Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:8923

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
02/290368 HA RK 14-225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking in procedure 02/811275-12 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

wrakingskamer

Locatie: Breda

Zaaknummer: 02/290368 HA RK 14 - 225

Beslissing van 22 december 2014 op het wrakingsverzoek ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv), van:

[verzoeker 1] :

[verzoeker 2]

[verzoeker 3]

[verzoeker 4]

[verzoeker 5]

[verzoeker 6]

[verzoeker 7]

[verzoeker 8]

[verzoeker 9]

[verzoeker 10]

[verzoeker 11]

[verzoeker 12]

[verzoeker 13]

[verzoeker 14]

[verzoeker 15]

[verzoeker 16]

hierna te noemen, verzoekers.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank;

  • -

    de beschikking van rechter-commissaris mr. Woerdeman van 7 november 2014;

  • -

    het wrakingsverzoek van 7 november 2014;

  • -

    de memo van mr. Woerdeman van 18 november 2014;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 15 december 2014, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van verzoekers, mr. G. Spong, mr. S.F.J. Smeets, mr. J.T.E. Vis (‘de gemachtigden’).

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. A.J.L. Woerdeman, rechter-commissaris in strafzaken te Breda, in de zaak met parketnummer 02/811275-12 e.a., (de hoofdzaak) op de gronden die namens verzoekers zijn uiteengezet in het wrakingsverzoek.

Mr. Woerdeman berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 Korte voorgeschiedenis en standpunt verzoekers

De Officier van Justitie heeft in de hoofdzaak stukken van het opsporingsonderzoek aan de verdediging onthouden. Dit op grond van de ernstige vrees dat openbaarmaking van die informatie ertoe zal leiden dat de waarheidsvinding ernstig zal worden geschaad. Op 21 oktober 2014 is in de hoofdzaak namens verzoekers een (herhaald) bezwaar ingediend inzake het onthouden van stukken ex artikel 30, vierde lid, Sv. Bij beschikking van 7 november 2014 heeft de rechter-commissaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 512 Sv. De beslissing van 7 november 2014 heeft bij verzoekers geleid tot de objectieve vrees van schijn van vooringenomenheid en partijdigheid. Het gaat verzoekers daarbij niet primair om de beslissing om stukken te onthouden an sich, maar om de motivering daarvan door de rechter-commissaris. De vooringenomenheid blijkt volgens de gemachtigden van verzoekers met name uit een tweetal passages uit bovengenoemde beslissing, namelijk:

“Nu het onderzoek en de verdenkingen zich uitstrekken tot meer feiten dan alleen het voorhanden hebben van een te grote hoeveelheid softdrugs (de zogenoemde achterdeurproblematiek), kan de stelling van de verdediging dat geen met strafrechtelijk handhaven te eerbiedigen belang is gediend met de vervolging, en er mitsdien geen reden is tot onthouding van processtukken, niet slagen.”

en:

“De officier van justitie heeft, onder meer gelet op de door hem overgelegde informatie inzake de voortgang in het onderzoek d.d. 31 oktober 2014, genoegzaam aangetoond dat met het verlenen van kennisneming aan verdachten van de processtukken ernstig te vrezen valt dat de waarheidsvinding zou kunnen worden belemmerd. Met name kan uit die informatie concreet collusiegevaar worden afgeleid.”

De opvatting van de rechter-commissaris dat ‘de stelling van de verdediging […] niet [kan] slagen’ brengt volgens verzoekers een ontoelaatbare vooringenomenheid mee, nu deze vooruitloopt op de uiteindelijk door de rechter te nemen beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit brengt tevens een vooringenomenheid mee ten aanzien van door de rechter-commissaris nog te nemen beslissingen in de hoofdzaak, bijvoorbeeld inzake getuigenverzoeken of andere onderzoekswensen van de verdediging strekkende tot onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer. Er is sprake van zodanige overtuiging c.q. opvatting dat door de verdediging de conclusie moet worden getrokken dat de rechter-commissaris niet langer onpartijdig is.

