Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8964

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
AWB - 12 _ 6204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KBL: 28 uitspraken

Erflater is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij KBL Luxemburg. Belanghebbenden hebben in de beroepsfase in 2013 informatie verstrekt over de rekening waarna de opgelegde (navorderings)aanslagen ambtshalve zijn vernietigd of verminderd. De rechtbank oordeelt dat:

- het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2007 niet-ontvankelijk moet worden verklaard,

- de renseignementen niet als onrechtmatig moeten worden aangemerkt nu belanghebbenden niet aannemelijk maken dat de Nederlandse overheid betrokken is geweest bij enig frauduleus gedrag met betrekking tot de microfiches,

- de navorderingsaanslagen voortvarend zijn opgelegd,

- erflater te kwader trouw was zodat navordering over 2005 is gerechtvaardigd,

- de overschrijding van de redelijke termijn van 100 maanden aan de Minister en de inspecteur dient te worden toegerekend. De rechtbank ziet echter aanleiding om de behandelingsduur van de procedure bij Hof ‘s-Hertogenbosch deels voor rekening van de Minister te laten komen. Schadevergoeding € 8.500. Deze wordt toegekend aan de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 12/6204 tot en met 12/6225

AWB 12/6227, 12/6229 tot en met 12/6234

uitspraak van 22 december 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Erven van [X], domicilie kiezende te Maastricht,

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan [X] (hierna: erflater) de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV)

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

12/6204

1990

H08

31-12-2002

12/6205

1991

H18

31-05-2003

12/6206

1992

H28

31-05-2003

12/6207

1993

H38

31-05-2003

12/6208

1994

H48

31-05-2003

12/6209

1995

H58

31-05-2003

12/6210

1996

H67

06-06-2003

12/6211

1997

H77

06-06-2003

12/6212

1998

H87

06-06-2003

12/6213

1999

H97

06-06-2003

12/6214

2000

H07

06-06-2003

12/6225

2001

H17

28-01-2004

12/6227

2002

H27

28-01-2004

12/6229

2003

H36

31-10-2005

12/6230

2004

H47

31-10-2007

12/6231

2005

H57

06-12-2007

126232

2006

H66

30-06-2009

12/6233

2007

H76

31-05-2010

12/6234

2008

H86

13-08-2010

Vermogensbelasting (hierna: VB)

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

12/6215

1991

K18

31-12-2002

12/6216

1992

K28

31-05-2003

12/6217

1993

K38

31-05-2003

12/6218

1994

K48

31-05-2003

12/6219

1995

K58

31-05-2003

12/6220

1996

K68

31-05-2003

12/6221

1997

K77

06-06-2003

12/6222

1998

K87

06-06-2003

12/6223

1999

K97

06-06-2003

12/6224

2000

K07

06-06-2003

1.2.

Bij de voormelde (navorderings)aanslagen zijn verhogingen (met kwijtschelding), danwel boeten (hierna: boeten) opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

De inspecteur heeft op 15 december 2004 in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan betreffende de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2002 en VB 1991 tot en met 2000. De aanslagen en beschikkingen zijn gehandhaafd.

1.4.

Erflater is door middel van één beroepschrift in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar bij Hof ’s-Hertogenbosch. Het Hof heeft het beroep, bij uitspraak van 10 december 2010 gegrond verklaard, de uitspraken vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur wegens schending van de hoorplicht. Hierbij is de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van erflater met inachtneming van de uitspraak van het Hof.

1.5.

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De cassatiemiddelen zijn alle gericht tegen de proceskostenbeslissing. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, bij arrest van 14 oktober 2011 met toepassing van art. 81 Wet RO, ongegrond verklaard.

1.6.

Nadat belanghebbenden op 3 oktober 2012 zijn gehoord, heeft de inspecteur bij brief van 15 november 2012, gevolgd door de verminderingsbeschikkingen met dagtekening 15 november 2012, inzake alle (navorderings)aanslagen uitspraken op bezwaar gedaan. De boeten zijn daarbij vernietigd in verband met het overlijden van erflater.

1.7.

