzoek - verkort weergegeven - op de volgende gronden:

1) [verzoekster] stelt dat zij zich in de procedure tegen [eisers] onder meer heeft verweerd door aan te geven dat aan de overname c.q. voortzetting van het beheer van de betreffende woning geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt en dat er evenmin sprake is van contracts-overname. Volgens [verzoekster] hecht de kantonrechter weinig geloof aan dit verweer aangezien hij [verzoekster] opdraagt het contract in het geding te brengen op basis waarvan [verzoekster] de volledige portefeuille heeft overgenomen van [voormalig beheerder]. [verzoekster] meent dat dit tevens blijkt uit hetgeen is overwogen onder r.o. 5.1. van het vonnis, nu daar staat vermeld: “[verzoekster] zou dat als professioneel vastgoedkantoor gemakkelijk schriftelijk moeten kunnen aantonen.” en ook uit de overweging: “Maar dat gaat zo maar niet.” onder r.o. 5.3. van het vonnis. Uit voornoemde beslissing en de motivering er van blijkt de schijn van vooringenomenheid jegens [verzoekster] bij de rechter.

2) [verzoekster] stelt zich verder op het standpunt dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid, althans bevooroordeeldheid, van de kantonrechter omtrent de aanvaardbaarheid van de werkwijze van [verzoekster], in die zin dat hij er vanuit gaat dat aan de overname van het beheer van de woning een schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt. Volgens [verzoekster] blijkt dit uit hetgeen is vermeld in r.o. 5.3. van het vonnis, waar wordt overwogen: “Op basis van hetgeen [verzoekster] terloops heeft opgemerkt kan voorts niet worden aanvaard dat het ene vastgoedkantoor een volledige vastgoedportefeuille overneemt van het andere kantoor zonder dat daar een schriftelijke overeenkomst aan ten grondslag ligt.”

3) In de visie van [verzoekster] geeft de kantonrechter in r.o. 5.4 van het vonnis voorts blijk van zijn persoonlijke negatieve gedachten bij het niet kunnen overleggen van een schriftelijke overeenkomst door [verzoekster], nu daar wordt overwogen: “[verzoekster] heeft de door [eiser 2] gestelde contractsovername op een ongeloofwaardige wijze ontkend. Dat levert grond voor het vermoeden dat [verzoekster] wil voorkomen dat kennis wordt genomen van het contract tussen haar en [voormalig beheerder].(…) Wellicht wil [verzoekster] verbergen dat uit het contract blijkt dat zij de verhuur van de woning heeft overgenomen.”

Naar de mening van [verzoekster] heeft de kantonrechter zich niet beperkt tot het bezien van de feiten, stellingen en weren van partijen, maar blijk gegeven van vooringenomenheid of bevooroordeeldheid, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Ter zitting heeft [verzoekster] nog aangegeven dat zij in deze mening is versterkt door de inhoud van het verweerschrift van de kantonrechter.

Het standpunt van de kantonrechter

4.2.

De kantonrechter voert aan - samengevat - dat de vrees voor partijdigheid en/of bevooroordeeldheid geen objectieve rechtvaardiging vindt in het vonnis. Er is geen zitting geweest en dus geen persoonlijk contact tussen de kantonrechter en partijen, de kantonrechter is evenmin betrokken bij één van partijen en heeft geen belang bij de afloop van het geding. Volgens de kantonrechter wordt in het vonnis een kritisch oordeel gegeven, dat [verzoekster] zelf heeft uitgelokt door de ongemotiveerde wijze waarop zij het bestaan van een schriftelijke overeenkomst tussen haar en [voormalig beheerder] heeft ontkend. Het vonnis maakt duidelijk dat de manier waarop verzoekster dat heeft gedaan geen geloof verdient, aldus de kantonrechter. Volgens de kantonrechter zijn de in het vonnis geformuleerde vermoedens ingegeven door het feit dat [verzoekster] niet heeft uitgelegd wat er dan wel zou zijn gebeurd en dat zij op een ongeloofwaardige wijze haar eigen mededeling over de overname van de portefeuille in de brief van 21 december 2009 heeft willen terugnemen. De kantonrechter voert voorts aan, dat [verzoekster] miskent dat in het tussenvonnis - met het bevel ex artikel 22 Rv om het contract over te leggen - rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat uit het contract zal blijken dat slechts het beheer van de woning is overgedragen, zodat ook om die reden geen objectieve grond bestaat voor de vrees dat de uitkomst al bij voorbaat vast staat. Ten slotte wijst de kantonrechter erop, dat [verzoekster] er aan voorbij gaat dat het vonnis ook elementen in haar voordeel bevat. In de visie van de kantonrechter zijn er in het vonnis dan ook geen zwaarwegende redenen te vinden voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, partijdigheid of bevooroordeeldheid.

5 De beoordeling

5.1.

Artikel 36 Rv bepaalt, dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv geldt als uitgangspunt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Naast persoonlijke vooringenomenheid, kan van een gebrek aan onpartijdigheid - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van een rechter - ook sprake zijn, indien bepaalde feiten of omstandigheden de objectief gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Derhalve zal worden beoordeeld of het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbrak, althans of de vrees daartoe bij [verzoekster] objectief gerechtvaardigd was.

