Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9015

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
AWB-14_3647
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag medewerker stadsreiniging na veroordeling door strafrechter in verband met bezit en invoer verdovende middelen en psychotrope stoffen. Ontslag kan niet rusten op gedragingen die niet ten laste zijn gelegd. Strafontslag niet onevenredig. Werkgever is na bekend worden veroordeling voldoende voortvarend tot non-actiefstelling en ontslag overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/3647 AW

uitspraak van 16 december 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], het college.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 mei 2014 (bestreden besluit) van het college inzake onvoorwaardelijk strafontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 november 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [naam gemachtigde] en door het afdelingshoofd van het [naam afdeling] [naam afdelingshoofd].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was vanaf 1 juli 2009 werkzaam als medewerker stadsreiniging in dienst van de gemeente [naam gemeente]. Hij is van 1 februari 2013 tot 27 maart 2013, op verdenking van een drugsgerelateerd misdrijf, gedetineerd geweest in de strafinrichting in Turnhout, België. In verband daarmee is hij vanaf 5 februari 2013 niet op het werk verschenen en met ingang van die datum heeft het college de loondoorbetaling stopgezet.

Nadat eiser op 27 maart 2013 in vrijheid is gesteld heeft hij zich op 2 april 2013 bij zijn teammanager gemeld. Met ingang van 15 april 2013 is eiser weer tot het werk toegelaten en is de loondoorbetaling hervat.

In het kader van een door het college ingesteld onderzoek is eiser gevraagd het volledige dossier met betrekking tot inhechtenisneming en vrijlating aan te leveren bij de teammanager, en hem is de verplichting opgelegd om de teammanager op de hoogte te stellen van nieuwe feiten of ontwikkelingen.

Op 26 september 2013 is met eiser een voortgangsgesprek gevoerd. Hij heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2013 waarschijnlijk moet voorkomen en dat hij in de tussentijd niets meer heeft vernomen. Aan eiser is voorgehouden dat het vonnis in de strafzaak van grote betekenis kan zijn voor zijn aanstelling.

Op 22 oktober 2013 heeft eiser in een gesprek verklaard dat hij op 17 oktober 2013 moest voorkomen, dat hem een straf van 12 maanden detentie is opgelegd waarvan 6 maanden voorwaardelijk en dat daarnaast een geldboete is opgelegd van € 4.200,-. In verband met de duur van de voorlopige hechtenis komt de onvoorwaardelijke detentie te vervallen. Eiser heeft verklaard dit vonnis niet op papier te hebben. De teammanager was er evenwel van op de hoogte dat op de zitting een schriftelijk stuk is uitgereikt aan eisers advocaat, en heeft eiser gevraagd uiterlijk 24 oktober 2014 een volledig schriftelijk vonnis te overhandigen. Eiser is nogmaals gewezen op de verplichting openheid van zaken te geven.

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft het college eiser het voornemen voorgehouden om, als na onderzoek de feiten vaststaan, een disciplinaire straf op te leggen. Eiser heeft op 5 november 2013 gebruik gemaakt van de gelegenheid zich mondeling te verantwoorden. Hij is met ingang van die datum op non-actief gesteld.

Bij besluit van 10 december 2013 (primair besluit) heeft het college eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, omdat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende gedragingen:

- hij is aangehouden en gearresteerd op verdenking van betrekking tot onder meer het bezit en de invoer van verdovende middelen en psychotrope stoffen;

- hij heeft van 1 februari 2013 tot 27 maart 2013 in detentie gezeten;

- hij een strafbaar feit heeft gepleegd waarvoor hem een straf is opgelegd van detentie en een geldboete;

- hij heeft nagelaten volledige openheid van zaken te geven;

- hij heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd;

- hij heeft zich niet als een goed ambtenaar, in strijd met de ambtseed en met de gedragslijn integriteit gedragen.

Het college heeft die gedragingen als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt. Eiser is ontslagen met ingang van 11 december 2013.

Eiser heeft in bezwaar tegen het primaire besluit ontkend dat hij zich niet als goed ambtenaar heeft gedragen. Eiser meent voldoende openheid van zaken te hebben gegeven. Zijn verplichtingen als ambtenaar worden begrensd door het recht op privacy. Eiser ontkent dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is buiten proportie en in onvoldoende mate gemotiveerd.

Eiser heeft in bezwaar voorts gewezen op zijn goede beoordelingen. Hij is na de detentie weer ‘gewoon’ aan het werk gegaan en heeft, terwijl de vele feiten en omstandigheden al bekend waren, zijn reguliere werkzaamheden kunnen uitvoeren. De stelling dat het vertrouwen in eisers functioneren is geschaad behoeft nuancering. Het college wist vanaf 17 oktober 2013 wat eiser is verweten en welke straf is opgelegd. Toch kon eiser tot 8 november 2013 gewoon werken.

