Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:9010

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
3169923
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bodemrecht fiscus. Onrechtmatige uitoefening van het bodemrecht. Schatting van de schade.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 22
Leidraad Invordering 2008
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2078
JOR 2015/270
INS-Updates.nl 2015-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 3169923 / 14-3977

vonnis van de kantonrechter d.d. 10 december 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

verder te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. R.A.A. Maat,

t e g e n :

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MEER IN HET BIJZONDER HET MINISTERIE VAN FINANCIËN, BELASTINGDIENST ZUID-WEST KANTOOR GOES,

gevestigd te Goes,

gedaagde partij,

verder te noemen: de belastingdienst,

gemachtigde: P.H.H. Nicolasen.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 16 juni 2014,

- conclusie van antwoord,

- tussenvonnis van 20 augustus 2014,

- comparitie van partijen.

de beoordeling van de zaak

1. In het tussenvonnis is een comparitie van partijen gelast die plaatshad op 7 november 2014. Ter comparitie waren alleen de gemachtigden van partijen aanwezig. Zij hebben hun standpunten toegelicht. Een schikking werd niet bereikt.

2.1.

Bij overeenkomst van 2 september 2012, aangeduid als bruikleenovereenkomst, verhuurde [eiseres] aan de commanditaire vennootschap “Tweewieler-Discount” (verder: Tweewieler-Discount) de roerende zaken als vermeld op de bijbehorende inventarislijst. De overeenkomst bepaalt onder meer dat, zakelijk weergegeven:

- [eiseres] de zaken ter beschikking stelt voor het voeren van een fietsenwinkel in de vestiging van Tweewieler-Discount (artikel 1),

- [eiseres] verklaart eigenaar te zijn van de zaken (artikel 2),

- de overeenkomst wordt aangegaan voor vijf jaar vanaf 2 september 2012 (artikel 3),

- de vervangingswaarde van de zaken voor de duur van de overeenkomst wordt gesteld op € 10.000,-- (artikel 4),

- de huur € 50,-- per maand bedraagt (artikel 5),

- Tweewieler-Discount verplicht is de zaken op haar kosten te onderhouden of te vervangen, tegen diefstal en brand te verzekeren en verzekerd te houden (artikel 6).

2.2.

Op 22 november 2013 en 24 januari 2014 heeft de belastingdienst ten laste van Tweewieler-Discount executoriale beslagen gelegd wegens aanslagen omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting. De fiscale schuld van Tweewieler-Discount beliep ruim € 30.000,--, grotendeels omzetbelasting. Door het beslag zijn zaken getroffen die [eiseres] had verhuurd aan Tweewieler-Discount.

2.3.

Namens [eiseres] werd op 22 januari 2014 beroep ingesteld bij de belastingdienst tegen inbeslagneming van haar zaken en de eventuele executie daarvan. De belastingdienst verklaarde op 4 maart 2014 het beroep wegens te late indiening niet-ontvankelijk. Bij inhoudelijke beoordeling kwam de belastingdienst ambtshalve aan het beroep tegemoet voor zover beslag is gelegd voor motorrijtuigenbelasting en voor het overige niet.

2.4.

De belastingdienst heeft de inbeslaggenomen en door [eiseres] aan Tweewieler-Discount verhuurde zaken executoriaal verkocht op 15 mei 2014. De opbrengst bedroeg € 1.900,--.

3. [eiseres] vordert, samengevat weergegeven:

- primair: de veroordeling van de belastingdienst tot opheffing van de beslagen en tot afgifte van de door [eiseres] aan Tweewieler-Discount verhuurde zaken,

- subsidiair: de veroordeling van de belastingdienst tot betaling van € 10.000,-- als schadevergoeding met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2014,

- primair en subsidiair: de veroordeling van de belastingdienst in de proceskosten.

4. [eiseres] stelt dat het beslag op de door haar aan Tweewieler-Discount verhuurde zaken onrechtmatig is. De belastingdienst bestrijdt de vordering en de daarvoor aangevoerde gronden. De standpunten van partijen komen voor zover nodig in het vervolg van dit vonnis aan de orde.

5.1.

De belastingdienst stelt dat de vordering niet-ontvankelijk is omdat:

- na de uitspraak van de belastingdienst van 4 maart 2014 (zie overweging 2.3) er geen beroepsmogelijkheden meer zijn,

- het executiegeschil niet tot de competentie van de kantonrechter behoort,

- [eiseres] geen belang heeft bij het verzet tegen het beslag omdat de executoriale verkoop al heeft plaatsgehad,

- ten onrechte de Staat is gedagvaard in plaats van de ontvanger van de belastingdienst,

- ten onrechte niet ook Tweewieler-Discount is gedagvaard op grond van artikel 238 lid 5 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

5.2.