Ook uit de tweede geciteerde passage blijkt volgens verzoekers dat de rechter-commissaris vooringenomen is. De rechter-commissaris kan het fair trial beginsel, neergelegd in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), niet hebben eerbiedigd wanneer hij op basis van eenzijdige informatie van het Openbaar Ministerie – informatie die de verdediging onthouden wordt en die zij dus niet kan toetsen – oordeelt dat ‘genoegzaam aangetoond’ is dat er collusiegevaar bestaat. Van een ‘genoegzaam aantonen’ kan wat verzoekers betreft alleen sprake zijn van een equality of arms waarin hoor en wederhoor is toegepast. Er is geen sprake geweest van hoor en wederhoor nu juist de door de Officier van Justitie overgelegde informatie aan de verdediging is onthouden.

Daarnaast hebben de gemachtigden aangevoerd dat het feit dat de rechter-commissaris de achterdeurproblematiek ten onrechte beperkt tot slechts ‘ het aanwezig hebben van een te grote hoeveelheid softdrugs in de coffeeshops’ – in weerwil van de door de verdediging uitvoerig voorgehouden jurisprudentie op dit gebied – geldt als een te beperkte rechtsopvatting die vooringenomenheid ten aanzien van het te voeren verweer impliceert. De verdediging heeft er juist op gewezen dat de achterdeurproblematiek blijkens de jurisprudentie op dit punt op veel meer ziet dan een te grote handelsvoorraad. De rechter-commissaris heeft er echter blijk van gegeven de zaak tegen verzoekers niet te beschouwen als een ‘achterdeurzaak’ en stelt reeds op voorhand dat er wel een met strafrechtelijk handhaven te eerbiedigen belang zou zijn bij de vervolging van verzoekers. De strekking van de opvatting van de rechter-commissaris wekt bij de verdediging de schijn van vooringenomenheid ten aanzien van het uiteindelijke oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

4 Overwegingen

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek ziet op een inhoudelijke beslissing van een rechter-commissaris. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een voor de verdediging onwelgevallige beslissing op zichzelf geen voldoende grond voor wraking oplevert. Dit kan slechts anders zijn indien de beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is, dat die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor partijdigheid of vooringenomenheid. Beoordeeld dient te worden of er sprake is van een of meer van dergelijke zwaarwegende aanwijzingen. De wrakingskamer concludeert dat dergelijke aanwijzingen niet kunnen worden gevonden in de beslissing d.d. 7 november 2014 van de rechter-commissaris. Daartoe overweegt de wrakingskamer als volgt.

De rechter-commissaris heeft benadrukt dat de hoofdzaak zich in de opsporingsfase bevindt. De door hem genomen beslissing inzake het onthouden van stukken ziet op die fase en loopt daarmee formeel noch materieel vooruit op enig te nemen beslissing van de zittingsrechter in het eindonderzoek op zitting, waaronder een beslissing over de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie. De rechter-commissaris heeft gewezen op artikel 268 Sv, dat bepaalt dat de rechter-commissaris die enig onderzoek in de zaak heeft verricht, niet deelneemt aan het onderzoek op de terechtzitting. De wrakingskamer volgt dan ook het standpunt van de rechter-commissaris dat er geen sprake is van een beslissing waarbij vooruit wordt gelopen op het eindonderzoek ter zitting.