5.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer rechtvaardigt hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 1 oktober 2014 niet het oordeel dat de kantonrechter jegens [verzoekster] vooringenomenheid koestert, noch dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt. De wrakingkamer neemt daarbij het volgende in aanmerking.

5.5.

Voorop gesteld dient te worden, dat een verzoek tot wraking niet behoort te worden gebruikt om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen verzet zich daartegen. Zelfs indien een rechterlijke beslissing al als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen reden om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Slechts dan kan aanleiding bestaan om vooringenomenheid te vermoeden, indien de door de rechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

5.6.

In het vonnis van 1 oktober 2014 wordt overwogen dat [verzoekster] op ongeloofwaardige wijze heeft ontkend dat er een schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt aan de overname van de portefeuille van [voormalig beheerder] door [verzoekster]. Anders dan [verzoekster] kennelijk meent, betreft dit geen bedenking van de kantonrechter die een objectieve vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigt, maar een oordeel van de kantonrechter dat er geen geloof wordt gehecht aan de ontkenning van het bestaan van een dergelijke schriftelijke overeenkomst. Het behoort tot de wettelijke taak van een rechter om onder meer te oordelen over de geloofwaardigheid van stellingen en ontkenningen, welk oordeel ook kan worden gegeven in een tussenvonnis. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis ook gemotiveerd om welke redenen voornoemde ontkenning zijdens [verzoekster] ongeloofwaardig wordt geacht, onder meer door aan te geven dat deze ontkenning ongemotiveerd is geschied en voorts in tegenspraak is met de inhoud van de brief van [verzoekster] van 21 december 2009. Deze beslissing en de motivering waarop zij is gestoeld, zijn niet zo onbegrijpelijk dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

5.7.

Uit het tussenvonnis van 1 oktober 2014 volgt, dat wordt vermoed dat een volledige vastgoedportefeuille niet wordt overgenomen zonder dat daaraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt en dat een professioneel vastgoedkantoor als [verzoekster] een dergelijke overname gemakkelijk schriftelijk moet kunnen aantonen. Ook hier geldt, dat dit door de kantonrechter gemotiveerde vermoeden geen objectieve vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigt Daarbij komt, dat zelfs al zou in het onderhavige geval voornoemd vermoeden onjuist (blijken te) zijn, dit op zichzelf geen reden is om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is, zoals hiervoor reeds is overwogen onder punt 5.5.. Bovendien staat het bevel ex artikel 22 Rv om het betreffende contract in het geding te brengen, er niet aan in de weg dat [verzoekster] van die gelegenheid gebruik maakt om alsnog gemotiveerd uiteen te zetten dat –en waarom- een dergelijk schriftelijk stuk in casu ontbreekt en bewijs te leveren of aan te bieden van haar stellingen dienaangaande.

5.8.

Om dezelfde redenen als hiervoor in r.o. 5.7. uiteen zijn gezet, kan [verzoekster] evenmin in haar betoog worden gevolgd, dat de kantonrechter met voornoemd vermoeden zich een persoonlijk (voor)oordeel aanmeet over de werkwijze van [verzoekster] dat duidt op vooringenomenheid.

5.9.

[verzoekster] meent verder dat de kantonrechter blijk geeft van persoonlijke negatieve gedachten bij het niet kunnen overleggen van een schriftelijke overeenkomst door [verzoekster], nu in het tussenvonnis onder r.o. 5.4. wordt overwogen: “Dat levert grond voor het vermoeden dat [verzoekster] wil voorkomen dat kennis wordt genomen van het contract tussen haar en [voormalig beheerder].(…) Wellicht wil [verzoekster] verbergen dat uit het contract blijkt dat zij de verhuur van de woning heeft overgenomen.”

Ook ten aanzien van dit vermoeden geldt, dat daaruit geen persoonlijke vooringenomenheid blijkt, noch dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Uit het tussenvonnis blijkt dat dit vermoeden is ingegeven door de ongeloofwaardig geachte ongemotiveerde ontkenning van het bestaan van een schriftelijke overeenkomst ter zake de overname van de vastgoedportefeuille, welke ontkenning volgens de kantonrechter op gespannen voet staat met de inhoud van de brief van [verzoekster] van 21 december 2009, terwijl [verzoekster] voorts heeft nagelaten uit te leggen wat er volgens haar dan wel zou zijn gebeurd. Dat de kantonrechter aan voornoemde omstandigheden het vermoeden heeft ontleend zoals verwoord in het tussenvonnis, is - gelet op de motivering waarop dit vermoeden is gebaseerd - niet zo onbegrijpelijk dat daaruit persoonlijke vooringenomenheid blijkt, noch dat daardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

5.10.

De conclusie luidt dan ook, dat hetgeen door [verzoekster] aan haar wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd, ontoereikend is - ook wanneer dit in onderling verband en samenhang wordt bezien - om het oordeel te wettigen dat de bij [verzoekster] bestaande vrees dat de kantonrechter ten aanzien van haar (persoonlijke) vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Hetgeen overigens door [verzoekster] nog aan haar wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd, noopt niet tot een andersluidend oordeel.

Het vorenstaande betekent dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaak-/rolnr.: 2853504 / 14-1586 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J.E. Poerink, mr. M. Steenbeek, en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.