Belanghebbenden hebben bij brief van 13 november 2012, ontvangen bij de rechtbank op 14 november 2012, pro forma beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 42. Het beroepschrift is bij brief van 28 december 2012, ontvangen bij de rechtbank op 31 december 2012, gemotiveerd.

1.8.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014 te Breda. Voor de behandelde procedurenummers, het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal van de zitting die in afschrift op 25 februari 2014 naar partijen zijn gezonden. Namens belanghebbenden is ter zitting een pleitnota voorgedragen en zijn exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.11.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft belanghebbenden in de gelegenheid gesteld te reageren op de nieuwe berekeningen van de inspecteur. Partijen hebben verklaard dat een nadere zitting achterwege kan blijven.

1.12.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.13.

Op verzoek van belanghebbenden heeft op 23 mei 2014 te Breda een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is de getuige [getuige] gehoord. Van het verder ter zitting verhandelde zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

1.14.

De inspecteur heeft na de zitting herziene berekeningen naar de rechtbank gezonden. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbenden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen twaalf weken aangekondigd. Bij brieven van 15 juli 2014 en 30 september 2014 heeft de rechtbank deze termijn verlengd en aangekondigd dat zo spoedig mogelijk schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Erflater, geboren op [datum], is op [datum] 2010 overleden. Erflater was tot zijn overlijden gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Erflater was beschreven voor de inkomsten- en vermogensbelasting en heeft aangifte voor die middelen gedaan. In de aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL).

2.3.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KBL.

2.4.

Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.5.

Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994
(…)

52-[rekeningnummer]-85-0000 00 0010 VUE [X - Y] 221,89

(…)

53-[rekeningnummer]-74-0000 00 0040 VUE [X - Y] 2.006,44

(…)

55-[rekeningnummer]-31-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 133.097,86”.

2.6.

Door [medewerker], medewerker van de FIOD-ECD, is op 23 september 2002 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van deze rekeningen bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts de combinatie van de erflater, gehuwd met de echtgenote, als rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking.

2.7.

De inspecteur heeft erflater bij brief van 8 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Met dagtekening 14 januari 2002 heeft de inspecteur aan erflater een rappel vragenbrief gezonden. De gemachtigde van erflater heeft bij brief van 14 januari 2002 geantwoord dat cliënt “zich thans niet herinnert na 1 januari 1990 houder te zijn geweest van een bankrekening in het buitenland”. Hierbij verzocht gemachtigde om inzage van informatie.

2.8.

Nadat de inspecteur bij brief van 24 januari 2002 gerappelleerd heeft, heeft de gemachtigde bij brief van 25 januari 2002 een klacht ingediend vanwege de weigering om informatie te verstrekken onder verwijzing naar de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB).

2.9.

Bij brief van 9 april 2002 heeft de inspecteur erflater onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) nogmaals verzocht de bij brief van 8 januari 2002 gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft de inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. In reactie hierop heeft de gemachtigde per brief van 8 mei 2002 een klacht ingediend omdat de inspecteur nog geen WOB-besluit had genomen. Bij brief van 24 september 2012 heeft de staatssecretaris het WOB-verzoek van erflater afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar is ook afgewezen.

2.10.

Bij brief van 15 november 2002 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten aangekondigd met kennisgeving dat boeten zouden worden opgelegd van 100% van de meer verschuldigde belasting (artikel 67g en 67k AWR). De gemachtigde heeft hierop bij brief van 20 november 2002 gereageerd. De navorderingsaanslagen zijn op 31 december 2002 opgelegd.

2.11.

Nadat namens erflater bij brief van 24 december 2002 bezwaar is ingesteld tegen de navorderingsaanslagen, is het bezwaar bij brief van 19 februari 2003 gemotiveerd.

2.12.

De inspecteur heeft bij brief van 17 april 2003 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2000 en VB 1992 tot en met 2000 met boeten aangekondigd. De aanslagen en boeten zijn met dagtekening 31 mei 2003 en 6 juni 2003 opgelegd.

2.13.