De rechter-commissaris heeft toegelicht dat zijn opvatting over de haalbaarheid van verweren, ziet op hetgeen de verdediging in dat verband in het bezwaarschrift, inzake de onthouding van stukken, aan de orde heeft gesteld. Het zegt niets over in de toekomst door hem te nemen beslissingen. De rechter-commissaris heeft verwezen naar de laatste alinea van zijn beslissing van 7 november 2014, waarin hij specifiek heeft overwogen dat het onderzoeksbelang in de huidige stand van het strafrechtelijk onderzoek zwaarder weegt dan het verdedigingsbelang. De wrakingskamer oordeelt dat uit deze overweging duidelijk blijkt dat de beslissing (en de in dat kader gemaakte belangenafweging) alleen ziet op de specifieke fase waarin het onderzoek zich ten tijde van het nemen van de beslissing bevond. De wrakingskamer volgt de stelling van verzoekers dan ook niet dat uit de uitlatingen van de rechter-commissaris een vooringenomenheid voortvloeit ten aanzien van door hem nog te nemen beslissingen in de hoofdzaak.

Inzake de stelling van de verdediging dat de rechter-commissaris in zijn beslissing al een (definitieve) opvatting heeft gegeven over de haalbaarheid van het verweer inzake de achterdeurproblematiek, heeft de rechter-commissaris toegelicht dat deze stelling berust op een onjuiste lezing van zijn beslissing. In zijn beslissing valt, ook naar het oordeel van de wrakingskamer, op dit punt slechts te lezen dat de verdenking van de Officier van Justitie op meer ziet dan alleen de achterdeurproblematiek en dat daarom niet gezegd kan worden dat er geen met strafrechtelijk handhaven te eerbiedigen belang is gediend met een vervolging.

Voorts heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de wrakingskamer terecht aangevoerd dat er, in tegenstelling tot wat de gemachtigden van verzoekers beweren, wel degelijk sprake is geweest van hoor en wederhoor voorafgaande aan de door hem genomen beslissing op het bezwaar tegen het onthouden van stukken. Op grond van artikel 40, vierde lid, Sv, dient een volle toetsing plaats te vinden. In dat licht heeft zowel de Officier van Justitie als de verdediging ruimschoots de gelegenheid gehad te reageren op elkaars standpunten. Partijen hebben hier ook gebruik van gemaakt. Dat op onderdelen gebruik is gemaakt van nog bij de verdediging/verdachten onbekende informatie ligt besloten in de aard van de onthoudingsprocedure. De stelling van de verdediging dat het onderzoek door de Officier van Justitie wordt getraineerd, kan door de rechter-commissaris alleen ten volle en zorgvuldig worden beoordeeld door gebruik te maken van informatie (over de voortgang van de zaak) die vooralsnog is onthouden aan de verdediging. De rechter-commissaris heeft op goede gronden verwezen naar de overweging van de wetgever dat de rechter-commissaris in onthoudingsprocedures niet gebonden is aan zogenoemde interne openbaarheid en dat hij gelet daarop meer informatie heeft dan de verdediging.

Ter zitting hebben de gemachtigden van verzoekers toegelicht dat zij dit laatste ook niet bestrijden, maar dat er ook getoetst moet worden aan beginselen als de goede procesorde en een redelijke en billijke belangenafweging. Verzoekers menen dat nu de zaak al 3,5 jaar loopt, er nu wat hen betreft een kantelpunt is bereikt. Zij willen weten waar zij aan toe zijn en waar zij van worden verdacht. De wrakingskamer stelt in dit kader vast dat het niet zo is dat er gedurende een periode van 3,5 jaar stukken aan de verdediging worden onthouden. De onthoudingen dateren namelijk van 16 juni 2014 en 28 augustus 2014. Het feit dat de opsporing al geruime tijd duurt is bovendien geen omstandigheid die maakt dat de beslissing van de rechter-commissaris een schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

Uit het voorgaande volgt dat de door de gemachtigden aangevoerde feiten en omstandigheden noch afzonderlijk noch in hun onderlinge samenhang bezien kunnen leiden tot de conclusie dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Ook overigens ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het namens verzoekers gedane verzoek tot wraking wordt derhalve afgewezen.

5 Beslissing

De rechtbank:

wijst het wrakingsverzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.J.M. Poerink (voorzitter), mr. A.D. Scheffers en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, en uitgesproken in het openbaar door mr. Poerink, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Sambeek als griffier, op 22 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.