Eiser heeft op de hoorzitting het vonnis van de strafrechter aan het college ter beschikking gesteld.

Bij het bestreden besluit heeft het college, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college zijn bezwaren ten onrechte ongegrond heeft verklaard en hij heeft verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd.

3. In artikel 16:1:1, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente [naam gemeente] (AVR) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinaire kan worden gestraft.

In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Volgens artikel 8:13 van de AVR kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

4. De rechtbank zal allereerst moeten vaststellen of het college op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim op grond waarvan hem strafontslag is verleend. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 24 februari 2011 (ECLI: NL:CRVB:2011: BP5986), moet de bestuursrechter in ambtenarenzaken de overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan.

5. Eiser is in de brief van het college van 28 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden voor het volgende:

In februari 2013 bent u in België aangehouden en vervolgens in verdenking gesteld door de Belgische autoriteiten wegens inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen, namelijk bezit, invoer en aanmaak en bendevorming.

In dat kader heeft u in de periode van 2 februari 2013 tot 26 maart 2013 in de gevangenis van Turnhout in hechtenis gezeten.

Op 22 oktober 2013 zijn wij mondeling in kennis gesteld van het vonnis dat door de rechtbank Turnhout op 17 oktober 2013 aan u is opgelegd vanwege uw aanhouding en in verdenkingstelling. Dit vonnis luidt 12 maanden detentie waarvan 6 maanden onvoorwaardelijk en 6 maanden voorwaardelijk. En daarnaast is u een geldboete opgelegd van € 4.200,.”

Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 13 oktober 1994 (ECLI:NL:CRVB:1994: ZB5112), moet een ambtenaar, die wordt geconfronteerd met het voornemen tot strafoplegging, duidelijk zijn ter zake van welk handelen of nalaten hij zich dient te verantwoorden. Het eiser verleende ontslag kan dan ook niet berusten op andere dan de in de brief van 28 oktober 2013 beschreven gedragingen, derhalve niet op het nalaten openheid van zaken te geven en het afleggen van tegenstrijdige verklaringen. Dat, zoals namens het college ter zitting is opgemerkt, eiser heeft kunnen reageren op het verslag van de hoorzitting maakt dat niet anders. Het college had de nieuw gebleken feiten in een nieuwe tenlastelegging aan eiser kunnen voorhouden en hem in de gelegenheid kunnen stellen zich voor die gedragingen te verantwoorden. De rechtbank zal derhalve beoordelen hetgeen in het voornemen van 28 november 2013 aan eiser ten laste is gelegd.

6. Eiser heeft niet betwist dat hij wegens inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen in de periode van 2 februari 2013 tot 26 maart 2013 in hechtenis heeft gezeten en vervolgens voor deze inbreuken is veroordeeld door de strafrechter te Turnhout. Naar het oordeel van de rechtbank is die gedraging voldoende komen vast te staan en aan te merken als zeer ernstig plichtsverzuim.

Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven die gedraging niet verwijtbaar te achten, zodat het college bevoegd was eiser ter zake van plichtsverzuim disciplinair te straffen.

7. De vraag of de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het in overweging 6 beschreven plichtsverzuim beantwoordt de rechtbank gelet op de ernst van het plichtsverzuim ontkennend.

Dat de beoordelingen van eiser steeds voldoende zijn geweest, zoals hij heeft aangevoerd, hoeft het college geen aanleiding te geven af te zien van strafontslag.

Dat eiser vanaf april 2013 tot november 2013 zijn werkzaamheden weer heeft verricht vormt evenmin een beletsel voor het verlenen van strafontslag. Uit de informatie waar het college over beschikte hoefde het college tot 17 oktober 2013 niet duidelijk te zijn dat eiser zich daadwerkelijk aan strafbare feiten had schuldig gemaakt, en om welke strafbare feiten het ging. Dat het college onder die omstandigheid met eisers belangen rekening heeft gehouden door hem vooralsnog het voordeel van de twijfel te geven, vormt geen beletsel voor het alsnog verlenen van strafontslag. Te meer niet nu het college, toen de veroordeling op 17 oktober 2013 bekend werd, voortvarend tot non-actiefstelling en ontslag is overgegaan.

8. De handhaving van het onvoorwaardelijk strafontslag kan dan ook in rechte stand houden.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen en mr. D.H. Hamburger, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.