Namens erflater is bij brief van 6 juni 2003 tegen de onder 2.12 genoemde navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschriften heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met het aanhouden van de bezwaren in afwachting van de onherroepelijke uitspraak van, onder andere, de procedure Nauta Dutilh.

2.14.

Bij brief van 16 januari 2004 heeft de inspecteur voor alle cliënten van de gemachtigde een aanspreekpunt aangewezen en een informatieset naar de gemachtigde verstuurd.

2.15.

In juni en juli 2004 hebben partijen over en weer schriftelijk en telefonisch contact gehad over de inhoudelijke motivering van de inspecteur en het eventueel te houden hoorgesprek tussen partijen. Bij brieven van 11 december 2003 heeft de inspecteur aangekondigd navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 2001 en 2002 en daarbij boeten op te leggen. Deze aanslagen zijn met dagtekening 28 januari 2004 opgelegd. Namens erflater is hiertegen bezwaar gemaakt.

2.16.

Op 15 december 2004 heeft de inspecteur in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan betreffende de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2002 en VB 1991 tot en met 2000. Namens erflater is daartegen op 22 december 2004 beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

2.17.

De inspecteur is afgeweken van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2008 van de echtgenote en heeft aan erflater onderhavige aanslagen opgelegd. De beslissingen op de namens erflater ingediende bezwaarschriften zijn aangehouden in afwachting van het resultaat van het ingestelde beroep.

2.18.

Nadat het arrest van de Hoge Raad (zie 1.5) was gewezen, heeft de inspecteur belanghebbenden op 3 oktober 2012 gehoord en uitspraken op bezwaar gedaan.

2.19.

Namens de inspecteur zijn in kort geding gegevens over de buitenlandse bankrekening gevorderd. In juni en december 2013 zijn de gegevens alsnog overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur nieuwe berekeningen van de (navorderings)aanslagen gemaakt en deze bij brieven van 14 januari 2014, 7 mei 2014 en 26 mei 2014 naar de gemachtigde verzonden. De nieuwe berekeningen resulteren in vermindering van de aanslagen conform het volgende overzicht (in euro’s):

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV)

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

(navorderings)aanslag

Heffingsrente

12/6204

1990

H08

ƒ 4.250

ƒ 2.019

12/6205

1991

H18

ƒ 4.462

ƒ 1.744

12/6206

1992

H28

ƒ 6.860

ƒ 1.553

12/6207

1993

H38

ƒ 5.345

ƒ 1.502

12/6208

1994

H48

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6209

1995

H58

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6210

1996

H67

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6211

1997

H77

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6212

1998

H87

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6213

1999

H97

Gehandhaafd

gehandhaafd

12/6214

2000

H07

ƒ 4.467

ƒ 401

12/6225

2001

H17

€ 1.023

€ 64

12/6227

2002

H27

€ 1.444

€ 43

12/6229

2003

H36

€ 1.226

€ 94

12/6230

2004

H47

€ 183

€ 38

12/6231

2005

H57

€ 491

€ 42

126232

2006

H66

€ -1.310

€ 0

12/6233

2007

H76

€ -1.085

€ -684

12/6234

2008

H86

€ -1.791

€ 0

Daarbij heeft de inspecteur opgemerkt dat bij de aanslagen die resulteren in een terug te geven belastingbedrag, dit zijn de aanslagen IB/PVV 2006 tot en met 2008, de herberekende bedragen aan heffingsrente niet volledig zijn nu nog heffingsrente dient te worden vergoed over het terug te geven bedrag tot aan de verminderingsdatum.

Vermogensbelasting (hierna: VB)

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

(navorderings)aanslag

heffingsrente

12/6215

1991

K18

ƒ 456

ƒ 216

12/6216

1992

K28

ƒ 464

ƒ 181

12/6217

1993

K38

ƒ 592

ƒ 196

12/6218

1994

K48

ƒ 888

ƒ 249

12/6219

1995

K58

ƒ 384

ƒ 90

12/6220

1996

K68

ƒ 480

ƒ 100

12/6221

1997

K77

ƒ 480

ƒ 260

12/6222

1998

K87

0

0

12/6223

1999

K97

0

0

12/6224

2000

K07

0

0

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffingsrente terecht zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Is het gebruik van de door de inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig en heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