De kantonrechter zal [eiseres] in haar primaire vordering niet-ontvankelijk verklaren. Omdat de executoriale verkoop al heeft plaatsgehad, heeft zij geen belang bij die vordering. Voor het overige is er geen grond haar in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De belastingdienst miskent dat zij schadevergoeding vordert wegens onrechtmatige beslaglegging en de vordering door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.

6.1.

Artikel 22 Invorderingswet 1990 komt erop neer dat de belastingdienst bepaalde belastingschulden mag verhalen op roerende zaken tot stoffering die zich tijdens beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ook als zij niet aan de belastingschuldige in eigendom toebehoren. Dit zogenaamde bodemrecht strekt ertoe te waarborgen dat de belastingdienst, ondanks eventuele rechten van een derde, op een inbeslaggenomen zaak zich overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof de zaak aan de belastingschuldige toebehoort, met name indien deze rechten van de derde zijn gevestigd met het oog op zekerheid voor de nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige jegens deze derde.

6.2.

Voor de uitoefening van het bodemrecht door de belastingdienst is in beginsel voldoende dat de zaken waarop het recht wordt uitgeoefend zijn aan te merken als bodemzaken in de zin van artikel 22 Invorderingswet 1990. In dat geval kan de belastingdienst zijn bodemrecht uitoefenen, tenzij het in de Leidraad invordering 2008 bedoelde geval zich voordoet dat die zaken in reële eigendom toebehoren aan een derde.

6.3.

De Leidraad invordering 2008 houdt voor zover nu van belang onder meer in (onderdeel 22.8.10):

a. het eigendomsrecht van een derde wordt ontzien in die gevallen waarin sprake is van reële eigendom van de derde. Daaronder wordt verstaan de situatie waarin de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde, als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren,

b. dit terughoudende beleid geldt dus niet als de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de zaken aanleiding geeft deze als zijn zaken aan te merken. Voorbeelden daarvan zijn de gevallen waarin zaken zijn geleverd in huurkoop of onder eigendomsvoorbehoud en gevallen waarin door middel van leasing of andere vormen van huur of bruikleen het economisch risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt,

c. de lessor wordt fiscaal als eigenaar van het lease-object aangemerkt zodat sprake is van reële eigendom indien de lessor zich gedraagt als eigenaar van het object, daarvan de juridische eigendom heeft en (positief/negatief) restwaarderisico loopt ten aanzien daarvan,

d. daarnaast zijn er zes situaties waarin geen sprake is van een terughoudend beleid, hoewel sprake kan zijn van reële eigendom van de derde in bovenbedoelde zin.

7.1.

Volgens [eiseres] moet haar eigendom op de inbeslaggenomen zaken worden aangemerkt als reële eigendom als bedoeld in de Leidraad invordering 2008. De belastingdienst bestrijdt dit. Volgens hem blijkt uit het feit dat [eiseres] een schadevergoeding eist van € 10.000,-- dat het economisch risico van waardevermindering en teloorgang van de zaken niet bij haar ligt. In artikel 4 van de huurovereenkomst is bepaald dat de waarde van de zaken € 10.000,-- bedraagt. Artikel 6 bepaalt dat Tweewieler-Discount op haar kosten de zaken dient te onderhouden, verzekeren en vervangen. Terecht is dan ook in de beschikking van 4 maart 2014 geoordeeld dat het economische risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate ligt bij de belastingschuldige.

7.2.

Niet is in geschil dat [eiseres] de juridische eigenaar was van de roerende zaken toen de belastingdienst die in beslag nam en verkocht tot verhaal van vorderingen wegens omzetbelasting op Tweewieler-Discount. Kern van het geschil is of er sprake is van reële eigendom van [eiseres] in de zin van de Leidraad invordering 2008. Dergelijke reële eigendom is niet aan de orde indien het economisch risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate bij Tweewieler-Discount ligt.

7.3.

De artikelen 4 en 6 van de huurovereenkomst fixeren de vervangingswaarde van de zaken op € 10.000,-- en verplichten Tweewieler-Discount die zaken op haar kosten te onderhouden, te vervangen en te verzekeren tegen diefstal en brand. In zoverre komt inderdaad het risico van waardevermindering tijdens de duur van de looptijd van de huurovereenkomst voor risico van Tweewieler-Discount. Daarbij past de kanttekening dat volgens artikel 7: 218 BW de huurder aansprakelijk is voor schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst en dat alle schade, behoudens brandschade, vermoed wordt daardoor te zijn ontstaan. Artikel 7: 224 BW verplicht de verhuurder om het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. De wijziging die de huurovereenkomst brengt in de wettelijke risicoverdeling tussen huurder en verhuurder is dan ook beperkt.