  3. Is de navorderingsaanslag IB/PVV over 2005 terecht opgelegd?

  4. Tot welk bedrag hebben belanghebbenden recht op een vergoeding voor immateriële schade?

  5. Tot welk bedrag hebben belanghebbenden recht op een (proces)kostenvergoeding?

De bedragen van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen heffingsrente, zoals de inspecteur deze heeft genoemd in de bijlagen van zijn brieven van 14 januari 2014, 7 mei 2014 en 26 mei 2014 aan de rechtbank, zijn tussen partijen niet in geschil.

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en de processen-verbaal van het verhandelde op de zittingen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Gelet op de in 2.19 genoemde, en tussen partijen niet in geschil zijnde, bedragen van de (navorderings)aanslagen dienen de navorderingsaanslagen VB 1998 tot en met VB 2000 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente te worden vernietigd. Datzelfde geldt voor de in rekening gebrachte heffingsrente bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2006 en 2008.

4.2.

Ter zitting van 22 januari 2014 is komen vast te staan dat het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2007 te laat is ingediend en dat belanghebbenden hierbij in verzuim zijn geweest. De inspecteur had het bezwaar dus niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu hij dat niet heeft gedaan, zal de rechtbank dat doen. Dat betekent dat het beroep in zoverre gegrond is; de uitspraak op bezwaar is immers onjuist. De rechtbank zal de uitspraak met betrekking tot IB/PVV 2007 vernietigen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

Onrechtmatig verkregen bewijs en op de zaak betrekking hebbende stukken

4.3.1.

Belanghebbenden stellen dat het door de inspecteur gebezigde bewijs waaruit is afgeleid dat erflater beschikte over een bankrekening bij KBL, onrechtmatig verkregen is. Belanghebbenden stellen in dit kader – zakelijk weergegeven – met name dat [ambtenaar] ([ambtenaar]), ambtenaar van de Belastingdienst, wetenschap had of had kunnen hebben omtrent de onrechtmatige wijze van verkrijging van de microfiches en de ontoelaatbare handelwijze van Belgische overheidsdienaren daarbij, dat [ambtenaar] ten onrechte heeft nagelaten daaromtrent informatie in te winnen, terwijl deze informatie hem wel ter beschikking stond of had kunnen staan en dat hij daarom ten onrechte hierover geen verslag heeft gedaan en/of opgemaakt. Een dergelijk verslag zou, aldus belanghebbenden, tot de stukken van het geding hebben behoord. Ter zitting hebben belanghebbenden het standpunt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, hiertoe beperkt. Volgens belanghebbenden brengt het voorgaande mee dat de (navorderings)aanslagen en beschikkingen dienen te worden vernietigd.

4.3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 21 maart 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2008:BA8179) heeft de Hoge Raad bevestigd dat de microfiches, ook indien zij in België onrechtmatig zouden zijn verkregen, in de Nederlandse fiscale procedures mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet geen reden om in het onderhavige geval hiervan af te wijken. De omstandigheid dat de leider van de projectgroep van de Belastingdienst, [ambtenaar], mogelijk later op de hoogte had kunnen komen of af had kunnen weten van de omstandigheid dat de gegevens in België – naar belanghebbenden stellen – onrechtmatig zijn verkregen, brengt niet met zich mee dat de gegevens voor de Nederlandse Belastingdienst als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Belanghebbenden maken niet aannemelijk dat de Nederlandse belastingdienst, zoals blijkbaar de Belgische overheidsdienaren, op enigerlei wijze direct of indirect betrokken is geweest bij de diefstal of de verduistering van microfiches van KBL of op enige andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KBL heeft geïnitieerd of gefaciliteerd (vergelijk Hof Amsterdam 23 september 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8625). Nu een verslag van [ambtenaar] over informatie die hij had kunnen verkrijgen niet bestaat, vormt dit ook geen stuk van het geding. Van een handelen van de inspecteur in strijd met artikel 8:42 van de Awb is dan ook geen sprake.

Voortvarendheid

4.4.1.

Belanghebbenden hebben gesteld dat de inspecteur ter zake van de navorderingsaanslagen die met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. De aanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1991 tot en met VB 1998 zijn met toepassing van de verlengde navorderingstermijn opgelegd. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.2.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

4.4.3.

De door de inspecteur gebruikte tijd bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in het kader van het Rekeningenproject, waarvan de onderhavige zaken deel uit maken, is onder te verdelen in grofweg drie periodes. Blijkens de gedingstukken zijn op 27 oktober 2000 omvangrijke gegevens met betrekking tot enige duizenden rekeninghouders van KBL aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt. Op basis daarvan is een onderzoekstraject gestart en is het Rekeningenproject opgezet. De op die wijze verkregen gegevens omtrent de mogelijke rekeninghouders zijn aan het einde van het jaar 2001/begin van het jaar 2002 verstrekt aan de inspecteurs onder wie deze rekeninghouders ressorteerden. Op basis van die gegevens is door die inspecteurs vervolgens per geval nader onderzoek aangevangen. Dit heeft geleid tot een eerste contact van de inspecteur met erflater in januari 2002. Gezien de complexiteit en de omvang van het project is de rechtbank van oordeel dat deze periode om de belastingplichtige te identificeren en vervolgens te benaderen met een vragenbrief niet onredelijk lang is.

4.4.4.

De inspecteur heeft in de periode vanaf het sturen van de vragenbrief tot het opleggen van de eerste navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 erflater meermalen verzocht om informatie over de in het buitenland aangehouden bankrekening. Gezien de veelvuldige contacten tussen de inspecteur en (de gemachtigde van) erflater met het doel om inlichtingen te verkrijgen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting acht de rechtbank de periode van ongeveer één jaar tot de dagtekening van de eerste serie navorderingsaanslagen IB/PV 1990 en VB 1991 niet onevenredig lang. Tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen is opgelegd (dagtekening 31 december 2002) en het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen (dagtekening 31 mei 2003 en 6 juni 2003) zijn ongeveer vijf maanden verstreken. De inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat, na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2002, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen. De inspecteur had de hoop en de verwachting dat erflater op een later tijdstip, in de bezwaarfase voor de eerste serie navorderingsaanslagen, wel met nadere gegevens zou komen over de in Luxemburg aangehouden bankrekening, waarna hij de aanslagen naar de juiste bedragen, dus niet schattenderwijs, zou kunnen vaststellen.

In dit verband heeft de inspecteur verder nog aangevoerd dat het praktisch onmogelijk was om de resterende aanslagen tegelijkertijd met, of kort na, de eerste serie aanslagen op te leggen. Om de navorderingsaanslagen over de latere jaren gelijktijdig op te leggen hadden tienduizenden aanslagen extra handmatig opgelegd moeten worden. Dit was onuitvoerbaar. Indien de aanslagen in 2003 zouden worden opgelegd kon een deel daarvan, aldus de inspecteur, via de geautomatiseerde systemen worden opgelegd.

4.4.5.

Vanuit het oogpunt van de door de inspecteur in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is een dergelijke handelwijze - het zorgvuldig willen vaststellen van de navorderingsaanslagen - naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk. Gelet op de contacten tussen erflater en de inspecteur én de tijd die gemoeid was met het opleggen van de navorderingsaanslagen acht de rechtbank de verstreken periode tot de dagtekening(en) van de navorderingsaanslagen niet onevenredig lang. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voortvarend genoeg heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1992 tot en met VB 1998.

Navordering: nieuw feit/kwade trouw (2005)

4.5.1.

Aan erflater is over 2005 een navorderingsaanslag opgelegd. Op grond van artikel 16 van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur.

4.5.2.

Het microfiche is al vóór 2005 bekend geworden, zodat geen sprake is van een nieuw feit dat navordering over 2005 rechtvaardigt.

4.5.3.