7.4.

Daar staat tegenover dat de huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar en de zaken na het einde daarvan door Tweewieler-Discount weer ter beschikking van [eiseres] moesten worden gesteld. Behoudens het geval van diefstal en brand, bleef het economisch risico van waardevermindering van de zaken, bijvoorbeeld door gebruik, slijtage of veroudering, voor rekening van [eiseres] .

7.5.

Het komt dan ook aan op de vraag of de inbeslaggenomen zaken in economisch opzicht in overwegende mate aan [eiseres] toebehoren, dan wel het economische risico van waardevermindering in overwegende mate bij Tweewieler-Discount ligt. Bij afweging van de feiten en omstandigheden slaat de balans door in het voordeel van [eiseres] . De kantonrechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

7.5.1.

Niet in geschil is dat tussen [eiseres] en Tweewieler-Discount een reële huurovereenkomst bestond vanaf 2 september 2012. Anders dan bij huurkoop of levering onder eigendomsvoorbehoud, is het uitgangspunt dat de verhuurder niet alleen de eigendom behoudt, maar ook dat de verhuurde zaak in overwegende mate aan hem toebehoort in economisch opzicht. Dit laatste wordt anders bij vormen van huur waarbij het economisch risico van waardevermindering in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt.

7.5.2.

Zoals overwogen, brengt de huurovereenkomst tussen [eiseres] en Tweewieler-Discount een beperkte wijziging in de wettelijke risicoverdeling tussen huurder en verhuurder. Het risico van verlies of waardevermindering door diefstal of brand, komt gering voor in verhouding tot het risico van economisch verlies door andere oorzaken, zoals gebruik, slijtage of veroudering. Het tegendeel is in ieder geval niet gesteld of gebleken.

7.5.3.

De uitoefening van het bodemrecht is een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom van degene op wiens zaak het wordt uitgeoefend. Dat ongestoord genot wordt beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het begrip eigendom is daarbij niet beperkt tot de juridische eigendom. De bescherming van ongestoord genot van eigendom tast niet het recht van een Staat aan om die wetten toe te passen die hij nodig oordeelt om betaling van belastingen te verzekeren. Die inbreuk moet wel proportioneel zijn. Ook dient de inbreuk voldoende voorzienbaar te zijn. Dit brengt mee dat in die gevallen waarin zowel het economische risico van waardevermindering in enige mate bij de belastingschuldige ligt als bij de juridische eigenaar, het bodemrecht slechts mag worden uitgeoefend wanneer duidelijk is dat het economisch risico van waardevermindering in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt.

7.6.

Niet gesteld of gebleken is dat een van de zes situaties zich voordoet waarin geen sprake is van een terughoudend beleid, hoewel sprake kan zijn van reële eigendom van de derde (zie overweging 6.3 onder d).

8.1.

Uit het voorgaande volgt dat de belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door het bodemrecht uit te oefenen op de door [eiseres] aan Tweewieler-Discount verhuurde zaken. Hij is tot schadevergoeding gehouden.

8.2.

De omvang van de vermogensschade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand die nu bestaat na onrechtmatige uitoefening van het bodemrecht en de toestand die zou hebben bestaan indien die uitoefening achterwege zou zijn gebleven.

8.3.

Dat de inbeslaggenomen zaken een waarde vertegenwoordigden van € 10.000,-- is onvoldoende gemotiveerd. Ter comparitie is gebleken dat het gaat om oude zaken, waarvan onaannemelijk is dat zij een waarde vertegenwoordigden van dit bedrag. Ook overigens zijn onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te komen tot een begroting van de schade.

8.4.

De kantonrechter zal dan ook de omvang van de schade schatten. De opbrengst bij executoriale verkoop bedroeg € 1.900,--. Het is algemeen bekend dat een dergelijke opbrengst gering is vergeleken met de economische waarde van de verkochte zaken. Bij wijze van schatting houdt de kantonrechter het ervoor dat de economische waarde 50% hoger ligt dan de opbrengst, zodat de schade uitkomt op € 2.850,--. Over dit bedrag is de niet weersproken rente toewijsbaar vanaf 22 januari 2014.

9. De belastingdienst wordt aangemerkt als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij en dient in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de belastingdienst om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.850,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2014 tot de dag der voldoening;

veroordeelt de belastingdienst in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiseres] tot op heden worden begroot op € 520,80 waaronder begrepen een bedrag van € 350,-- wegens salaris van de gemachtigde van [eiseres] ;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart [eiseres] in de vordering tot opheffing van de beslagen en tot afgifte van de door [eiseres] aan Tweewieler-Discount verhuurde zaken niet-ontvankelijk;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.