Vast staat dat erflater in het onderhavige jaar een bedrag aan vermogen niet in zijn aangifte heeft vermeld (zie 2.2). De rechtbank acht aannemelijk dat erflater wist dat hij dat vermogen in de aangifte diende te vermelden en dat hij dat opzettelijk, dat wil zeggen willens en wetens, heeft nagelaten. Derhalve is sprake van kwade trouw zodat navordering gerechtvaardigd is. Het gelijk met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag is aan de zijde van de inspecteur.

Heffingsrente

4.6.1.

In geschil zijn nog de heffingsrentebeschikkingen die samenhangen met de aan erflater opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 2005 en navorderingsaanslagen VB 1991 tot en met VB 1997. Nadat belanghebbenden alsnog in de beroepsfase stukken van de bankrekeningen hebben overgelegd, heeft de inspecteur bij brieven van 14 januari 2014, 7 mei 2014 en 26 mei 2014 aangegeven dat de navorderingsaanslagen en heffingsrentebeschikkingen moeten worden verminderd conform de gegevens van belanghebbenden. Gelet hierop dienen de beschikkingen heffingsrente die samenhangen met deze navorderingsaanslagen in ieder geval verminderd te worden tot de bedragen genoemd in die brieven.

4.6.2.

Belanghebbenden hebben voor het overige geen concrete bezwaren tegen de heffingsrente ingebracht. De rechtbank is ook niet gebleken dat beschikkingen onjuist zouden zijn vastgesteld.

Immateriële schadevergoeding

4.7.1.

Belanghebbenden hebben verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.7.2.

Gezien de samenhang tussen de navorderingsaanslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat de lange behandelingsduur éénmaal heeft geleid tot spanning en frustratie bij erflater en de echtgenote waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen wegens (redelijke) termijnoverschrijding en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Hoewel erflater voor zijn overlijden niet om een vergoeding van de immateriële schade heeft verzocht en de erven dit pas bij de motivering van het beroep bij brief van 28 december 2012 hebben gedaan is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden dat de rekening op naam van de erflater en zijn echtgenote stond, haar (inkomsten uit) vermogen tot 2001 aan hem is toegerekend en zij enig erfgenaam is van erflater met zich mee brengen dat zij vanaf het moment van indiening van het eerste bezwaarschrift door erflater spanning en frustratie heeft ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat de hele vergoeding moet worden toegekend aan de echtgenote, nu zij degene is bij wie de spanning en frustratie is ontstaan en heeft de vergoeding aan haar toegekend in de zaken met procedurenummers 12/6201 en 12/7266 tot en met 12/7270. In de onderhavige zaken wordt dan ook volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden recht hebben op een vergoeding voor de proceskosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank beschouwt daarbij de zaken van erflater en de echtgenote als samenhangend. Echter, de rechtbank acht, anders dan belanghebbenden, geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een integrale proceskostenveroordeling rechtvaardigen.

5.2.

De inspecteur heeft belanghebbenden bij de uitspraak op bezwaar € 1.308 aan kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat dit bedrag onjuist is.

5.3.

De kosten voor de beroepsfase zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.652,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, ½ punt voor het bijwonen van een nadere zitting met getuigenverhoor met een waarde per punt van € 487, met wegingsfactor 2 en factor 1½ wegens vier of meer samenhangende zaken). Nu de echtgenote de enige erfgenaam is van erflater zal in de zaken met procedurenummers 12/6201 en 12/7266 tot en met 12/7270 aan haar de volledige kostenvergoeding worden toegekend.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover ze betrekking hebben op de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1993, 2000 tot en met 2008 en VB 1991 tot en met VB 2000;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1993, 2000 tot en met 2008 en VB 1991 tot en met VB 2000;

  • -

    verklaart het bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2007 niet-ontvankelijk;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen VB 1998 tot en met VB 2000 en de daarbij behorende heffingsrentebeschikkingen;

  • -

    handhaaft de (navorderings)aanslagen en beschikkingen heffingsrente IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1993, 2000 tot en met 2006 en 2008 en VB over de jaren 1991 tot en met 1997 zoals deze bij de ambtshalve verleende verminderingen, genoemd in overweging 2.19, zijn komen te luiden en stelt de te vergoeden heffingsrente ter zake van de IB/PVV 2006 en 2008 dienovereenkomstig vast;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.